De taal van de verbanning
Ik wil het
hebben over de vrijheid van zelfbepaling, die gebaseerd is op de eenvoudige notie dat elk
en ieder lid van de maatschappij het recht heeft om te bepalen wat hij of zij is. Niemand
zou het verplaatsen
van de ene kooi naar de andere. Soms gebeurde het wel eens dat de ambtenaar van dienst
middenin het selectieproces langs achter werd gevat en ongemanierd in een van de akelige
kooien werd gegooid, waarin hij tot dan toe zelf ijverig andere mensen had gestopt. Het is niet
mijn bedoeling om me te verdiepen in een analyse van dictatoriale regimes die
discriminatie en genocide hebben vertaald in een algemeen principe van hun bewind.
Trouwens, ik heb enkel de twee extreemste vormen van collectieve discriminatie vermeld die
de dictaturen in de twintigste eeuw hebben toegepast en ik gaf alleen Europese
voorbeelden. We weten dat er heel wat niet-Europese De
overheidsinstanties staan blijkbaar hulpeloos tegenover deze zogenaamde civiele
discriminatie, en politici, die enigszins vertederend als populistisch worden bestempeld,
buiten deze discriminatie uit op een zorgeloos onbeschaamde manier. En dan is er nog het
soort discriminatie, vooral in de Oost-Europese postcommunistische staten, dat
stilzwijgend wordt toegestaan en zelfs gestimuleerd, ook al ontkennen de autoriteiten dit
officieel met klem. Onlangs vertelde een Indische schrijfster, Urwashi Butalia, over haar
eigen ervaringen. Van haar vernamen we wat er gebeurt met de bevolking wanneer de politiek
tweedracht zaait tussen twee volkeren, in dit geval de Indiërs en de Pakistanen. Ze
spreken dezelfde taal en ze delen dezelfde cultuur maar hun manier van denken, hun leven
zelf kan overhoop komen te liggen vanwege religieus fanatisme en irrationeel nationalisme.
Bijna van de ene dag op de andere kwamen deze mensen tot de vaststelling dat ze in twee
verschillende kampen waren verdeeld en dat ze plotseling niet meer wisten wat te denken
over de harde realiteit van hun eigen bestaan, hun eigen duidelijke identiteit, hun tot
dan toe ongestoorde zelfbepaling. Wij, als
Europeanen, hebben al vaker dit soort plotse, dikwijls abrupte veranderingen meegemaakt in
de voorbije eeuw, meer in oostelijk of centraal Europa dan wel in het westelijke deel van
ons continent. Dergelijke veranderingen gaan meestal gepaard met onvervangbare culturele
verliezen. Vroegere culturele centra en universiteitssteden, waar drie of vier talen
werden gesproken, zakten naar het peil van een achterlijk boerengat ergens in een
reusachtig imperium en verdwenen zo van de Europese culturele kaart. Velen denken nu
waarschijnlijk aan Czernowitz, waarvan de dichter Paul Celan afkomstig was, als een 'stad
bevolkt door mensen en boeken'. Het waren de Duitsers zelf die, als gevolg van hun streven
naar wereldoverheersing, de Duitse cultuur hebben kapotgemaakt in multinationale,
meertalige gebieden waar miljoenen mensen woonden en waarin de Duitse culturele invloed
grotendeels overheerste. Deze
schrijvers woonden meestal in een andere taalomgeving en ze schreven in het Duits. Dat
deden ze omdat het de taal was die ze thuis met hun ouders hadden gesproken. Omdat ze
joods waren, en dus ontworteld en kosmopolitisch, naar de wens van hun vijanden, dachten
en schreven ze in de dimensies van een hoofdtaal. In het Duits schrijven hield voor deze
schrijvers in dat ze intellectueel onafhankelijk konden zijn. Dit garandeerde hun vrijheid
tot zelfbepaling. Vandaag de dag is het zo dat deze vroegere, gedeeltelijk Duitse
culturele zones (en ik leg de nadruk op het woord 'gedeeltelijk') - zowat vanaf het
schiereiland aan de Krim over Bukovina tot Galicia in het noorden - de Duitse cultuur niet
langer verrijken. De enigen die verantwoordelijk zijn voor dit verlies zijn de Duitsers
zelf. Aannemen
dat politiek en cultuur elkaars vijanden zijn in plaats van louter tegengestelden is een
typisch twintigste-eeuws verschijnsel. Het is allesbehalve een natuurlijke ontwikkeling.
