


|
 |
Zonder titel
Xavier Spileers
Al een paar
jaar ben ik aan het werk, of ik zou eerder moeten zeggen dat het een hobby is. Ik ben
ervan overtuigd dat het zijn nut heeft gehad hoewel ik niet meen dat ik er beter van
geworden ben. Misschien moet ik eerst eens gaan rusten en het gebeurde overdenken. Of
misschien nét niet.
Maar laat me beginnen bij het begin: mijn hobby. Jaren geleden nam ik mij voor God te
vinden. Oké, ik geef toe dat het als een cliché klinkt, en dat is het natuurlijk ook,
maar het grote verschil tussen mij en de anderen is dat ik hem wel degelijk gevonden heb!
Ik ga niet uitweiden over hoé ik hem gevonden heb, laat me gewoon hinten dat het te maken
heeft met het tetragrammaton Jhwh, een multiprocessor Linux-server, de stand van de maan
Io en complexe algoritmen. Zodra mijn machine Zijn huidige naam berekend had, hoefde ik
deze slechts op te zoeken in de Witte Gids, editie Oost-Vlaanderen (ik bezit namelijk geen
andere Witte Gidsen).
Met trillende vingers toetste ik het telefoonnummer in en wachtte tot de telefoon
overging. Redelijk snel hoorde ik een diepe vrouwenstem aan de andere zijde van de lijn:
een luide 'Halleu' begeleid door een onderdrukte maagoprisping.
'Euh ... hallo, ben ik bij God ?', vroeg ik aarzelend.
'Watte? Wa zegde gij ?', hoorde ik haar zeggen. Ik moet toegeven dat de verbinding nogal
slecht was. Mijn gsm had ook al zijn beste tijd gehad.
'Mag ik God alsjeblieft ?', gilde ik.
''T is voor mijne zoon zekers ?', krijste ze terug, en zonder mijn antwoord af te wachten
hoorde ik haar de hoorn neerleggen en snel wegschuifelen. Terwijl ik stond te wachten
totdat God de hoorn zou overnemen, maakte ik bij mezelf de bedenking dat ik er nooit bij
stilgestaan had dat Hemzelve een moeder kon hebben. Veel kon ik daar echter niet over
filosoferen, want al snel hoorde ik God kuchen aan de andere kant van de lijn.
'Yo, wien is't ?' vroeg Hij.
'Goeiemiddag, met <X>, U kent mij niet maar ik had U graag een paar vragen gesteld
over Uw Werk.' riep ik met onzekere stem.
'Werk? Hoe werk? 'K heb ekik geen werk!', brulde Hij terug. Een oorverdovende stem moet ik
toegeven, zo met mijn oor tegen de gsm gedrukt.
'Ik had het willen hebben Uw Levenswerk, Het Werk! U weet toch wel waarover ik het heb?'
articuleerde ik zo goed mogelijk.
'Ah datte ... 't is toch geen mop, hé?'
'Neenee, 't is bloedserieus, ik geloof echt dat iedereen meer inzicht zou moeten hebben in
Uw Werk. De wereld zou er een betere plaats van worden', overtuigde ik Hem met schorre
stem.
'Allee, 't is goed, wanneer kunde gij ne keer afkomen?' riep Hij bevragend.
Snel spraken wij af, want mijn batterij was ook al bijna leeg. In mijn opwinding was ik
die vergeten te herladen voordat ik belde. Ik mocht al in de late namiddag bij hem thuis
langsgaan en bevangen door geestelijke verwarring telde ik de minuten af tot het tijdstip
van vertrek.
Toen het zover was, stapte ik zenuwachtig in m'n auto en reed de E40 op, richting Gent.
God woont namelijk in de Parkietstraat in Sint-Amandsberg. De Parkietstraat is een nauwe
straat, eigenlijk enkel geschikt voor eenrichtingsverkeer, maar waar men toch in beide
richtingen mag rijden. Na lang zoeken vond ik dan een parkeerplaats waar ik m'n auto
durfde te laten staan zonder voor m'n achteruitkijkspiegel te moeten vrezen.
