


|
 |
Dante
2de prijs verhalenwedstrijd 2002
Jennifer
Vrielinck
Ze zeggen
dat het kind van een nomade zevenduizend achthonderd kilometer gedragen wordt voordat het
op eigen benen begint te lopen.
Ze zit in de wagen. Aan te schuiven. Al twee uur. Gent - Zaventem. Zo is het tweemaal per
dag, elke dag, jaar in, jaar uit. Wanneer het regent, is er file omdat het wegdek nat is.
Wanneer de zon schijnt, omdat de automobilisten verblind zijn.
Alles zit vast. De zon schijnt. Dan een irriterend elektronisch gepiep. Haar buik
verkrampt. De gsm. Wanneer ze na een paar minuten het gesprek afsluit, opnieuw.
Elektronisch gestuurde verwijten. En dan weer. Ze voelt een vage pijn in haar buik. Elke
keer. Het enerverende signaal. Afspraken verplaatsen, uitstellen, afbellen. Nieuwe maken.
Te vroeg vertrekken voor haar bioritme en uren nadien te laat aankomen voor haar
carrière. 'Laat alle hoop varen, gij die hier binnengaat.' De eerste afdeling van de hel,
voorgeborchte of limbus genoemd. Hier word je niet gepijnigd zoals in de hel, maar je
straf bestaat erin dat je zonder hoop blijft verlangen naar het paradijs. Altijd op weg om
te laat te zijn en nergens nog tijd voor.
Ze zeggen dat een eigenschap van zich voortbewegende organismen is dat ze zich kunnen
verplaatsen naar betere oorden. Dat is hun overlevingsstrategie.
Ze luistert. Kijkt naar de zeven mannen in hemd en das die in dit verduisterde lokaal met
op de muur geprojecteerde grafieken elk hun eigen betoog houden. Zij is uitgesproken.
Heeft haar project voorgesteld. De zaakvoerder is enthousiast geworden. Bij de anderen
heeft ze weinig emotie gezien. Apathie of jaloezie? Geen enkele emotie dringt door het
masker van de zakenman. De vergadering is ondertussen al drie uur aan de gang. Doelloos
gediscussieer in gekunsteld Frans en firma-Engels. Iedereen luistert alleen naar zichzelf.
Ze wil de vergaderzaal verlaten, beginnen aan de uitwerking van haar project. Niet blijven
luisteren naar dit oeverloze gebabbel. Hanen kraaien, maar het zijn de kippen die eieren
leggen. Ze bladert in haar papieren. Ze doet alsof ze geïnteresseerd volgt waar de
discussies over handelen. Ze doet alsof ze noteert. Begint haar ideeën op papier uit te
werken. Eerst enthousiast. Dan komt twijfel. Heeft dit enige zin? Zal dit project net
zoals zoveel goede ideeën weggestemd worden omwille van de interne politiek? Zal het ooit
een oogst opleveren die evenredig is aan de energie en tijd die ze erin steekt? Ze werkt
verder. Acteert interesse. Weggestemd of niet, ze heeft een loon en ondertussen is haar
tijd goed besteed. Ze kijkt op de klok. Verspil geen tijd, het is van dit kostbare
materiaal dat het leven gemaakt is. De armen wijzen haar terecht. Tempus fugit.
Ze maakt geen notities meer, stopt de plannen weg in haar map. Schrijft een brief aan
zichzelf.
'Ik hou van je, echt. Ook al lijkt het ongeloofwaardig wanneer ik je dit aandoe, elke dag
opnieuw, dag in dag uit. Zonder uitzicht op verbetering.'
Ze schrijft het in de rand van vandaag. Bladert naar gisteren en eergisteren.
Aantekeningen. 'Venus staat bij zonsondergang veel noordelijker. Ze gaat ruim twee uur na
de zon onder. Mercurius is zwak zichtbaar. Jupiter is opvallend aanwezig. De zichtbaarheid
van Saturnus neemt af. Mars liep onderlangs voorbij aan de Plejaden en nu bovenlangs aan
Aldebaran.' Overuren zijn niet betaald, maar halve nachten doorwerken levert hemelkennis
op.
Een man verhoogt zijn volume. Denkt dat zijn woorden dan aan kracht winnen.
Ze loopt de vergaderzaal uit. Hand voor haar mond.
