


|
 |
Beste lezer
Roman Helinski
Beste
lezer,
Een mens
maakt keuzen, want als hij dat niet zou doen, zou hij altijd rechtdoor gaan. Ik ben een
mens. Aristoteles zou zeggen: hij maakt keuzen, want als hij dat niet zou doen, zou hij
altijd rechtdoor gaan.
Dit noemde hij syllogismenlogica. Er valt wat voor te zeggen.
Ik schrijf deze brief vanuit de kelder van mijn ouderlijk huis. De kracht om deze brief,
die vol zal zitten met herinneringen, vanuit mijn eigen huis te schrijven, ontbreekt me.
Een brief met de inhoud die ik aan deze wil toevertrouwen, kan simpelweg niet op elke plek
geschreven worden. Mocht ik deze brief vanuit mijn huis op de Veluwe geschreven hebben,
dan was de toon anders geweest. Wellicht brozer, minder gedurfd. Dat had de boodschap geen
goed gedaan.
Mulisch, een door mij gerespecteerd schrijver, zei ooit: 'Ik ben geen boodschappenjongen'.
Nog altijd versta ik deze zin niet. Hoe heeft Mulisch, een weldenkend schrijver, ooit zo'n
uitspraak kunnen doen? Hij ontneemt zijn lezers hun illusies. Dat ben ik niet van plan.
Illusies zijn als dromen. Dromen zijn vluchtroutes.
Ik heb wel degelijk een boodschap. Misschien niet de boodschap die u graag zult lezen,
maar dat het een boodschap is, staat vast. Aangezien ik lang geleden afgezworen heb mijn
lezers te minachten, bied ik u een keuze: lees door en aanschouw mijn boodschap, met alle
bijbehorende emoties. Of vouw deze brief dicht, verscheur hem en ga koken. Het is mijn
verantwoordelijkheid, mijn leven. Maar uw keuze. Leest u door, dan zal mijn leven zich aan
u ontvouwen. Staakt u het lezen, dan blijft mijn leven daar waar het misschien moet
blijven: in deze kelder.
Ik ben content dat u doorleest. Laat ik van wal steken.
U bent niet de enige die deze brief onder ogen krijgt. Ik heb hem geschreven, gekopieerd
en vervolgens naar honderd willekeurige adressen gestuurd. U bent een van de honderd.
Het is geen gewoonte van mij honderd brieven te versturen, sterker nog: het is mijn eerste
keer. Maar het leek mij de beste manier. In het vervolg van deze brief zal ik verklaren
wat ik allemaal op mijn kerfstok heb. Onderaan deze brief staan mijn naam en adres. Ik leg
dus nu de beslissing mij aan te geven bij de politie bij u. Lees mijn biecht en beslis
wijs. U controleert mijn verdere leven. Ik ben drieëndertig jaar.
Nog een ding, voordat ik werkelijk zal vertellen wat ik op mijn geweten heb: de logische
vraag, waarom ik mezelf niet aangeef, kan ik beantwoorden met enkele woorden: Jezus doodde
zichzelf ook niet.
Mijn jeugd was perfect. Laat er geen misverstand over bestaan. Ik ben nooit geslagen,
gepest, misbruikt of verwend. Mijn ouders, God beware hun ziel, zorgden voor mij alsof ik
hun kind was. Dat was ik niet. Op mijn vijfde ben ik te vondeling gelegd. Mijn moeder was
depressief en ze beroofde zich, zo hoorde ik later, diezelfde dag nog van het leven. Mijn
ouders vingen mij op, boden mij hun huis en liefde zodat ik me kon ontwikkelen tot een
liefdevol schepsel, zoals er velen rondlopen in Urk. Oorspronkelijk ontwikkelde ik me
goed. Ik bezat de gave, zo vertelde men mij, mensen te laten lachen. Ik bevatte een
arsenaal ontwapenende opmerkingen, die Toon Hermans zouden doen schutteren. Mijn
schooltijd en liefdesleven verliepen uitstekend. Ik doorliep het gymnasium zonder veel
moeite en over vriendinnetjes had ik niet te klagen. Mijn jeugd was, zoals ik zei,
perfect. De problemen begonnen toen ik naar de grote stad verhuisde om daar mijn studie
gezondheidswetenschappen aan te vangen. Utrecht was groot, zo groot dat ik mezelf dikwijls
verloor in de vele cafés en bars. Ik verzeilde op plekken waar een mens beter niet
verzeild kan raken. Ik bevond me tussen het gajes van Utrecht. Tussen pooiers en junkies.
