


|
 |
Dood aan de koningin!
Vincent Leguerre
(een modern sprookje)
Hij was haar vaak genoeg tegengekomen, in het bos. Als hijzelf onderweg was naar de stad,
en zij naar dat paleis, in die grote limousine van haar, met vier motoragenten eromheen.
Hij groette haar nog even trouw als altijd, al meende hij het niet echt meer. En dat ze
terug zou zwaaien, ach, dat verwachtte hij allang niet meer.
Op een dag als vandaag, als de mensen met duizenden langs de kant stonden, dan
zwaaide ze natuurlijk wel terug, dan zwaaide die tuttebel alsof haar leven ervan afhing.
Maar als dat volk ineenkromp tot één man, Frans van Buiten, dan deed ze alsof ze hem
niet zag staan langs de kant van de weg. Nou, daar zou ze nog spijt van krijgen.
Toen hij nog op kantoor werkte, stond hij ook altijd plichtsgetrouw langs de route,
elk jaar opnieuw. Vaak met een vlaggetje in de hand, vaderlandslievend als hij was. Op
kantoor maakten ze er altijd grapjes over. Als hij daar stond te wachten en al die
uniformen voorbij zag paraderen, de borsten vol metaal, ergerde het hem dat hij nooit die
erkenning had gekregen, steeds meer naarmate hij ouder was geworden. Maar ja, hij had in
zijn eentje gewerkt, om redenen van veiligheid, en de getuigen van zijn verzetsdaden - dat
waren alleen die moffen zélf geweest - konden het niet meer navertellen. Hij begreep het
ook wel.
Drie had hij er neergeknald, vanuit een kastanjeboom, niet ver van het tehuis waar
hij nu zijn laatste dagen sleet. Die boom stond er niet meer. Het geweer was een erfstuk
van zijn grootvader, een zware Kreuzwalder met verkorte loop. Voor de oorlog was hij vaak
met zijn grootvader wezen jagen, op patrijzen, die kon je makkelijk uit de lucht schieten.
Als stoere knaap die voor de duvel niet bang was, had hij het geweer tijdens de oorlog
verborgen gehouden voor de moffen. De eerste was op de fiets; hij had hem in de onderbuik
geraakt. Het was een jongen, nog geen achttien, en hij smeekte om genade. Om kogels te
sparen had hij hem met de kolf van het geweer de schedel ingeslagen. Niet dat hij er trots
op was, och nee. In Indië had hij er wel meer omgelegd, te veel zelfs volgens de hoge
heren in Holland. Nou, het zou wat. Het was oorlog, dan moest je wel.
Van de directeur mocht hij de Kreuzwalder eerst niet op zijn kamer houden. Dat was
gevaarlijk, zei hij, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor anderen. Hij had er flink
voor moeten jammeren en pas toen zijn hele inboedel drie keer op patronen was doorzocht,
waren de heren akkoord gegaan. Het was toch antiek, zeiden ze. Ha! Antiek! Dat was hij
zelf ook. Nee, het was een tehuis van niks. Villa Ochtendgloren stond er in grote
lichtgevende letters op het dak. Wie dat heeft bedacht, is niet helemaal goed bij zijn
kanarie. Villa! Een betonnen flat was het, aan de rand van het bos, naast het paleis van
die rare meid die zichzelf koningin noemde. Ha! Koningin noemde ze zich, nou zijn koningin
was ze niet! Hij, Frans van Buiten, erkende haar gezag niet meer!
Oh, hij had haar vaak genoeg zien rijden, in die limousine van haar, van Duitse
makelij notabene! Ach, ze was zelf toch ook een Duitse, zoals die hele maffe familie. En
laatst in de krant - die had hij van mevrouw, pardon barones Huyskens gebietst (die wist
toch nooit welke dag het was) - had hij weer gelezen over die blonde sloerie uit
Zuid-Amerika, die de nieuwe koningin zou worden. Een blondine uit Zuid-Amerika! Nou, dan
wist je wel waar het spul vandaan kwam. Nee, dit land ging naar de verdoemenis, het leek
wel of iedereen zijn verstand had verloren. Alsof die oorlog voor niets was geweest.
