Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Anneessens, upperdog

Bjarne Donderdag

01

Weer of geen weer: we kunnen niet om de vergrijzing van ons klimaat heen. Op 2 juli van het scharnierjaar 2000 floepte om 16:01 de straatverlichting in de randstedelijke gemeente Heule aan. (Population: 17 000 en een paardenkop). Een indrukwekkend onweer naderde. Het bleef maar naderen. De Vlaamse luchten vertoonden het hele gamma aan grijswaarden. Lijkwitte duiven zwierden statig in de loden geladenheid van het zwerk. Een uil dacht dat het nacht werd en verliet het galmgat in zijn toren. Hem wachtte misschien een rat. Om 18:06 voorspelde een glimlachende weervrouw na het journaal alom overstromingen. Het betrof een ernstig te nemen waarschuwing. Op de tweede o van 'overstromingen' deed zich een algehele elektriciteitspanne in Heule, West-Vlaanderen voor. Die had niks met dat naderende onweer te maken. Wel met een rat die een flinke kluif had gehad aan een belangrijke kabel in de omgeving. (Ach, stel je voor dat je een kaars brandt om je huis te beschermen tegen allerlei onheil en dat je huis door simpele onoplettendheid in de fik vliegt!) Het distributiehuisje ontplofte; de rat werd herleid tot smurrie. Men weet het euvel aanvankelijk aan blikseminslag. Dat euvel bleef maar duren. In Frankrijk werd de eerste rit-in-lijn van de Ronde gereden. In de Rotterdamse Kuip speelden Italië en Frankrijk de E.K.-voetbalfinale. Er was ook tennis en formule-1-geloei. Een ware sporthoogdag, voorwaar. Zowel de magnetrons als de telefoontoestellen in het Zuid-West-Vlaamse Heule gaven verstek, om van het allerergste nog maar te zwijgen: de televisietoestellen. Kaarsen en batterijen kregen een grotere marktwaarde. Maar het was dus na ampel onderzoek een simpele grijze rat gebleken. Het onweer dreef over; de aangekondigde overstromingen, meervoud, beperkten zich tot plaatselijk rioolgekolk en extra gegorgel in goten. De Heulse brandweer laafde zich in een café zonder voetbal en muziek. De ex-rat werd postuum nog getroffen door een verdwaalde vogel. Ge zoudt al een uil moeten zijn om daar niet van te profiteren.
Gefundenes Fressen.


02

Bloody Blue Monday.
In tegenstelling tot dat onweer waaide het faillissement van de Heulse brouwerij Heulambiek niet zomaar over. En wel op 3 juli 2000, onder een vale ochtendzon. Onafwendbaarheid, een spook, werd voldongenheid, een vampier. 138 werknemers stonden op straat en scandeerden onwennig enkele slogans. Onwennig, omdat het randstedelijk bedrijf, neergepoot in het hart van Heule, ouder en betrouwbaarder was, leek te zijn, was geweest dan hun levensgezel(lin) of auto. Tussen de slogans door werden de praatballonnen opgevuld met commentaar over het derven van voetbal, wielrennen, ja: zelfs tennis en formule-1. De poel van ellende was diep en dichtbij. Hij heette 'Heulambiek' en hij heette 'thuis'. Couleur locale: mijn kloten! Tegenover de brouwerij lag het prachtige dorpspark in al zijn juliglorie. Een park op een doodgewone maandagochtend was al erg genoeg om op te kijken. Die maandagochtend A.D. 2000 - de zon brak verdomme ook in alle hevigheid door - vormde het een pure aanfluiting. Gedaan met schaften op de bankjes tussen visgraatparkeerplaats en weelderig groen. Het Heulse park werd in een klap een metafoor voor reservaat, voorgeborchte van leegte, wrange nasmaak van Heulambiek. Outplacement? Modewoord. De meeste werknemers zouden gezien hun leeftijd moeilijk ergens anders aan de slag kunnen. Proces en product waren ook heel specifiek en intensief: een streekbier brouwen en distribueren met z'n honderdachtendertigen had anno 2000 weinig om het lijf op zo'n sollicitatiebrief annex curriculum vitae naar firma's met veel meer computers en gigantische parkeerterreinen. Het was hopen op de beloofde premie van de directie (de bazen 'vader' en 'zoon') en een vervangingsinkomen. De zomerwind zuchtte diep in het gebladerte; de zon bleef de hele dag citroengeel boven het park dobberen. Acht decennia alcohol en prik waren op de fles gegaan.