Een politiek die gescheiden is van de cultuur leidt tot onbegrensd despotisme door middel
van pure macht en dit kan een ware ravage aanrichten. Deze
scheiding vernietigt niet noodzakelijk levens en bezittingen, maar ze tast altijd de
menselijke ziel aan. Het vernietigingswapen heet ideologie. De twintigste eeuw, een eeuw
die berucht is voor haar rampzalig verlies aan culturele waarden, heeft die vroegere
waarden vervangen door ideologieën. Het meest
tragische gevolg van deze verandering kwam tot uiting in het feit dat het hedendaagse
gewone volk, de 'massa', die nooit toegang had tot cultuur, in plaats daarvan een
ideologie kreeg voorgeschoteld. Deze ontwikkeling heeft heel wat oorzaken. Eén ervan is
zeker het feit dat deze massa gewoon volk opdaagde op het moment dat de Europese
beschaving een van haar meest, zoniet de meest diepgaande, spirituele crisissen
doormaakte. Er waren mensen die, met behulp van subtiele technieken, ontwikkeld door het
apparaat van de politieke partijen, erop uit waren om die massa te controleren en te
gebruiken. Was het niet Thomas Mann die zei dat het volstaat om een grote massa mensen een
'Volk' te noemen om hen zover te krijgen zich ongeveer bij om het even wat aan te sluiten.
Daarvoor was geen totalitaire staatsmacht nodig. Het autoritaire bewind van een Franco,
een Dolfuss, of een Nicholas Horthy kon ook godsdienst, patriottisme en cultuur in
politiek veranderen, en de politiek zelf in een instrument van de haat. Haat en
leugens. Dat waren misschien wel de twee meest belangrijke componenten van de politieke
opvoeding die de mensen in de twintigste eeuw kregen. Denk gewoon even aan de 'Two Minutes
Hate' in George Orwell's '1984'. 'Liegen was
nog nooit zulk een machtig instrument om geschiedenis te schrijven als de voorbije 30
jaar'. Dit schreef Sándor Márai in 1972. Dat was zeker het geval in de landen in
oostelijk en centraal Europa, die na de Eerste Wereldoorlog overdreven gevoelige,
nationalistische ideeën verkondigden. Een grote centraal-Europese macht, de
Oostenrijks-Hongaarse monarchie, viel uiteen. Deze desintegratie produceerde giftige
ideeën die de nieuwe naties, die in haar plaats tot stand kwamen, hebben besmet. Aan de
universiteiten en hogescholen binnen het wreedaardig beknotte Hongarije werden
discriminerende wetten uitgevaardigd, en in 1938 werd een nog ingrijpender anti-joodse
wetgeving vastgelegd. In 1944 kreeg ik een gele ster opgespeld, en die zit er symbolisch
nog steeds. Tot vandaag ben ik er niet in geslaagd om haar te verwijderen. Ik geef toe
dat het misschien wel verbazing wekt dat ik dit nog steeds zeg, meer dan 10 jaar nadat de
laatste Europese totalitaire staat verdween, meer dan 10 jaar na de invoering van een
representatieve democratie in dit deel van Europa. Eigenlijk was het niet gemakkelijk om
de waarheid onder ogen te zien, en het was nog moeilijker om er mij bij neer te leggen.