Maar Frans van Buiten was er ook nog, ook al hadden ze hem weggestopt in de bossen
- aan de rand weliswaar, uitkijkend over groene weilanden met wat slome koeien erop, maar
toch: weggestopt in het bos, alsof hij een gek was, net als zijn buurvrouw, die
omhooggevallen troelala in dat paleis! Verstopt in de bossen, achter tralies, net als de
gekken! Ha!
Op pad, op pad! Hij moest er niet te vroeg aankomen, maar zeker niet te
laat. Uit zijn raam zag hij de zon uitbundig schijnen, over de weilanden hing nog een dun
laagje mist. De herfst was laat voor de tijd van het jaar. Hij had stilletjes gebeden voor
kou en regen, zodat er minder mensen langs de route zouden staan. God was hem vergeten
zeker. Maar ja, hij was de Here God ook wel eens vergeten, dus dat moest hij Hem maar
vergeven. Voor deze keer.
Met moeite hees hij zich van zijn bed in de rolstoel. Dat kon hij nog best, zijn
armen waren nog sterk. Pezig was hij altijd al geweest - dun maar pezig. Staan kon hij ook
nog wel, als het moest. Maar hij kreeg er altijd zo'n steek van in zijn rug, alsof iemand
er een spijker in sloeg. Hij ging goed zitten en stuurde de rolstoel naar de muur, waar
hij zich strekte om de vitrinekast te openen. Nu moest hij even op zijn benen gaan staan
om het geweer eruit te tillen. Hij stond. Strekte. En had het. Hijgend liet hij zich weer
in de stoel vallen. De pijn werd steeds erger, daar hielpen geen pillen meer aan.
Tevreden staarde hij naar het koude staal in zijn gevlekte handen, en controleerde
alles nog één keer. Het mechaniek werkte nog prima, dat had hem nooit in de steek
gelaten. Niet zoals zijn eigen mechaniek daarbeneden, dat was al jaren geleden
doorgeroest. Ach wat, hij had het toch niet meer nodig. Met het sleuteltje, dat hij altijd
aan een touwtje om zijn nek droeg, opende hij de la van het dressoir. Voorzichtig tilde
hij het verweerde medaillon eruit en opende de sluiting, waarna het zilveren klepje
openklapte. Met duim en wijsvinger haalde hij de kogel erui, en bracht hem met trillende
hand bij zijn oude ogen. De allerlaatste...
Vanuit het bruine ovalen portretje staarde zijn moeder hem kalm en waardig aan. Hij
kende de foto goed. Het was dezelfde als die boven zijn bed hing, en in het kleine
kamertje, naast de Here Jezus.
De laatste, moeder.' fluisterde hij schor, 'Deze is voor haar...
Zijn moeder, hij miste haar. Ze was een mooie vrouw geweest. Sterk ook: ze kon flinke
tikken uitdelen, en iedereen in de buurt was bang voor haar. Op Dolle Dinsdag had ze het
buurmeisje ervan langs gegeven, omdat ze een moffenhoer zou zijn. Een week later hadden ze
haar gevonden in een sloot, drie kogels in de rug, het gezicht paars en opgezwollen. Toen
was er niemand meer. Maar hij redde zich prima, hoor. Oh ja, hij kon heel goed voor
zichzelf zorgen.
Dolle dinsdag... Ha! Nou, dat zou het vandaag ook worden! Hij klikte het geweer
open en stopte het patroon erin. Zo, in een V-vorm gevouwen, legde hij het op schoot, de
koude loop op de linkerknie en de houten kolf op de rechter. De punt drukte tegen zijn
buik. Nu de plaid erover, en geen mens die het zou zien. Het medaillon met de foto van
zijn moeder hing hij om zijn nek. Dat bracht geluk.