Gezegd moet worden dat ikzelf nooit toegegeven heb aan de luide roep van heroïne of
andersoortige drugs. Mijn studie maakte dat ik het niet deed, niet kon. Ik wist te goed
dat de gevolgen, ondanks wat dealers vertelden, verschrikkelijk zouden zijn. Ik bleef
clean, tot op de dag van vandaag. Niettemin bevond ik me in een netelige, zelfs
bedreigende situatie. Je hoort altijd van mensen die verslavingen nodig hebben om zichzelf
te gronde te richten. Wat dat betreft was ik een uitzondering. Ik richtte mezelf te
gronde, louter door te bestaan. Mijn huisgenoot, een prettige jongen van twintig, vertelde
mij op een dag dat hij zijn lichaam voor nog geen miljoen zou verkopen. Ik vond dat onzin,
het lichamelijke mag immers verhandeld worden, aangezien enkel het geestelijke persoonlijk
bezit is. Vandaar dat ik mijn huisgenoot, Leonard, bewees dat een lichaam niets meer is
dan een omhulsel. Ik ging, tegen mijn gereformeerde beginselen, met hem naar bed. Leonard
genoot van mijn lichaam, schuwde de ruwe aanpak niet en kwam gillend van genot klaar. Ik
keek hem aan en zei: 'Zie je nu, vuile homo, dat het lichaam slechts een omhulsel is?'
Daar schrok hij van, maar de gelukzalige glimlach op zijn gezicht bleef.
Diezelfde nacht kreeg ik wroeging. Buiten het feit dat ik amper op mijn rug kon liggen,
lichamelijke pijn, knabbelde een venijnig stemmetje aan mijn geweten, geestelijke pijn.
De ochtend na mijn weloverwogen escapade stond ik vroeg op, nam een lange douche en reed
met Leonards auto naar Urk, waar ik, bij mijn oude priester, de biecht aflegde. Hij sprak
zijn afschuw uit over mijn daad en tierde over God en Jezus, over Het Paradijs en De
Schepping. Ik beantwoordde zijn tirade met een schuchtere vloek. Hierna kwam de priester
uit het biechtgestoelte en bekeek mijn gezicht: 'Ik zal het aan uw ouders vertellen'. Ik
wou schreeuwen, schelden, de priester vermoorden, maar mijn lichaam leek vast te zitten.
De priester, die zijn zwijgplicht blijkbaar niet hoog aansloeg, rende de kerk uit, op weg
naar mijn ouderlijke huis. Ik nam Leonards auto en reed regelrecht naar Utrecht.
Van mijn ouders heb ik nooit meer iets gehoord. Toen mijn vader overleden was, belde mijn
moeder, maar dat gesprek verliep stroever dan mijn biecht bij de priester en kreeg geen
vervolg. Toen ik twee jaar later het bericht ontving dat ook mijn moeder overleden was,
een gezwel in haar hoofd, vervloekte ik God. Ik had altijd met het idee gespeeld het goed
te maken met mijn moeder.
Op de dag dat ik de jobstijding ontving, spoedde ik mij naar Urk, waar ik de priester
ijskoud omlegde. In Gods huis. De media brachten het groots: 'Dienaar van God
doodgeslagen met kandelaar. Dader voortvluchtig.' Ik had mijn sporen goed uitgewist
en tot op de dag van vandaag is de zaak van de dode priester onopgelost.
Inderdaad, beste lezer, deze brief is geschreven door een moordenaar. Maar een moordenaar
met wroeging is toch al beter dan een moordenaar zonder wroeging.