Wanneer alles eruit is, ze zich uitgewrongen en vies voelt, kijkt ze in de spiegel. Ze
ziet er stralend uit. Net zoals de zaakvoerder zei voor de vergadering: 'Vous êtes
ravissante aujourd'hui.'
Ze zeggen dat als de vrouw straalt, het een jongen wordt en als ze niet straalt, het een
meisje zal zijn. Dochters stelen de schoonheid van hun moeder.
Ze staat aan de kassa in de supermarkt. Suf na een hele dag vergaderen. Voelt opnieuw
misselijkheid opkomen. Ze heeft zin om neer te liggen, voeten zo hoog mogelijk, en rustig
diep in en uit te ademen. Ze heeft haar armen vol spullen. Geen muntje voor een kar en
niemand die kan wisselen. Haar rij schiet niet op. Snelkassa aan slakkentempo. Ze voelt
haar bovenlip vochtig worden, kleine, parelende, zoute zweetdruppeltjes. Ze ziet zichzelf
in de bolle spiegel boven de kassierster. Haar haren, glanzend en gezond, haar gezicht
glad en blozend. In haar ogen een schittering. Ravissante. Ze wil zich voelen zoals ze
eruitziet. Ze denkt aan de heerlijke dingen die ze gekocht heeft en waarvan ze straks zal
genieten met een glaasje voor de video. Alleen, want hij zal nog niet thuis zijn. Nu hij
zo dicht bij die promotie tot manager staat, haalt hij het uiterste uit zichzelf. Met een
beetje geluk ziet ze hem nog even voor het slapengaan, maar hij zal doodop zijn. 'En
eenmaal ik manager ben, zal het er niet op beteren', heeft hij beloofd.
Een metalen duw tegen haar hielen. Eerst zacht en dan harder. Een kleuter rijdt een
kinderformaat winkelkarretje metronomisch tegen haar hielen. Ze kijkt hem geërgerd aan.
De kleuter steekt zijn tong uit. Zijn moeder is druk in de weer een kleur nagellak te
kiezen.
Zijn kleine broertje in het zitje van de volwassen winkelkar komt uit een apathische
droomtoestand. Huilen zonder tranen. Eerst zeurderig, maar dan wordt het schreeuwen. Zijn
moeder is nog steeds de ideale nagellak aan het kiezen. Iedereen doet alsof het de
normaalste zaak van de wereld is dat een kind krijst. Ze hoort overal krijsende kinderen.
Het ziet zwart voor haar ogen, ze voelt haar maag keren, maar blijft aanschuiven.
Ze zeggen dat je gedragen baby's nooit hoort huilen zolang hun moeder in beweging is. Als
baby's al niet tegen stilstand kunnen, hoe kunnen wij dan in godsnaam verdragen immobiel
te zijn?
Remmen. Ze ziet, na een paar honderd meter op de Brusselse ring, het rood oplichten van de
voorliggers. En dan in rijen van drie, systematisch en berustend, de vier knipperlichten
die aangezet worden tot de achterliggers het signaal overnemen. Ze schuift weer aan. Op
weg naar huis nu. De achterbank vol boodschappen. Ze kan bijna elk ingrediënt dat ze
gekocht heeft, ruiken. Ze ruikt het pakje gemalen koffie dat ze mee heeft voor hem. Hij
leeft op koffie. Haar maag keert. Ze walgt van koffie. Maar hij heeft het nodig. Kan de
dagen zoals hij ze leeft niet doorkomen zonder brandstof. Lopend, rijdend, ondertussen
gsm-end en presentaties voorbereidend op zijn laptop. Eindeloos aan elkaar geregen stress.
Kilometers. Kilometers geen tijd. Kilometers beloften dat het zal verbeteren. Vrije tijd,
voor zover die er nog is, dient voor informele zakenactiviteiten of golfpartijtjes met de
'juiste' personen. Ondertussen ziet ze hem ouder worden, evenredig aan zijn gehaaste
tempo. Geen tijd, lieveling, het spijt me, ik zal het goedmaken. Later. Prioriteiten. Toen
ze verliefd op hem werd, dronk hij nog geen koffie.
Relaties ontstaan door verliefdheid en bestaan door compromissen.
Het begint al te schemeren in het oosten, hoewel het een mooie lenteavond is. In het
breedbeeld van de voorruit is de hemel vermiljoen met lange slierten nevel. De man voor
haar duwt het gaspedaal en de rem tegelijkertijd in. Hij geeft gas in lange uithalen.