Zulke pijnlijke gemoedstoestand leidt blijkbaar automatisch tot haar eigen pathologie
zonder dat we er ons volledig bewust van zijn. Je krijgt bijvoorbeeld het gevoel dat de
wereld waarin je leeft ontastbaar en spookachtig is, ook al ben jij het die onwerkelijk en
spookachtig bent geworden. Ofwel gebeurt het omgekeerde: je ervaart jezelf als
vreemdeling, ook al heb je niets anders gedaan dan je vermengen met een vervreemdende
omgeving. Mijn vrouw is Amerikaanse en ze heeft dus geen last van deze Oost-Europese
aandoeningen. Ze heeft gemerkt dat ik, wanneer we in het buitenland zijn, een volledige
persoonlijkheidsverandering onderga. In vreemde landen voel ik me thuis terwijl ik me
thuis gedraag als een vreemdeling. In mijn
dagelijks leven moet ik voortdurend reageren op storende stimuli die vanuit de wereld
rondom mij op me afkomen. Het lijken wel lichte elektrische schokjes die je huid
prikkelen. Metaforisch ben ik me voortdurend aan het krabben. We kennen allemaal de
beroemde uitspraak van Montesquieu: 'Op de eerste plaats ben ik een mens, en daarna een
Fransman.' De racist - want het antisemitisme is sedert Auschwitz geen louter
antisemitisme meer - wil dat ik op de eerste plaats een jood ben en dat ik daarna geen
mens meer ben. In onze
verwarring zoeken we onzeker naar argumenten om ons te verdedigen en we ontdekken dat we
over onszelf praten en denken op een uiterst primitieve manier. Geen wonder! Datgene
waartegen we moeten opboksen is op de eerste plaats primitief. Als we in een dierenkooi
worden gestopt, moeten we vechten als dieren. De manier van denken waartegen we
protesteren zet er ons toe aan om onszelf te bekijken vanuit een nederig standpunt. Na een
tijdje bekijken we niet langer ons eigen ik maar iemand anders. Kort gezegd: dit proces
vertekent onze persoonlijkheid. Ook de ultieme en pijnlijkste zelfverdediging van een
dergelijk vertekende persoonlijkheid kennen we maar al te goed. Het ongelukkige
slachtoffer dat met onmenselijke ideologieën wordt geconfronteerd gaat vastbesloten zijn
eigen menselijkheid bewijzen. Dat soort inspanningen heeft iets zieligs, want de ideologen
zijn er net op uit om hem zijn menselijkheid te ontnemen. Maar eenmaal hij racistische
categorieën aanvaardt, wordt hij een jood. Hoe meer hij probeert te bewijzen dat hij
menselijk is, hoe zieliger en hoe minder menselijk hij wordt. In een racistische omgeving
kan een jood niet menselijk zijn, maar hij kan ook geen jood zijn. Want het begrip 'jood'
is enkel en alleen in de ogen van de antisemieten een ondubbelzinnige benaming. Edmond
Jabčs, een Franse schrijver, heeft ooit gezegd dat de moeilijkheden van het joodse
bestaan net dezelfde zijn als die waarmee een schrijver te kampen heeft. Niemand heeft
ooit mijn situatie duidelijker beschreven. Toch zie ik een belangrijk verschil. Toen ik
besloot schrijver te worden, deed ik dat bewust, maar als jood werd ik geboren. Om de
schrijver in mij en de jood in mij te laten samenvallen en één enkel attribuut te
vormen, moet ik mijn joods-zijn bekijken zoals de geplande uitvoering van een literair
werk, namelijk als een taak die ik moet voltooien, als een beslissing ten gunste van een
volwaardig bestaan of van totale zelfverloochening. Als ik kies voor een volwaardig
bestaan, draait alles meteen in mijn voordeel uit. Uiteindelijk is het feit dat ik een
jood ben het resultaat van een beslissing. Eenmaal ik deze beslissing heb genomen, zal ik
niet alleen gespaard blijven van een zogenaamde identiteitscrisis, maar mijn gehele
bestaan zal ook in een scherper daglicht komen te staan. Nochtans moet ik de confrontatie
aangaan met enkele vragen die de bijzondere aard van mijn joods-zijn oproept. Twee of
drie decennia geleden zou ik de vraag voor wie ik schrijf als een irrelevante pseudo-vraag
beschouwd hebben. Ik schrijf natuurlijk voor mezelf, zou ik geantwoord hebben. Eigenlijk
vind ik dat nog steeds. Maar vandaag de dag ben ik meer geneigd om toe te geven dat ook
andere mensen, de wereld rondom mij, de onderlinge relaties die we maatschappij noemen,
een rol spelen in het creëren van de entiteit die 'mezelf' wordt genoemd. Vandaar dat ik,
tenminste gedeeltelijk, een gevangene ben van mijn omstandigheden. Dit heeft ongetwijfeld
een stempel gedrukt op alles wat ik geschreven heb. Als ik zeg
dat ik een joods schrijver ben, bedoel ik daarmee niet noodzakelijk dat ik zelf joods ben.