03

Drenkplaatsen, wilde dromen, nachtmerries. De Woede der Noormannen, vroeger De Blinde Fotograaf, was de hoektand gelegen tussen de kalme wateren van de Yserleie en het station. Ruime parkeermogelijkheden. Even verderop raasden vele treinen per uur er voorbij de rinkelbellen en de rode knipperlichten. Tegen de spoorwegbomen aangedrukt had je De Plotse Inval. Vanzelfsprekend tevens ruime parking. Tussen gatenplanten en gordijnen konden die van de Plotse die van de Woede zien zitten, en omgekeerd. De Varaan was eveneens een hoektand, maar dan op de markt. Goeie muziek, alsook snacks. Jong en oud, weet je wel. Den Eland en Oud Stadhuis: lange traditie, vertrouwde oorden in het centrum. De Burgersgilde: even bezijden de navel van Heule, drenkplaats der bezadigden en oudgedienden. Ook aan de periferie: café In 't Groen, café Gullegem, club Geen Spijt Maar Krijt, cafetaria De Vlam in het gelijknamige cultureel centrum en cafetaria De Genster in het sportcomplex Beverburcht. Er waren er natuurlijk nog. Brouwerij Heulambiek leverde in al die kaffaten nooit de hoofdmoot. Daarvoor was de firma niet concurrentieel genoeg geweest met grotere, immer groeiende, fusionerende of opgekochte bedrijven. En, laten we eerlijk zijn: als er iemand al eens Heulambiek dronk, dan was dat uit puur patriottisme voor Heule, en niet voor de smaak. Sommige werknemers van de Heulambiek hadden zelfs nooit ofte nimmer hun eigen nat gedronken. Dat zou er toen, als ex-werknemers, niet op beteren. Op 14 juli, de dag voor zowat de hele streek collectief een drietal weken vakantie nam, installeerden de afgevloeide Heulambiekers midden de markt een toog. Er werd gratis Heulambiek getapt en geschonken. Het was de allerlaatste keer dat het amberkleurige nat vloeide. Vergelijkingen met bloed waren legio. Voor de logistieke kant van deze zwelgpartij tekende de harde kern van Heulambiekvakbonders. Geruggensteund door ontgoochelden hadden ze zich een toegang tot de brouwerij verschaft en het productieproces weer eventjes op gang gebracht. De drie politieagenten legden symbolisch hun pet op de toog en dronken dapper mee. Wilde dromen van heropstanding en kwalijke visioenen van spruitjeslucht en pantoffels dreven als botsende praatballonnen over de markt. Den Eland, het Oud Stadhuis en De Varaan deden er nog een vat van eigen bodem bovenop. Toen de klok op de kerktoren drie keer sloeg, wat niemand hoorde, was de wilde stroming van deze Vlaamse Quatorze verzand in gesijpel, gemurmel, gekabbel, geween en tandengeknars. Er werd balorig tegen de kerk gepist. Er werd opstandig gemompeld, met lippen die door drankmisbruik half verlamd waren. Er werd omhelsd, gevloekt, geknuffeld, gevochten, gesust. Resterende Heulambiek-werkplunjes werden op een hoop gegooid en in brand gestoken, geflambeerd met Heulambiek. Dat lukte niet. Alleen de politiepetten vatten even vuur. Pas toen in het oosten wat vers licht werd gemorst, sloeg de werkelijkheid in alle hevigheid toe. Men waadde huiswaarts.