Met een krop in mijn keel belde ik aan. Een kleine gezette vrouw van middelbare leeftijd
opende de deur. Het viel me meteen op dat haar pantoffels elk van een verschillende soort
waren en dat ze vergeten was haar vals gebit in te steken (àls ze al een vals gebit
heeft). De open holte in haar gezicht sprak mij toe: 'Wa mot ge? Is 't van de getuigen van
de Jehova?'
Mijn speeksel doorslikkend antwoordde ik snel: 'Neenee mevrouw, 't is voor uw zoon. Ik had
deze middag gebeld...'. Het gevaarte draaide zich om en wenkte me haar te volgen.
Halverwege de woonruimte begon ze plots de voornaam van haar zoon te roepen.
Een besnorde man kwam de trap af. Hij was pas vooraan in de twintig, groot en mager. Ik
kon aan zijn hoofd zien dat hij al kalend was, het was mogelijk zijn schedel te ontwaren
onder zijn korte, zwarte haren. Dit was Hem dus, God in hoogsteigen persoon! Hij leek
absoluut niet op wat ik verwachtte, maar wie ben ik om te oordelen?
Onzeker over wat ik moest doen, knielde ik voor hem, en boog mijn hoofd, wachtend op een
verlossend woord, of het bevel om op te staan.
'Hey, zij'de een contactlens kwijt, makker?' vroeg hij lachend.
Zijn menselijkheid en humor stelden me ietwat gerust en ik verzamelde genoeg moed om recht
te staan en hem aan te kijken. Hijzelf stond daar ondertussen diep geconcentreerd naar het
tapijt te turen, waarschijnlijk in een poging mij gerust te stellen. Ik probeerde snel
passende woorden te zoeken om mijn geluk uit te drukken dat Hij mij, een nederig dienaar,
toegelaten had Hem te ontmoeten. Mijn vocabularium schoot tekort en tenslotte kon ik
slechts 'Bedankt om mij te ontvangen, ik ben diep vereerd' uitbrengen.
'Da's geen probleem, vent. Voor welk magazine schrijft ge? TV-Story, Dag Allemaal?' Hij
keek me vol verwachting aan.
'O nee, ik ben hier voor mezelf, uit eigen interesse...', antwoordde ik fier. Een grimas
van teleurstelling tekende zich af op Zijn gezicht en snel haakte ik hierop in: '...maar
ik ben natuurlijk wel van plan om Uw Werk op alle mogelijke manieren bekend te maken en
onze ontmoeting in detail te beschrijven.' Een brede grijns verscheen nu.
'Ah, da's ook goe. Wat mot ge hebben? Ne Jupiler of hebde liever ne Palm?'
Met mijn hoofd schuddend maakte ik Hem duidelijk dat ik niets hoefde, waarna Hij zichzelf
een flesje Jupiler uit de bak nam en het met behulp van een schroevendraaier ontkurkte. Na
een paar slokken gedronken te hebben, sprak Hij me opnieuw toe:
'Allée, we zullen dan maar naar boven gaan zekers? 't Staat op onze zolder.'
Ik hoorde Zijn woorden, maar begreep ze niet. Wàt staat op de zolder? Beschaamd om mijn
gebrek aan kennis tegenover Zijn alwetendheid besloot ik toch maar om hem te vragen wat
zich op de zolder bevond. 'Awel, mijn werk', antwoordde Hij geïrriteerd, alsof Hij
verwachtte dat ik dat wel wist. Toen begreep ik het: Gods Werk is overal, en dus ook op
Zijn zolder. Met een gevoel van hoger bewustzijn, ja, zelfs van spiritualiteit, betreedde
ik ook de trap die ons naar boven leidde. Ik begreep nu dat Hij wel voor mij zou beslissen
op welke manier Hij zijn Werk aan mij zou openbaren, opdat mijn onderontwikkelde geest
zijn Boodschap zou begrijpen.
Na twee stoffige trappen beklommen te hebben, bevonden wij ons onder het luik dat toegang
verschaft tot de zolder. Ik hoorde een vaag gezoem boven mijn hoofd, maar kon het geluid
niet thuisbrengen. Met een stok opende Hij het luik en een trap gleed naar beneden. Het
gezoem werd sterker naarmate ik ook deze laatste trap omhoogklauterde.