Immers, van welke jood is er hier sprake als het gaat om iemand die geen godsdienstige
opvoeding heeft gehad, die geen Hebreeuws spreekt, die niet vertrouwd is met de
elementaire teksten van de joodse cultuur en die niet in Israël maar in Europa woont? Wat
ik echter wel kan zeggen over mezelf komt erop neer dat ik een kroniekschrijver ben van
een anachronistische status, namelijk die van een geassimileerde jood, de drager en
rapporteur van deze status en de voorbode van zijn onafwendbaar einde. In die zin speelt
de Endlösung een cruciale rol: iemand met een joodse identiteit die in eerste instantie,
misschien uitsluitend, gebaseerd is op Auschwitz kan je moeilijk een jood noemen. Het gaat om
de 'niet-joodse jood' van Isaac Deutscher, de ontwortelde Europese variëteit, die geen
normale relatie kan ontwikkelen met de joodse status die hem is opgedrongen. Hij moet een
rol spelen, misschien wel een belangrijke, in de Europese cultuur (als er nog zoiets
bestaat), maar hij mag allesbehalve deel uitmaken van de joodse geschiedenis na Auschwitz
of van de joodse revival (als er zoiets bestaat of zal bestaan). De
schrijver van de holocaust bevindt zich daarom in een moeilijke positie. In een vroeger
essay met de titel 'Aszám zött nyelv' (de verbannen taal) heb ik getracht de gedachte te
ontwikkelen dat de holocaust geen eigen taal heeft of kan hebben. De Europese overlevende
moet zijn beproeving beschrijven in een van de Europese talen, maar die taal is niet die
van hemzelf, noch is het de taal van het land dat hij heeft gebruikt om zijn verhaal aan
te vertellen. 'Ik gebruik een geleende taal om mijn boeken te schrijven, die op een
tamelijk natuurlijke manier deze taal zullen verbannen, of deze enkel zullen gedogen aan
de rand van haar bewustzijn', schreef ik in dat essay. Ik gebruik het woord 'natuurlijk'
omdat het land, waarvan ik de taal gebruik, mythen heeft ontwikkeld tijdens zijn
eeuwenlange strijd om nationaal te kunnen overleven en deze mythen, als een deel van een
onuitgesproken nationale consensus, hebben ook een invloed gehad op de literatuur van dat
land. Ik schrijf
graag in het Hongaars omdat ik me op die manier veel scherper bewust ben van de
onmogelijkheid om te schrijven. In een brief aan Max Brod, waarin hij zijn overwegingen
weergeeft over de situatie van de joodse schrijver, spreekt Kafka van drie
onmogelijkheden: het is onmogelijk om niet te schrijven, onmogelijk om niet in het Duits
te schrijven en onmogelijk om op eender welke andere manier te schrijven. En verder zegt
hij: 'We kunnen er bijna een vierde onmogelijkheid aan toevoegen: het is onmogelijk om te
schrijven.' In deze tijd zou hij misschien nog iets anders aan de lijst toevoegen: het is
onmogelijk om over de holocaust te schrijven. En zo zouden we die paradoxale
onmogelijkheden ad infinitum kunnen blijven opsommen . We kunnen stellen dat het
onmogelijk is om niet over de holocaust te schrijven, onmogelijk om erover te schrijven in
het Duits, en net zo onmogelijk om er op eender welke andere manier over te schrijven. Om het even
waar of in welke taal de schrijver van de holocaust ook schrijft, hij is een spirituele
vluchteling die spiritueel asiel aanvraagt, steevast in een vreemde taal. Als het waar is
dat de enige filosofische kwestie de vraag over zelfmoord is, dan kent de schrijver van de
holocaust die ervoor kiest verder te leven maar één probleem, namelijk dat van de
emigratie, alhoewel het gepaster zou zijn om te spreken van verbanning. Verbannen uit zijn
echte thuis die nooit heeft bestaan. Immers, als die wel had bestaan, dan zou het niet
onmogelijk zijn om over de holocaust te schrijven. Dan zou de holocaust een taal hebben,
en de schrijver van de holocaust zou zich kunnen integreren in een bestaande cultuur. Maar dit
zal nooit mogen zijn. Elke taal, elke natie, elke beschaving heeft een dominant Ik dat de
wereld waarneemt, regelt en beschrijft. Het is dit voortdurend actieve, collectieve Ik dat
de essentie uitmaakt waarmee om het even welke gemeenschap, natie, volk of cultuur zich
kan identificeren tot op verscheidene niveaus van succes. Maar waar kan het bewustzijn van
de holocaust een thuis vinden? Welke taal kan beweren dat ze de essentie, het dominante