04

Pro Deo. Er waren enkele schadeclaims van eerder abstracte aard. Wee echter de vermetele die in dat verband concrete beschuldigingen uitte. Hij was nog niet jarig. En de oude jonge advocaat Luc Bottelmans - what's in a name - was er verdorie zélf ook bij geweest die fameuze nacht. De ergste heethoofden lieten zich door hem ten gepaste tijde vertegenwoordigen. Hijzelf gelastte zijn compagnon met enkele verschijningen en een woord ten goede in het gerechtsgebouw van Kortrijk. De smart omtrent de sluiting van de sympathieke firma Heulambiek overmande alles. Het bleef bij een paar haastig gemompelde reprimandes: Heule was de grootste en vurigste randgemeente van Kortrijk. Daar vielen veel stemmen te rapen of te verliezen. Collectieve ongehoorzaamheid van een gemeente die anno 1976 door Kortrijk werd 'gefusilleerd', zoals ze daar zeiden, kon men missen als kiespijn. Vijfdaags Heuls patriottisme ter gelegenheid van de jaarlijkse septemberfeesten kon oogluikend worden toegestaan, maar moest niet aangewakkerd worden. Er woonde te veel leenroerig volk.


05

Mijn drenkplaats heette De Woede der Noormannen. Voorheen was het café getiteld: De Blinde Fotograaf, maar de oude jonge bazin verdween naar een land met een andere munteenheid met een jong oud lief dat weinig zei en evenmin zaad loosde want het was ook een vrouw, zeg maar: onman. Sjapoo, de huidige tapheer, maakte er De Woede enz. . . . van. Ik hoopte dat hij een blijvertje was: zijn kaffaat lag voor een stuk op een heidense lap grond waar in vroeger tijden alleen zelfmoordenaars in alle intimiteit onder de aarde werden gestopt. Mijn maten en ik kwamen er als vermoeide leeuwen en leeuwinnen onze dorst lessen, soms laveloos. Sjapoo was aan de witte wijn; het merendeel van ons aan alles. Dit drenken vond plaats in de Handboogstraat, gelegen langsheen de Yserleie. Wie te lang naar dat water of de binnenscheepvaart erop staarde, moest een rondje geven. 't Was hier binnen te doen. Wie nietsvermoedend zinspelingen maakte met 'hand' of 'boog' erin, werd zijn das afgeknipt. Indien er ontstentenis aan das bestond, dan moest de vermetele vijf euro deponeren in de omgekeerde Vikinghelm op de hoek van de toog. Elke derde donderdag van de maand trok Sjapoo klokslag 23:16 zijn leren handschoenen aan en viste daar dan de buit uit op. We kwamen er vaak mee toe tot het krieken van de derde vrijdag van de maand. Wij, dat waren ik, Anneessens, Sjapoo himself of all people, mister Vandenbroecke (de caféhond), de geheel uit littekens opgetrokken Purl Harbor, Silicon Valley (wat een joekels droeg die Ruth voor zich uit!), Smalle Geboorte (de vrouwelijke ouder bleef ook in leven bij de geboorte), Spartakut, Bismark (deed 4 maal 2 jaar over zijn studies, iets met economie), De Baron, Alverman, Veltekort en nog een stuk of wat anderen zoals daar zijn Guido Gezwelle, Prinses, Het Zwarte Aura, Flesh Back, Ramses (je zou er godbetert naar verlangen om eens een gewone Vlaamse naam te roepen), Fileepuur en Leverzwijn. Maten . . . makkers . . . mafketels.