Boven openden mijn ogen zich in opperste verbazing: voor mij lag een miniatuurstad omringd
met velden, heuvels, boerderijen, et cetera. Maar wat mij nog het meest verbaasde, was dat
het geheel doorkruist werd met spoorlijnen waarover elektrische treintjes reden. Een enorm
aantal elektrische treintjes, het leek wel alsof het geheel slechts gebouwd was ter
ondersteuning van de treintjes die kriskras door het minilandschap reden.
God, die ondertussen ook de trap omhooggekomen was, stond nu achter mij te glimlachen.
Zijn ogen fonkelden, hij leek heel fier te zijn op deze constructie en leek te wachten tot
ik hem hiervoor zou loven. Het ontging mij echter volkomen wat Hij mij probeerde duidelijk
te maken met dit treintjesgedoe en ik raakte niet verder dan een neutraal 'Mooi, heel
mooi...'. Ik zag zijn gezichtsuitdrukking veranderen van teleurstelling naar boosheid, en
zonder een woord te zeggen, beende Hij naar een hoek van de zolder waar het schakelbord
van de treintjes opgesteld stond. Nog steeds gehuld in stilte begon Hij aan een paar
knoppen te draaien, waardoor ergens in het landschap een paar treintjes sneller begonnen
te rijden.
Ik begon me heel ongemakkelijk te voelen bij het idee dat ik God teleurgesteld had met
mijn gebrek aan inzicht en verstand. Toch kon ik op geen enkele manier bevroeden wat die
elektrische treintjes te maken hadden met zijn Werk. Nu keek Hij me met een boze blik aan
vanachter zijn bedieningspaneel. Ik vreesde werkelijk dat een bliksemschicht door het dak
zou komen en mij ter plekke verkolen. Toch besloot ik mijn moed samen te rapen en Hem een
paar vragen te stellen over zijn Werk, misschien zou ik dan sneller het licht in de
duisternis zien waarin ik me dan bevond.
'Wat boeit U zo aan die treintjes, Heer?' vroeg ik hem bevend.
'Awel, da's toch leutig, al die treintjes te zien die door een landschap rijden da kik
gemaakt heb. En ze volgen railkes die ik gelegd heb. 'T is toch schoon om naar te kijken?
Ge moet trouwens niet 'mijnheren' zenne, mijne voornaam is goe genoeg.' Zijn gezicht
klaarde op, de donderwolk was voorbij.
Ik dacht heel eventjes na, en in een hoek van mijn brein begon de vergelijking zich te
vormen. Natuurlijk, hoe kon ik zo blind geweest zijn! Gefascineerd begon ik de treintjes
te volgen, terwijl God ze sneller en trager deed rijden vanaf zijn bedieningspaneel. Op
een afzonderlijk schakelbord bediende Hij de spoorwissels die de treintjes al dan niet een
bepaalde richting uitstuurden. Kundig zorgde Hij ervoor dat geen twee treintjes op
hetzelfde spoor terechtkwamen en botsten.
Nog altijd in de ban van het geratel van de treintjes over hun sporen, vroeg ik Hem
afwezig: 'Verveelt dit U nooit, altijd maar diezelfde treintjes op dezelfde sporen in
hetzelfde landschap?'.
'A ba nee gij, als ik een beetje actie wil, doe ik da zo!' waarna hij fervent aan een paar
knoppen begon te draaien en een paar schakelaars verzette. In het geheel van treintjes
merkte ik er twee op die ongeveer tegelijkertijd sneller in elkaars richting begonnen te
sporen. Ik begreep onmiddellijk wat er ging gebeuren en ik mompelde 'O God, nee'. Maar God
zat achter zijn paneel afwisselend treingeluidjes te maken: 'tûût, tûût', en
stemmetjes na te doen 'Amaai, we zitten hier op het verkeerde spoor', 'Waar is den
machinist', 'Help help, we gaan om zeep!'. Met een scherpe 'Bing!' reden de treintjes op
elkaar in en ze ontspoorden. God lachte zelfvoldaan en keek me geamuseerd aan, alsof hij
een applausje verwachtte. Ik wist niet meer wat ik moest denken: de wreedheid ervan
oversteeg me en woede begon in me op te borrelen.