Ik, de taal van de holocaust in zich draagt? En als het antwoord op die vraag positief is,
zou die taal dan niet zo schrikwekkend en zo luguber zijn dat ze diegenen die haar spreken
zou vernietigen? Misschien
is het tenminste gepast dat de banneling van de holocaust zijn verbanning aanvaardt en dat
hij er zo nu en dan verslag kan over uitbrengen. Dit is vooral het geval in oostelijk en
centraal Europa. Als gevolg van twee wereldoorlogen en van de holocaust in het bijzonder
verdween het Duits er als inter- en supranationale taal, ooit gesproken van Bukovina tot
Krakau, van Praag tot Fiume. Het was de taal waarin schrijvers, die geen plaats konden of
wilden vinden in de nationale literatuur, hun vrijheid van uitdrukking vonden. Deze
nationale vormen van de literatuur lijken weinig bereid om de louterende lessen van de
holocaust in zich op te nemen, terwijl de ervaring zelf ook deel uitmaakt van hun
collectief bewustzijn, zelfs al gebeurt dit op een andere manier. Los van de publieke
figuren die openlijk het racisme omarmen zou het echter schadelijk zijn iemand hiervan de
schuld te geven, en nog veel schadelijker van te spreken over het antisemitisme 'dat met
de moedermelk is meegekregen'. Antisemitisme dat is overgeërfd is een lastige erfenis,
maar genetisch kan je het in geen geval noemen. De oorzaken ervan zijn uitsluitend van
historische en psychologische aard. Deze naties hebben zware verwondingen opgelopen aan
hun nationale waardigheid en ze vechten al jaren voor hun feitelijk bestaan als natie. Op
een karakteristieke maar geenszins originele manier hebben ze helaas ontdekt dat het
antisemitisme een handig wapen is in deze strijd. Oscar Wilde
zat, in de nog onschuldige negentiende eeuw, in de gevangenis omdat hij zijn vrijheid van
zelfbepaling al te liberaal had geďnterpreteerd. In een van zijn essays schreef hij:
''Ken jezelf!' stond te lezen boven de portalen van de antieke wereld. Boven de portalen
van de nieuwe wereld moet er 'Wees jezelf!' geschreven staan.' Onze
ervaringen, onze eigen ogen vertellen ons dagelijks dat het de 'nieuwe wereld' is die dit
van langs om meer onmogelijk maakt. Toch kunnen we minstens nastreven wat Nietzsche
beoogde in een volledig hoofdstuk van zijn fantastisch boek 'Ecce Homo', namelijk dat we
worden wat we zijn, dat we onze lotsbestemming volgen en dat we er de juiste conclusies
uit trekken, hoe bitter die ook mogen zijn. Misschien leidt de weg naar de vrijheid van
zelfbepaling nergens naartoe. Het is moeilijk voor een schrijver, die een bepaalde taal
(die waarin hij schrijft) voortdurend als geprivilegieerd aanvoelt, om toe te geven dat,
wat hem betreft, een bepaalde taal gelijk is aan een andere, en dat geen enkele ervan
werkelijk de zijne is. In feite
behoor ik tot die joodse literatuur die in oostelijk en centraal Europa is ontstaan. Deze
literatuur werd nooit geschreven in de taal van de onmiddellijk nationale omgeving en ze
maakte nooit deel uit van een nationale literatuur. We kunnen de ontwikkeling van deze
literatuur nagaan van Kafka tot Celan en tot hun opvolgers. We hoeven er slechts de
verscheidene émigré-literaturen op na te lezen. Voor het grootste deel gaat deze
literatuur over de uitroeiing van de Europese joden. De taal die we spreken leeft zolang
we haar spreken. Op het moment dat we zwijgen gaat ook de taal verloren, tenzij een van de
grotere talen er medelijden mee krijgt en haar als het ware op de schoot tilt, als op een
schilderij van de piëta. Het Duits
is de taal die daar vandaag de dag het meest toe geneigd is. Maar het Duits biedt,
tegelijk, enkel tijdelijk asiel, een overnachtingsplaats voor daklozen. Het is goed om dit
te beseffen. Het is goed om vrede te nemen met deze kennis en om te behoren tot diegenen
die nergens thuis horen. Het is goed om sterfelijk te zijn. ©
Imre Kertész. Vertaald naar het Engels door Ivan Sanders. Dit is een bewerkt uittreksel
uit een essay van Imre Kertész: 'The freedom of Self-Definition', dat zal verschijnen in:
'Witness Literature: Proceedings of the Nobel Centennial Symposium', uitgegeven door
Horace Engdall, dat gepubliceerd zal worden door 'Scientific World Publishing', Singapore,
in December 2002.
|
|||||||||