Voor de laatste keer staarde Frans van Buiten uit zijn raam. Iets vergeten? Soms
werd het ineens mistig in zijn hoofd, dan zweefde alles door elkaar, bleven de dingen
hangen in de lucht, daar ergens aan de takken tussen de bomen... Nou ja. Eerst maar even
een stukje lopen, de boel een beetje aanzwengelen in de bovenkamer. Vroeger mocht hij dat
ook graag doen: hele stukken wandelen in de natuur, vogeltjes kijken met zijn verrekijker.
Hij had er een boek van, daar stonden alle vogels van Nederland en België in. Er waren
hele mooie bij, maar die zag je nooit in het echt. Ja, in de dierentuin. Sinds hij in zijn
rolstoel zat, kon dat niet meer. Soms strooide hij nog wel wat broodkruimeltjes bij de
vijver, voor de eenden - domme beesten. Kwaak, kwaak, kwaak! - de hele dag door.
Op pad! Hij mocht niet te laat komen! Vlug nog maar een pilletje nemen dan, dat was goed
voor de helderheid. Hij pakte het glas water van zijn nachtkastje, nam een pil uit het
plastic zakje en legde ze op zijn tong. Met twee handen zette hij het glas aan zijn
lippen. Zijn gebit! Goede grutten, dat was hij toch bijna vergeten. Hij deed het
kunstgebit snel in en slikte toen met een vers glas water het pilletje door. Voor de
spiegel haalde hij nog even snel een kam door zijn haar. Hij zou misschien wel op de
televisie komen vandaag.
Vorig jaar was hij het ook al van plan geweest, maar toen was hij zijn geweer
vergeten mee te nemen. Hij was toen vaak erg in de war. Dan zat hij rustig naar de
televisie te kijken - naar de berichten, of naar een stom spelletje - en opeens dwaalde
hij door een donker bos of werd hij schreeuwend wakker op een koude gang. Met die nieuwe
pilletjes ging het veel beter. Hij nam er meer dan mocht, wel drie keer zoveel. Hij werd
er zo lekker warm van, en vrolijk. Die snoepjes kon je bij Freddie kopen. Freddie was de
conciërge, een geschikte vent. Maar mondje dicht hè, de leiding mag er niet van weten!
Ha! Die lui wisten toch van niets! De grollen die ze uithaalden met de jonkies, nou, dat
was ook niet mis. En stiekem kaartten ze om geld, om honderden guldens ging het soms. En
dan de weduwe Gielestein-Arends! Iedereen wist toch wat ze deed, het hele huis wist ervan.
Soms stonden ze in de rij voor haar deur, met de poen in de hand. Hij had het zelf gezien
toen hij een keer was verdwaald. Het was donker op de gang, maar hij had duidelijk
Landzaat zien staan, met zijn stomme apensmoel, en nog iemand, Diercksens zeker.
Oh, hij had die Gielestein-Arends ook wel naar hem zien loeren, onder het eten of
bij het kaartspel, de enkele keer dat hij aan die ongein meedeed (hij begreep de regels
van al die stomme spelletjes niet eens) maar dan was ze bij hem aan het verkeerde adres.
Ze had wel een knap smoeltje, daar niet van, maar vrouwen willen je enkel voor je geld. En
zo is het. Niet dat hij niet wist hoe die dingen gingen, daar hoefde je hem niets over te
vertellen. Vroeger ook, als ze op kantoor gingen vergaderen, op vrijdagmiddag. Ha!
Vergaderen! Ja, met de dametjes van plezier! Meestal durfden die jongens zelf niet eens en
dan duwden ze hem naar binnen. Maar die dames waren altijd erg vriendelijk tegen hem
geweest. Nee, hij wist heus wel hoe die dingen gingen, maar daarvoor was hij nu toch te
oud. Freddie had daar ook wel pilletjes voor, zei hij. Nou, die gebruikte hij dan maar
mooi zelf.