Zwarte uitlaat. Hij spuwt zijn gal. Het sijpelt haar airco binnen. Een metaalsmaak en
misselijkheid. Ze draait de airco op interne luchtcirculatie. De man gooit nu een
sigarettenpeuk door het raam. Hij smeult op het warme asfalt en dan gaat de gsm. Hoe het
komt dat ze al zo vroeg weg is op kantoor? Het is nog maar acht uur. Ze zegt niets.
Het wordt al donker. Venus is het helderst in de hemel. Mercurius rechtsonder. Saturnus
linksboven. Straks zal Saturnus dalen en later op de avond staat ze lager dan Venus. Ze
kijkt naar een vlucht zwarte V's tegen de donkerblauwe lucht. Ze gaan.
Ze zeggen dat in het Tibetaans de definitie van 'menselijk wezen' a-Gro ba is, 'iemand die
gaat'.
Ze zit bij het raampje. Opnieuw een vlucht zwarte V's. Nu onder haar. Veel heeft ze niet
bij. Een kleine tas met spullen. Dingen die ze nodig heeft of bij zich wil hebben. Om de
vlieguren te overbruggen en om daar een identiteit te hebben. Al het overige zit in haar
hoofd en haar buik.
Er zijn niet veel mensen. Er zit een jong koppel te liefkozen en een zakenman maakt
notities op zijn elektronische agenda. Verder nog een jong gezin met twee kleuters die
opmerkelijk zoet zijn met peperduur speelgoed en een paar zakenreizigers die hun krant
lezen of slapen.
In elk van hen ziet ze zichzelf. Ze ziet zich, pril verliefd, met hem. Toen aanraken even
onontbeerlijk leek als ademen en vrijen als eten.
Ze ziet zichzelf in de zakenman, altijd tijd tekort en elk vrij moment benutten om
planningen te maken die dan toch niet gevolgd kunnen worden. Lijstjes met taken maken.
Puntjes die met grote voldoening geschrapt kunnen worden. Het zijn kleine stukken wrakhout
die je niet boven kunnen houden, maar waaraan je je een tijdje kunt vastklampen om niet
helemaal te zinken. In het jonge gezin ziet ze hoe ze zou worden, die paar weken in het
jaar dat ze samen zouden zijn. Te moe om te leven. De kinderen met dure zoethoudertjes
voorbereiden op hun plekje in het raderwerk waarin ze later terecht zullen komen. En de
rest is grijze massa die moe is, geestelijk, fysiek en emotioneel. Rust roest. Ze hebben
de blik van legbatterijkippen in hun ogen en moeten kranten lezen om te kunnen meepraten.
Zelf zijn ze vergeten hoe het leven is.
Ze landt in
de late namiddag. Er is een haven en een dorpsplein waar markt gehouden wordt. De
kraampjes zijn getimmerde skeletten van stalletjes met verschoten zeildoeken als
zonneweerders.
Het is een zintuiglijk bad. Hoe komt het dat we in onze supermarkten niet kunnen ruiken
waar de tomaten verkocht worden en de lederproducten, de kaas en de specerijen? Ze sluit
haar ogen en ruikt de kruiden, dieren, bloemen, mensen. En wanneer ze haar ogen opent in
het felle zonlicht, voelt ze zich eventjes duizelen. Alles draait als in een caleidoscoop
om haar heen.
Er is een kraampje met geweven doeken. Ze neemt een kleurrijke draagdoek in haar handen.
Ze voelt de stevige stof die verrassend zacht is. Ze koopt de draagdoek en bindt haar
spullen erin. 'Zeer goede kwaliteit,' zegt de verkoper, 'handgeweven! Uw baby zal zich er
prettig in voelen.'
Ze zeggen dat baby's nooit genoeg krijgen van te worden rondgedragen. Instinctief. De
ideale beweging is de beweging van de baarmoeder tijdens de zwangerschap. Verticaal, een
schommeling van acht centimeter aan een tempo van vijftig cycli per minuut.
In de haven koopt ze een ticket voor de nachtboot. De Meltemi waait. Windkracht zes. Net
sterk genoeg om haar misselijkheid weg te blazen. Frisse lucht in overvloed en rust en
kabbelend water en wiegende bewegingen. De hemel donkerblauw en eindeloos veel sterren. De
nacht is gevallen.