'Awel jong, ge vindt het precies nie zo leutig... is 't er iets? Moet ge kakken of zo, ge
ziet er zo rood uit?' vroeg hij, nog altijd lachend.
'Is het zò dat U mensenlevens bestuurt? Ze zomaar kapotmaken als U het past? Is dat de
grootsheid van Uw Werk?' snauwde ik hem toe. Hij begon te bulderen van het lachen. 'Wa is
't met u jong? 't Zijn wel maar treintjes zenne!' riep Hij tussen twee lachbuien.
Ik geloofde mijn oren niet. Toch moest ik de waarheid kennen: kon het zijn dat God zo
nonchalant met onze levens, ons lot, omspringt? Geduldig wachtte ik tot het lachen
verzwakte.
'Dus als ik het goed begrijp: die treintjes doen exact wat U van hen verwacht, en als
beloning laat U ze naar willekeur tegen elkaar opbotsen. Heb ik dat goed gezien?', vroeg
ik Hem met een woeste blik.
Nu plooide Hij letterlijk dubbel van het lachen, het overstemde het gezoem van het
bedieningspaneel en het geratel van de tientallen rijdende treintjes. Het vulde de gehele
zolder.
Uit het luik in de vloer dat toegang gaf tot de zolder, hoorde ik Zijn moeder vragen
'Amuseert ge ulder daar een beetje?' God kon echter niet meer antwoorden, die zat nu met
Zijn achterwerk op de blote vloer, aan het schokken van het lachen.
Na verloop van ettelijke minuten begon Hij uiteindelijk uit zijn lachbui te komen en Hij
stond moeizaam weer recht. Hij moet aan mijn gezicht gezien hebben dat ik nog werkelijk
verontwaardigd was en begon zelf ook ernstiger te kijken. Uiteindelijk zei Hij: 'Mô vent
toch, 't mankeert toch iets serieus aan u zulle!'
Nu begon ik echt de controle over mezelf te verliezen. Toch kon ik nog altijd niet geloven
dat Hij zo lichtzinnig met zijn eigen Werk omging. Er moest iéts zijn dat hoop gaf in dit
geheel. Onverwijld stelde ik hem dan ook dé vraag die mij zekerheid moest geven: 'Wat
doet U met die treintjes die Uzelve tegen elkaar gejaagd hebt en die hierdoor kapot gaan?
Herstelt u die om ze terug op het spoor te zetten of zet u ze in een vitrinekast of
zoiets?' Elk woord vergde een enorme inspanning om uit te spreken zonder dat mijn gelaat
of mijn toon mijn onderhuidse razernij verraadde.
Opnieuw verscheen een brede grijns op Zijn gelaat: 'Ba nee gij, de vuilbak binnen, da doe
'k ermee!' Waarna hij opnieuw begon te lachen.Met gebalde vuisten en buiten mijn zinnen
van woede stapte ik op God af en verkocht Hem een dreun tegen zijn bakkes, waarna ik mijn
voet in Zijn kloten boorde. Gillend van de pijn viel hij op zijn knieën. Huilend riep hij
me toe: 'Zijde gij gans zot geworden, het zijn maar treintjes, man! Het zijn maar domme
treintjes, fuckface!' Speeksel droop uit Zijn mond, snot kleefde in Zijn snor, het was
duidelijk niet Zijn beste moment.
Snel draaide ik me om en liep naar het luik. Ik strompelde de trappen naar beneden terwijl
ik Hem nog hoorde snikken boven. Uit een aangrenzende kamer hoorde ik de zware stem van
Zijn moeder nog roepen: 'Ewel, is 't daar leutig?' Zonder er verder acht op te slaan liep
ik snel naar de uitgang, en knalde de deur achter mij toe.
Nu zit ik hier, na een dolle rit uit Sint-Amandsberg, mijn bestaan te overpeinzen en mijn
avontuur neer te pennen. Misschien moet ik best maar eens gaan liggen, voor onbepaalde
tijd.
|
|