|
Onno Kosters
Triste, ah triste
était mon âme
Het bronzen beeldschoon, zeventien,
met de langste benen van Triëst
staat op van het terras.
Het kortste rokje van de stad
strekt zich om haar nauwelijkse billen,
haar amper poesje strak.
Zwart glanzen haar drie kleine,
warme heuvelen, haar ogen.
Het jongensachtig wijfjeslijfje talmt,
blikkenvangend in geveterd kant
dat zich om haar handvol taille
als stollend bladstaal spant.
Zo, heur haar zo onaanraakbaar
rakelings, zo kolkend langs
het pezig nekweefsel, haar
scherpe schouderbladen en
lenige, lustige rug, zo dansend
tegen de twee kokette muizen
van haar smalle achterhand -
staan de palmen van haar benen pal
|