'Het was
het uur waarop het zacht verdriet
Van heimwee menig zeeman zal bevangen,
De dag dat hij zijn dierbaren verliet;
Het uur dat een nieuw pelgrim doet verlangen
Naar huis als hij het avondklokje hoort,
Dat rouwklaagt om de dag die is vergangen.'
(achtste canto, louteringsberg)
Het is nog nacht wanneer de boot het kleine eiland bereikt. Er is de bijna volle maan. Het
klotsen van de zee tegen de scheepswand. Ze moet niet nadenken, niet plannen, niet zoeken.
Ze weet waar ze heen moet. Ze stapt de treden op van de ezelstrap van de kleine haven
beneden, naar het dorpje boven op de rotsen. Ze wil niet meer terug. En als ze zou willen,
zou ze toch niet meer kunnen. Wanneer er weer een boot komt, is ze te ver om nog te
vliegen. Ze heeft het Inferno verlaten. Een ezeldrijver probeert haar een ezel voor de
klim te verhuren. Ze wijst hem af. Hij zou het niet snappen. Ze moet het alleen doen. Op
eigen kracht. Ze gaat nu door het Purgatorium.
Bij elke stap voelt ze de meerwaarde van haar lichaam. Het bewijs dat één en één drie
is. Nu is ze één en tegelijk twee. Elke stap weegt. Het trekt aan haar lenden, haar
onderrug, weegt op haar heupen, haar knieën, haar voeten. Elke stap weegt haar buik.
Zeven kilo. Zeven. Een kilo voor elke heuvel van Rome, voor elk van de wijzen van
Griekenland, voor elk wonder der wereld, voor elk mager en elk vet jaar, voor elk
sacrament, elke hoofdzonde, elke schoonheid, voor elke bede van het onzevader, voor elke
dag van de week, voor elke slaper van Efeze, voor elke hemel, voor elke wee van Maria,
voor elke dwerg van Sneeuwwitje, voor elk kikkertje in de boerensloot.
Ze houdt van hem, haar niet-kuise liefde. Ze is alleen, maar niet zonder hem. Ze denkt aan
hem. Hoe hij haar aankijkt en haar aanraakt.
Hoe hij haar niet aankijkt en haar niet aanraakt.
'Hou je van mij?' 'Geen domme vragen stellen, meisje.' 'Ja? Of nee?'
Ze ziet zijn gepijnigd gezicht met gesloten ogen bij het grootste genot en zijn gevoelloos
gezicht bij haar diepste verdriet.
Hoe die ene vrije avond, hartje winter, ze gegeten hebben in een restaurantje aan zee, na
een steenkoude wandeling over het strand. En hoe ze dan witte wijn hebben gedronken. Te
veel. Hoe hij haar begeerd heeft en hoe ze zijn oude hij herkend heeft door de kieren van
zijn zakelijke masker. Het was een hoogtepunt in hun liefdesleven. Een zeldzaam
hoogtepunt. Een uitzonderlijk zeldzaam ogenblik. Die keer.
Hoe oneerlijk ze elkaar zien wanneer ze elkaar eindelijk zien, afgepeigerd.
Hoe ontegensprekelijk ze toch steeds weer naar elkaar worden toegetrokken. Liefdevolle
hatelijkheid, zware luchtigheid, integere losbandigheid, misvormde chaos van
ogenschijnlijk mooie vormen, loden veer, heldere rook, koud vuur, gezonde ziekte, wakkere
slaap. Onvergankelijke liefde. Hoe hij haar het lelijkste liet zien en haar het mooiste
gaf wat er bestaat.
Elke tree op deze ezelstrap is drie stappen van haar. Een voor hem, een voor mij en een
voor...
Als het een jongen is, en het zal een jongetje zijn, zal hij Dante heten.
Ze zeggen dat de naam Dante komt van Durante, 'de durende, de onvergankelijke'.
En boven het dorp. Witte blokjes tegen een zwarte rots. Haar benen beven van de
inspanning. Haar hart pompt zwaar haar bloed door haar aderen. Geen vijf maar zeven liter.
De klim en de confrontatie met haar eigen gedachten, twijfels... Maar boven blazen de
Meltemi en de zon de dunne laag venijnig glasstof weg voor ze krassen maakt op haar ziel
en ogen.
'Inmiddels
was het ochtendrood vergleden,
Zodat het licht mij onderscheiden liet
Hoe zacht de golfslag deinde daar beneden.'