06

Het caféleven was dangereus. Een scheef woord, en 't kon scheef zitten. Maar we deden ons best. We onderhielden regelmaat. We waren als Buffalo Bill, die 80 buffels per dag neerknalde, maar alleen de eerste nodig had om van te eten. Onze eerste pint was voor de dorst; de kudde daartussen waren testcases, en de voorlaatste was om te controleren of we nog dorst hadden en of die nog gelijkenissen vertoonde met de eerste. De allerlaatste bestond niet. Smalle Geboorte, de uitslover, had ooit een keer zo'n allerlaatste uitgedronken. Toen hij scherper toekeek, zag hij op de bodem staan: MEER IS IN U. En hij deed dus door, gekweld door visioenen over zeppelins en diepzeeboten. De Woede der Noormannen was eigenlijk de hoektand tussen de Handboogstraat en een straatje waarvan we de naam niet wilden weten. De voordeur gaf vooral uit in de Handboogstraat. Zo'n honderd meter verderop passeerden de treinen naar de noord- en de zuidpool, zodat we dus eigenlijk zo'n beetje op een eiland zaten, tussen den ijzeren weg en een waterweg. In onze randgemeente Heule, A.D. 1976 gefusioneerd met, zeg maar: gefusilleerd door de grotere stad Kortrijk, woonden 17 000 niet-drinkers, van wie er 2 000 alleen in het weekend even gingen stappen. De snobs en de pubers hadden hun aparte drenkplaatsen. Dat gold ook voor oude hippies, bekeerde punkers en yuppies die nu de baan deden met producten waar ze vroeger zelf de baas over speelden. De burgemeester van Kortrijk had opgeroepen om meer op café te gaan, in een poging zijn zwalpende partij vers leven in te blazen, maar in de puberstraat met de pubercafés, omgeving station, kon hij de agressie niet meer de baas. Dit terzijde. Wij (Sjapoo, Flesh Back, Het Zwarte Aura, Ramses, Anneessens, dat ben ik dus, . . .) zaten hier goed. We deelden eilanderigheid. Ons waterhol bevond zich tevens op de grens tussen Heule en Kortrijk. We waren ook slim. Ze dachten dat we aan de drank waren, maar de drank was aan ons. Trouwens: wat ze zeiden, waren ze zelf. Alle hierboven genoemde Noormannen en Noorvrouwen hadden iets gestudeerd. Iets. En als bij het krieken van andermaal een verse dag de motoren weer aansloegen en de ruitenwissers weer in beweging kwamen, ondergingen ze een metamorfose. De lichten in De Woede doofden, de deur knalde dicht, en de grimlach van de hoektand bestierf het. Tot zover de situatieschets. Nu enkele feiten.


07

De Woede der Noormannen. Eeuwen geleden had Skandinaafs tuig van de richel met vlechten in hun haar à la Tineke van Heule onze kerken verkracht en vrouwen geplunderd. Toen welde de verzuchting op: van de woede der Noormannen, verlos ons, o Heer. Tijdens de eerste nazomer van de 21e eeuw - eigenlijk de laatste van de twintigste, jaja - waren de gemoederen verhit in hoekkaffaat De Woede der Noormannen. Eender welk seizoen: de gemoederen waren daar altijd verhit. Het scheelde geen haar of daar werd elke week een verse politieke partij opgericht. De statuten waren altijd kant-en-klaar: geen gelul, we zeggen wat we peinzen, en als het nodig is: we zwijgen tot we zweten. Ofschoon er veel inwijkelingen in Heule woonden, was iedereen zich bewust van de historie van het dorp. Ten tijde van de allereerste schoolstrijd, eind 19e eeuw, was het in de annalen terechtgekomen door een beroemde moord. En zowel de prozaïst Stijn Streuvels als de dichter Guido Gezelle als de componist Emiel Hullebroeck hadden of all places op deze blauwe plek in het heelal iets met Heule te maken. Zo'n collectief bewustzijn moést zich wel vertalen in nijvere toogspraak en zich manifesteren middels vele vadems bier. Over de brouwerij Heulambiek werd gepraat als over de Titanic. Het bier zelf verdween al vlug uit de circulatie; het was het koude water waarin 138 drenkelingen hun einde hadden gevonden. Het schip lag op de bodem van het dorp, naast het park. Kapitein 'vader' en eerste stuurman 'zoon' lieten zich niet meer zien. Woede verdunde zich tot opstandige gelatenheid. Op de valreep van augustus werd in De Woede der Noormannen een benefietavond voor de drenkelingen georganiseerd. Ex-opvarenden en stuurlui aan wal dronken zich zowat te pletter. De Woede werd de Bierkaai. Er broeide wat.