De priester handelde niet zoals het hoorde, dat zult u met mij eens zijn, vandaar dat zijn
dood niet eens een groot gemis is. Soms denk ik wel dat het God was die mij aanzette tot
die daad. God, die ik zo vervloekt had, bood mij de steun die ik nodig had om terug te
keren naar mijn normale leven. Na de moord op de priester én de dood van mijn ouders
stopte ik met mijn nachtelijke uitstapjes naar de meest vervaarlijke streken van Utrecht.
Ik stopte met mijn studie en verhuisde naar Maastricht, waar ik tot drie jaar geleden
woonde. In het gemoedelijke zuiden kwam ik tot rust en inkeer. Ik bad weer tot God en had
het gevoel dat mijn leven opnieuw begonnen was. Op een prachtige avond, het moet ergens in
het begin van de zomer geweest zijn, ontmoette ik een meisje. Ze heette Nathalie.
Samen met Nathalie zwierf ik vier avonden in successie langs de Maas. We zaten, vreeën,
zongen en genoten. Ik zweer dat ik van Nathalie hield, zoals ik van mijn ouders had
gehouden.
Maar zoals het gaat met perfecte meisjes: ze verdwijnen met een ander. Even overwoog ik
beiden te vermoorden. Want zo moeilijk was dat niet en de kans gepakt te worden, leek me,
puttend uit mijn eerdere moord, niet eens zo groot. Toch liet ik Nathalie en haar vriend
leven, in de wetenschap dat ze hem na een tijdje ook pijn zou doen. Zo was ze gewoon. Een
vlindertje dat van bloem naar bloem fladderde. Elke bloem die ze verliet, verdorde.
God was mijn water. Ik weet dat zoiets nogal stompzinnig zal klinken, maar ik schrijf deze
brief niet om intelligent over te komen. Ik schrijf deze brief omdat iemand mij zal moeten
berechten.
Gedurende enkele maanden leefde ik volkomen in harmonie met mijn omgeving en geweten. Ik
lachte, danste en genoot, alsof mijn leven pas begonnen was, alsof ik nog maar net een
bloem was geworden. Niettemin, wie neemt het me kwalijk, verviel ik snel in mijn patroon
van onrust en chaos.
Mijn lachen veranderde in gepeins. Gepeins over alles.
Nadenken over je leven is misschien wel het slechtste wat je als mens kan overkomen. Als
je gaat nadenken, kom je erachter dat het allemaal niets voorstelt, dat de zin van het
leven een vlieger is die je elke moment kan ontsnappen. Een naïef mens is het gelukkigst.
Mijn dansen veranderde in slenteren. Talloze uren slenterde ik langs de Maas.
Waar de herinneringen aan Nathalie, met wie ik verdomme echt had willen trouwen, zich aan
mij opdrongen. Wanneer een mens teert op zijn herinneringen, zal de toekomst nooit iets
worden om trots op te zijn.
Mijn genieten veranderde in haat. Dan wordt het gevaarlijk.
Ik at slecht, sliep amper... enfin, alle zaken die gebeuren als je niet meer geniet van
het leven.
Op een woensdagochtend, ik weet het nog goed, besloot ik dat er dingen dienden te
veranderen. Ik verliet mijn kamer in Maastricht en vestigde me op de Veluwe. Omdat ik het
zelf niet kon, moest de omgeving mij maar genezen.
De Veluwe is een niet te onderschatten gebied. De natuurlijke omgeving, de wind en de geur
zorgen voor een andere kijk op het leven. Ik trok de natuur in, met enkel een veldfles en
een tentje. Ik genoot van mijn nieuwe leven. Mijn derde leven. Verveelde ik me zo snel?
Maar zoals het al miljoenen jaren vaststaat dat de maan de zon aflost, zo schijn ik
gedoemd te zijn tot tijdelijk geluk. Want na een jaar knaagde dat venijnige stemmetje weer
aan mijn geweten. Ik vatte een plan op, een vreemd plan misschien, maar toentertijd was ik
overtuigd van de uitvoering.