'L' Alba
vinceva l' ora mattutina...
e conobbi il tremolar della marina.'
(canto, Purgatorio)
De
onbeschrijfelijke atmosfeer van stilte na de storm die woedde door haar hoofd en over de
Egeïsche zee. De zon die de donkere depressie doorbreekt. Aurora. Boven zit een oude man
met een blauwe pet. Hij moet lang geleden visser geweest zijn. Hij glimlacht haar
bemoedigend toe.
Het dorp verwelkomt haar. Oker, steenrood, lapis en azuur, witte muren op zwarte rotsen
tegen het blauw van de hemel en de zee, enkel te onderscheiden door een grijs-witte,
ragfijne nevel. Met marmer geplaveide straatjes. Tussen de witte huisjes ontwakende
bloemen, tijm, laurierboompjes in terracottapotten. Liefdesbetuigingen aan Apollo. Een
boodschap aan een god, hier in het paradijs zelf.
En helemaal achter in het dorp, half in een zwarte rots uitgehakt, een klein, wit,
koepelvormig huis. Er is een haard met aan beide zijden een in rots uitgehakt ligbed, met
daarop een dunne matras. Voor het huis een houten tafel en twee houten stoelen,
petroleumblauw geverfd. Veelkleurige olijfolieblikken, opengesneden en gevuld met
geraniums. Op een van de blauwe stoelen zit een man een visnet te knopen.
Ze zeggen dat er een man nodig is om een nederzetting en een vrouw om een thuis te
creëren.
De visser brengt haar een stuk zwaardvis, geroosterd op het vuur. Hij snijdt er hompen
brood bij. Zij legt een theedoek over de houten tafel. Snijdt tomaten in partjes en
geitenkaas in blokjes in een aardewerken kom en versnippert er bieslook en zwarte olijven
over.
Ze heeft de hele dag gewandeld door het dorp. Elk huis, elke tuin, boom, plant, mens die
er liep, vertelde haar dat ze hier lang geleden al geweest is. Dat ze eindelijk
thuisgekomen is. Wat ze achtergelaten heeft, was tijdelijk. Ze mist het niet. Denkt er
niet meer aan.
Wanneer de zon oranje wordt, wandelt ze naar het meest westelijke punt van het dorp.
Bovenop de ruwe rotsen, met de zee driehonderd meter onder zich, ziet ze de zon in de zee
verdwijnen. Ze sluit haar ogen wanneer de zon het raakvlak nadert, om het gesis te kunnen
horen. Het blussen van de zon in de zee. Wanneer de zon helemaal onder is, keert ze zich
om. Achter zich ziet ze de maan gigantisch en bloedrood opkomen over het eiland.
Mars verdwijnt in de avondgloed. Hij is op weg naar de zon, terwijl Venus zich van de zon
verwijdert. Hun tempo is ongeveer hetzelfde. Venus nadert Jupiter. Van avond tot avond
staan ze dichter bij elkaar.
Ze wandelt over de met marmer geplaveide straatjes in het pasteldorp. De huizen zijn
perzikkleurig en zachtoranje. Ze verkleuren naar diepmauve en zachtlila. En dan bij het
vallen van de nacht een vreemd soort wit, dat in het schijnsel van de maan vreemd oplicht
tegen de hemel van kobalt. Ze loopt op handgesneden sandalen over de gladde straatjes naar
het kleine, koepelvormige huis terug. De haard is aan. Ze stapt sneller wanneer de koude
van de avond zich door haar lichte jurk vastklampt aan haar blote benen.
Ze zeggen dat een lichaam dat in beweging is, in beweging wil blijven.
Wanneer ze zich neerlegt op de dunne matras van de stenen rustbank, ziet ze het. Een klein
lichaam dat zichzelf probeert te wiegen nu haar lichaam daarmee gestopt is.
Ze neemt zich voor haar zoontje te dragen in haar draagdoek. Hem de wereld om zich heen te
laten verkennen op het wiegen van haar voetstappen en het ritme van haar hart. Hem de
dingen te laten benoemen van dicht bij haar hart.
Ze zeggen dat het kind van een nomade zevenduizend achthonderd kilometer gedragen wordt
voordat het op eigen benen begint te lopen. Aangezien het zijn wereld zo ontdekt, is het
ondenkbaar dat het geen dichter wordt.
|
|