08

Herverkaveling. Met of zonder Kortrijk: de Heulambiek zou toch gezonken zijn. Anno 1976 werd Heule door Kortrijk geannexeerd als randgemeente. Er waren nog omliggende dorpen die dit lot beschoren waren. Anno 2000, in de dagen voor de septemberfeesten (altijd meervoud), kwam iemand op een idee. Het idee. Defusionering! En dat een maand voor de gemeenteraadsverkiezingen! Het was een onzalig idee voor Kortrijk. En een zalig idee voor Heule. Onfeiten zoals de teloorgang van de Heulambiek zouden in de toekomst misschien beter vermeden kunnen worden.
Heule: één front. Zoals omstreeks 1880 ten tijde van de eerste schoolstrijd Heule de geschiedenisboeken haalde, zo zou men opnieuw alhier voor een primeur zorgen in de vaderlandse historie. En zie: ze lieten er geen vlas over groeien. Alle kleuren en gezindten vloeiden samen. Er werden krachtige peetvaders aangesproken. In een mum van tijd werden duizenden handtekeningen verzameld. Er kwam een lijst. De populairsten figureerden boven- en onderaan. De rest duwde en wrikte. Er stonden ook enkele ex-Heulambiekers op. De pers vond er een vette kluif aan. 'Nationalisme' kopte een krant. 'Rationalisme' blokte een andere krant. 'Patriottisme' schreeuwde een derde krant. 'Groot gelijk' bekte die tweede krant. De Varaan, het Oud Stadhuis, De Burgersgilde, De Eland, De Woede der Noormannen en De Plotse Inval liepen stampvol. Er was weinig tijd, en er moest vlug gedronken worden. De verkiezingen waren al op 8 oktober. Maar eerst werd er nog gefeest, zoals elk jaar in september. Heule was het 'Stoten'-dorp bij uitstek. Elk jaar weer bedachten individuen of samenzweringen een Stoot, d.w.z. een duidelijk zichtbare, ludiek bedoelde grap. Daarover oordeelde dan een jury. De beste Stoot werd bekroond met een wisselbeker waarin een geldbedrag in munten stak. Je kon het zo gek niet bedenken of het was al in Heule gebeurd: valse zebrapaden, een nepherberg die op een nacht tijd verrees, een vliegtuig op een dak, een eigen munteenheid, een militaire coup. Soms haalde een Stoot de voorpagina's van de kranten. Een verontruste minister van Binnenlandse Zaken had al eens - voorbarig - ingegrepen in verband met een straatpaardenkoers. De ovenwarme Heulse Partij voor Defusionering won in september 2000 ook de prijs voor de beste Stoot. Maar het bleek menens.


09

Puntje bij paaltje: de HDP. Er was geen tijd, er was geen geld en er was geen echte campagne, maar toch leverde de Heulse Defusioneringspartij uiteindelijk enkele gemeenteraadsleden af in Kortrijk. Voor schepenen was het nog even wachten: in de Guldensporenstede had elke klassieke partij gezorgd voor verruimingskandidaten, die ook veel stemmen haalden. Sommigen kwamen zelfs even in Kortrijk wonen, allemaal uit angst voor de HDP. Gevraagd naar een reactie bij de Heulse verkozenen, antwoordden die: 'We kijken al uit naar een zetel in de onafhankelijke Heulse gemeenteraad. We zitten hier dus maar voorlopig'. Het Belgisch Instituut voor Referenda vond het zo'n interessante testcase dat het een nationale enquête opzette. 76 percent van de bevolking keurde de Heulse zet goed. En wou dat ook zelf wel meemaken, in eigen dorp of stad. Nog voor nieuwjaar werd het oude, vertrouwde huis brouwerij Heulambiek het hoofdkwartier van de allereerste defusioneringspartij in België: de HDP.