En dan nu: op pad! Frans van Buiten wrong zich in zijn jas, legde de Schots geruite deken
weer recht en stuurde de rolstoel naar de deur. Onder het houten beeldje van de
gekruisigde Jezus keek hij nog een laatste keer om. 'Dag Parkietje! Fluit eens naar
het baasje!' De parkiet keek verdwaasd om zich heen, en stootte een schril hoog
piepje uit. Dag here Jezus. De Heer zou hem kracht geven vandaag, dat had Hij beloofd.
Zachtjes sloot hij de deur achter zich, en zoemde de gang op, naar de liften.
Dingdong.
De lift stonk weer naar pis. Dat zou die gek van een Nieuwenhuis wel weer geweest
zijn, die was niet meer zo zuiver op de koffie. Ha!
Dingdong.
Zo, Heer Van Buiten...! Aan de rol?
Landzaat, met zijn apensmoel. Hij stond weer met de directeur te smoezen.
Ach, hij gaat weer naar zijn vriendinnetje kijken! Haha! Vat geen kou hoor
Tabbee en de groeten, makker.
Buiten, de wind in zijn dunne haar. Spierwit was hij nu. Soms schrok hij van
zichzelf in de spiegel. Vroeger had hij een flinke bos gehad, gitzwart. Maar hij mocht er
nog steeds best wezen. Dat wist hij best.
Hij draaide de Oude Wassenaarseweg op, de bemoste klinkerweg die door het bos liep.
Er reden hier haast geen auto's meer, sinds er naast het bos een brede asfaltweg was
aangelegd. Hier was hij haar vaak tegengekomen, als hij op weg naar de stad was, of op de
weg terug. Nooit had ze terug gezwaaid, geen enkele keer. Als hij bij het hek stond te
wachten ook niet. Ja, als er een heleboel volk bij was, dan zwaaide ze wel terug, als de
televisie erbij was, dan zwaaide ze natuurlijk wel terug. Dan wel.
Zonder opzij te kijken, snelde hij langs de oprit van het paleis. Ze hadden zijn
foto. Toen hij zijn wagentje nog maar net had, stond hij daar voor het hek, een beetje
kletsen met de bewakers. Aardige jongens. Toen kwam ze ineens de oprit oprijden, in die
grote zwarte limousine van haar. En toeteren dat hij aan de kant moest. Per ongeluk expres
had hij toen op het verkeerde knopje gedrukt, en was in volle vaart tegen de auto
opgeknald. 'Dag, troelala!' had hij nog geroepen, maar ze deed weer net of ze hem
niet zag. Zijn benen zaten onder de blauwe plekken. Toen hadden ze foto's moeten maken en
hij mocht nooit meer bij het hek komen. Pff... Alsof hij dat wou.
Soms reed hij nog wel een stukkie door het bos, maar alleen bij droog weer. Vorig
jaar was hij in de modder blijven steken. De wielen hadden zich ingegraven, en toen was de
electriciteit doorgebrand. Het was al bijna licht toen de directeur hem had gevonden, met
twee agenten en een hond. Die hond had hem geroken. Ha! Maar goed dat hij zulke
stinkvoeten had. Hij was omgevallen en had de hele nacht in de koude modder gelegen. Het
was kantje boord, zeiden ze, maar hij was altijd een taaie geweest en met die nieuwe
pilletjes kon hij bijna alles weer.
Hij naderde nu de drukke autoweg, de eerste van de drie die hij over moest. Toen hij nog
te voet was, duurde het altijd lang voor hij de weg over durfde, maar sinds hij in zijn
karretje zat, kon hij gelijk oversteken. Die automobilisten stopten toch wel, dat waren
jonge mensen. Met een donders kabaal moesten ze soms in de remmen. Volgens de directeur
was het le-vens-ge-vaar-lijk. 'Mijnheer de directeur...' had hij gezegd, 'Op
mijn leeftijd is álles levensgevaarlijk.'