Ik zou een nieuwe gruwelijkheid plegen, zodat de moord op de priester zijn prioriteit
verloor. Zodoende zou ik in staat zijn mijn scrupules omtrent de dode priester tijdelijk
te verplaatsen naar mijn nieuwe gruweldaad. Als ik dat nu lang genoeg zou doen, altijd een
nieuwe gruweldaad, erger dan de vorige, zou ik uiteindelijk mijn energie niet meer
verspillen aan het tobben over mijn gruweldaden. Ik zou me concentreren op de laatste en
de komende. Meer niet. Ik zou mijn herinneringen leiden en mijn toekomst plannen. Zo kon
ik het verleden loslaten en de toekomst koesteren. Briljant!
Ik nam mijn taak, mijn levensfilosofie, serieus en genoot van de voorbereiding die mijn
gruweldaden vereisten. In minder dan een half jaar vermoordde, verbrandde en verteerde ik
de hond van mijn buren, verkrachtte ik het dochtertje van mijn buren en vermoordde ik een
landloper - een impuls, die niet de voldoening schonk die ik had verwacht. Mijn humeur
verbeterde zienderogen. Ik werd lid van de buurtvereniging en speelde met kinderen uit de
omtrek. Het was een prachtige periode. Mijn filosofie werkte, want de priestermoord
verbleekte bij mijn recente daden. Gelukkig ontmoette ik de liefde van mijn leven niet.
Want als ultieme daad had ik haar zeker vermoord. Hoewel daar lastig overheen te komen
was, zodat ik mijn eigen graf zou graven. Ik moest elke daad kunnen overtreffen, daar
draaide het hele concept om.
Vandaag zit ik hier, in de kelder van mijn ouderlijke huis. Want: hoewel mijn leven een
florissant verloop kent, mis ik toch iets. Mijn ouders. Vandaar dat ik vanochtend naar Urk
gereden ben, naar dit huis. De huidige bewoners zaten buiten, in de zon, te
mens-erger-je-niet-ten. Twee leuke kinderen, vijf en zes, jongen en meisje, een vader en
een moeder. Ik liep op ze af en vertelde dat ik even wilde kijken naar mijn ouderlijke
huis. De vrouw des huizes was attent en liet me het huis van binnen zien. Ze hadden
verbouwd. Op mijn verzoek gingen we samen de kelder in, waar ik, voordat ze kon
schreeuwen, haar nek brak. Ik liet haar liggen en wandelde terug naar de rest van het
gezin. 'Meneer? Uw vrouw vroeg uw assistentie in de kelder.'
Samen met de man liep ik de kelder in, nog even gunde ik hem de tijd te kijken naar zijn
dode vrouw, daarna sloeg ik hem neer met een fles Bordeaux, uit 1983. Toen hij eenmaal
buiten bewustzijn was, brak ik hem, met enige moeite, zijn nek. Buiten hoorde ik de
kinderen kwetteren, als jonge vogeltjes. Ik riep ze naar binnen en speelde gedurende een
half uur met ze. Daarna vermoordde ik ze. Een voor een. Het meisje mocht als eerste.
En nu, twee uur nadat ik het meisje vermoord heb, zit ik in de kelder van het huis. Een
plek waar ik vroeger altijd verstoppertje speelde met mijn vader. De vier lijken liggen
inmiddels achter het huis, op een mesthoop. Een mooi dilemma voor de vliegen: kiezen we de
doden of de stront?
Ik heb de radio aangezet. Op dit moment, hoe mooi is toeval, schalt een nummer van
Novastar, door het huis. The lord
says, the best is yet to come. Laten we het hopen.
Goed, beste lezer, u bent op de hoogte van mijn leven. Het zou kunnen zijn dat ik enkele
kleine daden vergeten ben, ik ben immers ook maar een mens. Ik vraag geen sympathie van u
voor mijn daden. Ik zou alleen Aristoteles nog een keer willen aanhalen: 'Hij maakt
keuzen, want als hij dat niet zou doen, zou hij altijd rechtdoor gaan.'
Ik sta achter de keuzen die ik gemaakt heb. Maar om te kijken of God ook achter mijn
keuzen staat, besloot ik deze brief te schrijven. Ik wacht hoopvol op de beantwoording van
mijn vraag.
Ik wil u bedanken voor het lezen van mijn brief en ik wens u veel wijsheid bij het
beslissen over mijn verdere leven.
Groet,
Walter Van Linden.
De Polder 11
5678 VC - De Veluwe.
|
|