10

We zeggen en schrijven de echte beginjaren van de 21ste eeuw. Een en ander lag nu in gruzelementen. Ik moet er geen tekeningetje bij maken, zeker? Ook de vlieger van de HDP was niet opgegaan. De nieuwe partij verbrokkelde door liefdeshistories en huwelijksperikelen. De leegstaande brouwerij werd door de ratten overgenomen. De burgers van Darlingen wreven zich natuurlijk in de handen. Aan het territorium van hun Petit Paris aan de Yserleie werd verder niet geknaagd. Wij van De Woede trokken ons terug in onze eigen republiek. We likten de wonden die we de laatste jaren opgelopen hadden. Er zaten wel een paar kornuiten tussen die ambities koesterden in verband met de HDP. Die moesten ze nu smoren. Of vervangen door andere. Op onbewaakte ogenblikken - maar welke waren dat niet? - mompelden ze soms nog iets over onafhankelijkheid ten tijde van de autoloze zondagen. Silicon Valley had al hardop de gedachte geopperd dat dergelijke retro-oprispingen ook beboet zouden moeten worden met enkele euro. Trop was te veel; de tijden waren veranderd. Purl Harbor moest zich inhouden of hij kapte een pint over haar kop. Tja, wie had hier gelijk? Ik, Anneessens, wist één ding zeker: het waren niet de tijden die veranderden, maar de mensen die ouder werden.


11

De steenrijke linkshandige Arabier Osama-in-den-Hoge was ook in De Woede der Noormannen het onderwerp van gesprek. Eindelijk hadden we nog eens een serieus gesprek! Na een groot debiet aan ge-e-mailde moppen en internethumor daaromtrent waagden we ons aan haarscherpe analyses op wereldformaat. 'Die rijkeluiszoon zit goed in de olie', zei Alverman. 'Hij heeft geen buitenverblijf, maar een binnenverblijf onder de grond in Afghanistan'. 'En dan te weten dat het symbool op de Amerikaanse Greyhoundbussen de Afghaanse windhond is!', merkte Bismark op. Diens jaren van verstand waren eindelijk aangebroken. We feliciteerden hem met zijn opmerking, maar Mister Vandenbroecke zweeg hierbij in alle talen: hij sleepte zich als een soort van te groot en te lui geworden horecacocker door het leven. Onze blikken gleden even naar zijn vaste plaats op de mat, waar hij gewoonlijk als tochthond postvatte. Spartakut mompelde iets over slapende honden. 'Hm', gromde Sjapoo in de plaats van zijn huisdier. Vervolgens filosofeerden we over de kwestie waar we zelf onze kamikazevliegtuigen in onze randgemeente neder zouden laten ploffen. Diverse verzekeringsmaatschappijen en banken kwamen in aanmerking, vanwege hun lelijkheid. Enkelen opperden ook: 'De kerk'. 'Het Cultureel Centrum'. 'Hangt er van af wie er dan in zit'. 'Als het maar niet op mijn dak is', zei Sjapoo. 'Weet je wat ik ga doen? Ik ga mijn Heilige Rita halen en er een kaars voor branden. Ze komt van de rommelmarkt in Doornik en ze helpt tegen hopeloze gevallen'. 'Wat heeft dat er nu mee te maken, Sjapoo!?' vroeg De Baron. 'Hij bedoelt dat we zelf de hopeloze gevallen zijn', antwoordde Veltekort in zijn plaats. 'Het is tegen de biologische en chemische oorlogsvoering, voilà', zei Sjapoo, en hij voegde de daad bij het woord. Zo kabbelde onze avond verder, bij het geflakker van een kaars, in een tijd waarin de voorraad vrede alweer eens opgebruikt was. Prinses zag er godgenageld mooi uit in dat bewegende oorlogslicht. Opmerkingen van toevallige klanten over de kaars kostten die avond twee euro.