Ha! Daar had hij hem mooi tuk! Dat kwam door die pilletjes, daar werd hij slim van.
Ze kwamen in alle kleurtjes, maar ze waren wel duur. Freddie verdiende er flink aan, hoor.
Die was niet van de liefdadigheid.
Oversteken. Hop.
Ha! Daar gingen ze weer! Soms was er een botsing, dan moest hij maken dat hij wegkwam. Het
bos in. Hier was de weg afgesloten voor auto's, behalve voor die van haar. Als ze vanuit
de stad naar dat paleisje van haar reed, nam ze altijd deze weg. Dan had ze minder last
van haar onderdanen zeker.
Aan de linkerkant lag een stuk van het bos waar hij niet meer dieper in durfde te
gaan. Het lag het vol met zakdoekjes en papier en andere rommel. Soms stonden er veel
auto's geparkeerd, maar je zag er nooit iemand bij staan. Dan waren ze met zijn allen de
bosjes in, zei Freddie. Ha! Smeerlapperij! Nou, dat deden ze dan maar mooi zonder hem.
Het verzet! Pff... Wat hadden die lui nou helemaal gepresteerd? Wat papiertjes in de fik
steken. Nou, daar win je geen oorlog mee, dat weet elke militair. Nee, als elke Hollander
een mes uit de keukenla had gepakt en de straat was opgelopen om een mof neer te steken,
hadden ze die oorlog makkelijk kunnen winnen. Lafbekken waren het, de Hollanders,
ondankbare lafbekken, in Indië ook. En wie had hem ooit bedankt? En denk niet dat het
ongevaarlijk was geweest! Zijn leven had hij op het spel gezet, en waarvoor?
Die eerste Duitser was op de fiets, dat was een makkie. Maar die andere twee waren
te voet, en bewapend. De voorste had hij in de nek geraakt - het bloed spoot eruit. Het
doorladen duurde een paar seconden, dat ging niet zo snel zoals hij daar in die boom zat.
Die andere mof was op de grond gaan liggen en begon als een wilde om zich heen te
schieten. Hij had gewacht tot die ook stil lag. Aanleggen en... knal! De kogel boorde zich
in zijn achterhoofd en bleef in zijn voorhoofd steken. De rode punt stak er midden tussen
zijn ogen weer uit, net een indiaan. Die boom stond er niet meer.
De tweede weg gaf geen problemen. De lege grasvlakte van het Malieveld stak hij schuin
hobbelend over. Dan kwamen de stoplichten, en dan was hij er bijna.
Het was al een drukte van je welste in de stad. Frans van Buiten snorde
langs de mensenmassa op zoek naar een goed plekkie. Onder de bomen van het Voorhout stond
het al mutvol, drie rijen dik. Op de hoek voor Des Indes zou hij goed zicht hebben, maar
daar stond de televisie al opgesteld. Verder reed hij, in de richting van Noordeinde, dat
andere paleisje van die rare meid, waar de optocht zou beginnen. Langs de hele route
stonden militairen met hun dikke buiken vooruitgestoken. Er waren ook veel vrouwen bij,
hele kleine en hele lange. Ha! En dat was dan het Nederlandse leger! Geen wonder dat ze
alle oorlogen hadden verloren. En hij was niet goed geweest in Indië, volgens de heren
van de commissie. Ha!
Aan het einde van het Voorhout, op de kruising met de Parkstraat, was nog plek. Het
hekwerk maakte er een knik, zodat hij goed zicht zou hebben op de koets, die vanuit het
smalle steegje verderop aan zou komen rijden. Hier zou het gebeuren. Hij drong zich
langzaam een weg naar voren. Tegen zo'n elektrisch karretje valt niet op te duwen, de
mensen gaan vanzelf wel aan de kant. Na een tijdje stond hij pal vooraan, met zijn voeten
tegen het hek aan. Als het zover was, kon hij de loop van de Kreuzwalder tussen de ijzeren
spijlen omhoogbrengen...
