

 |
 |
Schuur
Vrouwkje Tuinman
Omheen de dingen zijn stralenkransen van stof. Muf, vlokkig. De dingen
zijn: oude stoelen, een bankschroef, uitpuilende kasten, gereedschapskisten,
stapels oude kranten op de grond, vogelvoer in blikken. Kapotte tv, potten
verf, overal verroeste spijkers, muizenkeutels. Ik sta in de schuur en
er is verder niemand.
Er komt wat licht door een vuil raam achterin de ruimte, dat grotendeels
begroeid is met klimop. Toen ik daarnet de roestige sleutel met geweld
had omgedraaid en de deur opengewrikt, knalde hij direct achter me dicht.
Het waait hard, buiten. Ik stond op de drempel, in het halfduister, en
kon het licht niet vinden. Ik wist dat het ergens links zat, net niet
te hoog voor mij. Vorig jaar was ik nog te klein en kon ik er helemaal
niet bij. Dat was beter, toen werd ik niet in mijn eentje naar de schuur
gestuurd.
Ik tastte langs de muur. Die voelde vochtig en bladderde. Spinrag aan
mijn vingers. Zo zocht ik een tijdje door maar vond alleen muur, gaten
waar spijkers hadden gezeten, de rand van een kast. Ik schramde mijn vinger
aan iets scherps. Mijn adem ging sneller, ik maakte me zorgen. Hij zou
vast op me zitten wachten. Ik was niet snel genoeg, nooit snel genoeg.
Uiteindelijk duwde ik met heel mijn lijf de deur weer open. Regen spatte
naar binnen en plakte de draden stof aan mijn trui vast. Daglicht scheen
op de muur en ik vond de lichtknoppen. Drie deden het niet, een vierde
wel. De deur vloog weer dicht maar nu is er wat licht in het midden van
de schuur. Een stoffig peertje schijnt op oude troep en zich naar binnen
wurmende planten. Bleke wortels tasten langs de wand.
Ik zoek een kluif voor de hond. Het is zondag en dan krijgt Basje wat
lekkers. Ik werd ervoor naar de schuur gestuurd. Laarzen aan tegen de
modder. De hond wilde mee naar buiten en duwde me half omver, toen ik
de achterdeur opendeed. Mijn vader begon te schreeuwen dat ik beter op
moest letten, dat die rothond het anders nooit zou leren. Hij kwam niet
helpen om Bas opzij te duwen. Bas is sterker dan ik. Het duurde een hele
tijd voor ik hem een andere kamer in had gewerkt en alsnog naar buiten
kon. Mijn vader zat ergerlijk te zuchten.
Het bot moet hier ergens liggen. We hebben het vrijdag gehaald, bij de
slager. Eerst deden we boodschappen bij de grote supermarkt in het dorp.
Toen zijn we naar de slager geweest. Er stond een lange rij mensen voor
ons. Mijn vader ging terug naar de auto en ik moest heel veel nummertjes
later vragen om het bot. Dat ging in een zakje. Het zakje ging in de achterbak
van de auto. Wij gingen nog naar de fotowinkel en langs kennissen. Mijn
vader was boos, omdat ik zo lang bij de slager binnen was geweest.
'Weet je nog waar het ligt?' vroeg hij daarnet, voor ik naar buiten ging.
Ik durfde niet te zeggen van niet. Ik was er bij, eergisteren, toen hij
het bot opborg. We hadden de boodschappen naar binnen gebracht, snel snel,
want de melk werd al een beetje lauw. Toen we de kartonnen doos met frisdrank
uit de auto haalden, dacht papa aan het zakje van de slager. Ik moest
de deur open houden zodat hij het in de schuur kon leggen, zonder het
licht aan te hoeven doen.
Er liep een grote spin langs mijn arm en ik lette niet op waar papa heen
liep. Ik beet op mijn lip om niet te gillen. Hij wordt boos als ik niet
oplet. Of als ik bang ben.
Nu kan ik het zakje niet vinden. Ik loop door de schuur en probeer me
te herinneren waar mijn vader dit soort dingen altijd neerlegt. Achter
me schiet een muis weg. Gelukkig ben ik niet bang voor muizen. Onder mijn
laarzen knerpt zand, in de ribbels zitten straks allemaal keutels, weet
ik, dat is altijd en ik moet niet vergeten ze er allemaal uit te vegen
voor ik weer het huis inloop.
Warmte kruipt tussen mijn huid en kleren, ik begin te zweten, mijn handen
prikken. Als ik het maar kan vinden. Ik luister of ik de achterdeur nog
niet hoor open gaan. Rustig. Systematisch alles afzoeken. Van voor naar
achter, dan kan ik het bot niet missen. Vuilniszakken. Dozen, oud papier.
Onduidelijk gereedschap. Een muizenval met nog een stukje staart erin.
Een glimmende plastic zak. Die moet nieuw zijn, maar ik durf er niet in
te kijken. Straks mag ik het niet zien, wat er in zit. En dan vraagt hij
of ik gekeken heb en durf ik niet te liegen.
Daar ligt de kluif, half onder een zak duivenvoer. De muizen hebben aan
de zak gegeten en op de grond liggen overal granen, vliesjes van halfopgegeten
korrels. Ik duw de zak weg en pak het bot. Ik laat het meteen weer vallen.
Het bot voelt wriemelig en als ik goed kijk zie ik dat het zakje vol met
maden zit. Sommige heb ik in mijn haast fijngeknepen maar de anderen laten
zich daardoor niet van de wijs brengen. Geluidloos wroeten ze door, in
en over het bot, in en over elkaar.
Misschien moet ik mijn vader gaan halen. Wat zou hij vinden dat ik moet
doen? Waarschijnlijk vindt hij me een lafaard, als ik laat merken dat
ik het eng vind om de kluif mee in huis te nemen.
Of wordt hij juist kwaad als ik het wel doe, die vieze troep, binnen.
Maar weggooien mag vast ook niet. Verspilling. Dat bot kan misschien nog
best. Of het slecht is voor Basje weet ik niet, maar ik zal ook niet de
moed hebben het papa te vragen.
Ik kijk om me heen, om iets te vinden waarmee ik het zakje durf op te
pakken. Een stuk karton of een stok. Ik vind een gebobbeld vel papier,
reclame voor tuinmeubelen.
Voorzichtig probeer ik het onder het bot te schuiven. Het zakje helt voorover
en voor ik het weet valt het tegen me aan en glijdt het langs mijn kleren
naar beneden. Half vliegt het open en een paar maden tuimelen eruit, komen
op mijn broek terecht. Ik spring naar achter. Schop en spring om ze kwijt
te raken. Het flitst door me heen hoe ze misschien mijn laarzen in, door
mijn sokken, naar mijn voeten kruipen en zich naar binnen eten.
De brede garagedeur aan de zijkant van de schuur, waarvan ik geen sleutel
heb omdat hij toch te zwaar voor me is, zwaait open. Licht stroomt binnen
en verblindt me. De wind suist om mijn hoofd, stofdraden beginnen overal
te wapperen. 'Waar blijf je toch,' buldert hij. 'Wat sta je toch altijd
te treuzelen!' Dan ziet hij de
rommel op de vloer. Kluif, maden, zakje. Ik stamel iets over dat ik niet
durfde, niet wist. 'Dat pak je toch gewoon!' snauwt hij. 'Ik moet ook
alles zelf doen.' Hij grijpt het bot, pakt me met zijn andere hand bij
mijn schouder, duwt me terug naar huis en gooit het ding in het hondenhok.
Basje valt aan.
|
|