Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

De kwestie Elmen van Hout

Vliederik van Vlaanderen

    Amsterdam, 12-04-01

Aan de centrale universiteitsraad,

Bij deze zou ik u op de hoogte willen stellen van het volgende. Tijdens het eerste trimester van dit studiejaar heeft een van onze studenten, te weten Elmen van Hout, bij ons een voorstel ingediend aangaande zijn eindscriptie. Deze zou handelen over Gottfried Leibniz, minimaal bestaan uit 30.000 woorden en uiterlijk op 1 februari 2001 bij zijn begeleider professor van Truffelen worden ingeleverd. Wij hebben echter moeten constateren dat de student deze gestelde deadline niet heeft gehaald. Tot op heden 12 april heeft professor van Truffelen in zijn postvakje namelijk nog niets gevonden dat men ook maar de aanzet tot een scriptie zou kunnen noemen. Wel ontving hij tot zeven keer toe iets anders, en het is het zorgwekkende voorkomen van dit object dat de examencommissie metafysica heeft doen besluiten u omtrent de kwestie in te lichten en u erin om bijstand te vragen.

Het object beslaat een grote, donkerrode envelop, waarop zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde met zwart plakband aanzienlijke plukken haar zijn bevestigd. Het forensisch instituut Amsterdam gist nog altijd naar de aard van de haren, al begint men te vermoeden dat het gaat om die van het Slowaakse nachtzwijn, 'hoewel ook enkele Belgische teckelsoorten nog altijd niet zijn uit te sluiten'. Deze laatste zin is helaas een citaat: u begrijpt dat wij inmiddels een ander forensisch instituut dan dat van Amsterdam in de arm hebben genomen.

Ondanks de al zo macabere verpakking is het vooral de inhoud van de enveloppen die de examencommissie metafysica de stuipen op het lijf jaagt. Deze bestaat telkens uit een schets waarop te zien is hoe een beroemd filosoof vanuit de lucht op brute wijze wordt aangevallen door een enorm roofdier, een uit de kluiten gewassen arend die zijn onmetelijke klauwen in het hoofd van de denker in kwestie zet. Tot op heden waren Plato, Spinoza, Kant, Hegel, Descartes en Hume al slachtoffer van de mishandeling. Het klopt dat u er één mist: want van de manier waarop de student de filosoof heeft toegetakeld die nota bene de hoofdpersoon van zijn scriptie had moeten worden, Gottfried Leibniz, zouden wij bij deze apart melding willen maken.

De heer Leibniz wordt niet alleen van boven aangevallen door het eerder beschreven monster, maar wordt tegelijkertijd van onderen verorberd door wat nog het meest wegheeft van een kolossale kwal, die zich al aan de voeten van de denker - die de mens nog wel de integraalcalculatie heeft gebracht - tegoed heeft gedaan en nu van plan lijkt zich een weg omhoog te slurpen. Daarnaast heeft het er de schijn van dat de filosoof op de schets lijdt aan een vreselijke ziekte, die overal op zijn lichaam grote roestbruine korsten heeft doen ontstaan en van zijn gezicht niet veel meer heeft overgelaten dan een verzameling loshangende, eeltgele vellen, waartussen nog maar met moeite een tweetal ogen is te onderscheiden.

Er is al verzocht telefonisch contact met de student op te nemen, maar deze is al zeven weken in gesprek. De examencommissie metafysica is van mening dat zo snel mogelijk een andere poging tot contact moet worden ondernomen, bijvoorbeeld in de vorm van een bezoek aan huis. Professor van Truffelen zelf, aan wie men als begeleider wellicht het eerst denkt, zegt hiervoor niet geschikt te zijn vanwege wat hij noemt een 'cerebraal-transcendente communicatietrombose', die hij vierentwintig jaar geleden tijdens een vakantie in Portugal heeft opgelopen en die hem sindsdien het sociale functioneren onmogelijk maakt. Het is niet duidelijk of het hier gaat om een van de professors befaamde waanbeelden of dat hij zijn bewering met feiten kan staven. De examencommissie metafysica is echter hoe dan ook niet van plan om daarop te wachten. Want ook zonder wetenschappelijk bewijs is vast te stellen dat professor van Truffelen op zijn zachtst gezegd een uitermate abstract en afwezig figuur is, die zeker niet is toegerust met de sociale capabiliteiten die een dergelijk bezoek aan huis bij de student zou vergen.

Ook de tweede lezer van de scriptie, professor Hornleff, lijkt ons te veel in een wereld van gedachten te zijn verzonken om in deze situatie enige rol van betekenis te kunnen spelen. Ja, tot haar grote ontzetting heeft de examencommissie metafysica zelfs moeten constateren dat zij geen énkele docent verbonden aan de faculteit der wijsbegeerte in staat acht Elmen van Hout op een normale manier onder ogen te komen. Wij vragen u dan ook bij deze of u namens de universiteit een op dit gebied meer vaardig persoon op de student zou willen afsturen dan onze paranoia in de kaart spelende professoren. Bij voorbaat dank,

Namens de examencommissie metafysica,

F. Wilhelm

© Vliederik van Vlaanderen