Het wachten duurde lang. De zon was warm en het begon flink te broeien onder de
dekens. Aan de overkant was een tribune waar allemaal heren in kostuums gingen zitten, met
hun opgedirkte tuttebellen. Opeens was hij omringd door een groep Amerikanen met oranje
kroontjes op hun dikke rooie koppen. Ze vroegen de hele tijd wanneer de kwien nou kwam.
Het duurde ook wel erg lang. Rechts was een jongen komen staan in een geel shirt, die de
hele tijd zat te koekeloeren. Hij vertrouwde hem maar niks.
Oh nee! Hij had de Kreuzwalder thuis laten liggen! Voor de tweede keer!
Of, wacht... Er drukte iets op zijn bovenbenen, nu voelde hij het weer. Het lag er nog. De
kogel! Hij greep naar zijn borst, naar het medaillon, en maakte het open. Leeg.
Alleen de foto van zijn moeder. Dag moeder. Die kogel zat er dus al in, als hij er niet
uitgevallen was onderweg. Nou ja. Nog maar een pilletje nemen? Geen tijd! Hij
moest het geweer klaarmaken! Behoedzaam schoof hij zijn handen onder de deken. Ha! Net als
vroeger. De mensen zouden wel denken... De loop van de Kreuzwalder liet hij langzaam
tussen zijn benen zakken, terwijl hij de kolf naar zich toe trok. Rechtklappen. Klik.
Klaar.
De soldaten hadden niets in de gaten. De loop stak nu wel iets onder de dekens uit,
maar vanop afstand zou het een wandelstok lijken.
Gejoel. Nou, daar kwam ze aanrijden, hoor! De mensen juichten. Die stomme
Amerikanen hadden hun fototoestellen al klaar. Ha! Dat zouden leuke kiekjes worden! Net
als met die president, die filmster... Hoe heette hij? Ken-u-die...? Ja, dat was een goeie
grap vroeger.
Alle lachende gezichten keken naar rechts, waar de koets het donkere steegje uit
kwam rijden, en plots oogverblindend schitterde in het felle zonlicht. De vinger aan de
trekker... De koets kwam snel dichterbij... Langzaam omhoog brengen...
Klepperdeklepperdeklep... Zijn armen trilden en deden pijn... Het donkere glas
spiegelde... Ze zwaaide... Nu!
'Dood aan de koningin!'
KNAL!
Daarna was er heel veel geschreeuw en nog een paar luide knallen en leek de hele wereld op
hem neer te storten.
Hij was pas weer wakker geworden in het ziekenhuis, met apparaten en slangen, en
bange agenten naast zijn bed. Hij was een gevaar, zeiden ze. Ha! Stelletje slapjanussen.
Ze waren bang voor een oude man als hij!
Waar hij nu zit, mag hij ook televisie kijken. En ze hebben er alle
kranten, gratis en voor niks. Bram heeft hem verteld wat er op het nieuws was geweest.
Bram heeft ook moffen neergeschoten, vorig jaar, op een camping in Zeeland. Het is verder
wel een geschikte vent, maar hij heeft ze niet allemaal op een rijtje.
Hij was niet eens in beeld geweest, zei Bram, dat was wel jammer. De koningin had
hij net gemist - die bemoeial in dat gele shirt had hem zeker aangestoten. Maar hij had
wel een paard in de billen geschoten. Ha! In de billen! De koets was bijna omgekieperd, en
Hare Koninklijke Majesteit was er heel erg van geschrokken. Pff... Tuttebel.
De rechter wilde niet geloven dat hij in de war was geweest. Nu krijgt hij grotere
pillen, witte en gele, en soms een spuit. Die leuke snoepjes hebben ze hier niet, dat is
wel jammer. Over twaalf jaar komt hij vrij, als hij braaf is. Ha! Braaf! Nou, dat kunnen
ze mooi vergeten.
dec 2000/jan 2001
|
|