12

De heilige Rita-met-de-kaars betekende het einde van De Woede en de dood van Sjapoo en mister Vandenbroecke. Ze gingen dus niet dood door miltvuur of terrorisme, maar door onoplettendheid en doodgewoon vuur. We waren lang blijven plakken, weer tot aan het krieken van de volgende dag. Rita en de kaars - zo'n knoert van een communiekaars; de eeuwigdurende vlam voor de Onbekende Soldaat - belandden in de loop van de avond, nou: nacht, op een of andere vensterbank. Het leek vooralsnog te helpen, want niemand van ons kreeg die avond miltvuur. Eilacie ... in het holst van de ochtend - Sjapoo en mister Vandenbroecke hadden alleen maar de reguliere, gewoontegetrouwe, geconditioneerde en Pavloviaanse daden verricht, en daarbij de kaars vergeten - vatte het pand vuur. Een vergetelheid. Dus: toch geen blijvertje. We hadden nu ook een gebouw tegen de vlakte en enkele doden te betreuren. Rita en de kaars hadden geen bescherming, maar vernietiging betekend. Tja, het zal maar knetterend bliksemen en krakend donderen en een simpel ratje zal ondertussen de hele omgeving zonder elektriciteit zetten. Rita toch.



13

Zwijg me over begrafenissen of ik barst in lachen uit. Ik, Anneessens, weet godgenageld waar ik het over heb. In de middeleeuwen van mijn leven was ik drie jaar lang misdienaar in de decanale kerk van het vreselijke stadje waar ik toen woonde (koektrommelplaatjes; eierboerpraatjes). De koster lapte me elke week twee à drie teraardebestellingen om te 'dienen'; blijkbaar vond hij dat ik een rouwkop had. Nu, terzake. Mister Vandenbroecke was al via gods ondoorgrondelijke wegen van deze wereld verdwenen, deze blauwe plek in het heelal. Opgebrand, zoals ze zeggen. Beter te branden dan je leven uit te zitten, zeg ik maar. Liever schreeuwen dan vezelen, zeg ik ook soms. Sjapoo, toch een mens, kreeg een heus begrafenisritueel. Bij leven was hij een vurig antiklerikaal geweest; bij dood bedachten zijn nabestaanden hem met ampele kerkelijke nazorg. Er werd gebeden, gezongen, bewierookt, gepredikt, gemeaculpad, gecommunied, uitgedeeld, gedeponeerd, gesmeekt, gezalfd, gedronken en gegeten. Wij, de ex-Noormannen en -vrouwen, hadden het laatste gedeelte van de teronderaardestopping van onze voormalige kwakhuisbaas natuurlijk graag 'gevierd' in De Woede der Noormannen. Dat kon dus helemaal niet meer. Na de passage op het kerkhof (ze lieten Sjapoo in zo'n ouderwetse kist nederdalen) deed zich een schisma voor: de familie ging haars weegs richting Oud Stadhuis voor de rouwmaaltijd (hier hield voor ons de aansporing 'Gelieve de familie te volgen' op - dat hadden we goed begrepen), wij (het Zwarte Aura, Fileepuur, Alverman, etc ... iedereen was er) begaven ons naar een ruim horecabedrijf in het hart van Kortrijk, bijgenaamd Darlingen, nl. de St. Medard. Kwestie van niet te veel op te vallen in Heule die dag. Onze namiddagrouwsessie zou vooral niet uit vast voedsel bestaan, en zou zich uitstrekken totdat de hanen op hun mestvaalten het matineuze gregoriaans weer uit hun strot persten, de volgende ochtend van alweer een verse dag, waarop, god gaf het, eens niet iemand ter aarde besteld diende te worden. Zelden hadden we meer innig plezier als dat halve etmaal. Vreemd. Maar ik heb u gewaarschuwd: zwijg me over begrafenissen of ik ... 


14

Droevig, dronken, bij wijlen hikkend van het lachen, bij wijlen geflambeerd in oplaaiend sentiment, doolden we die nacht met z'n allen nog even rond in de asse van De Woede der Noormannen. De eigenaars van de linten die rond de afgebrande hoektand waren gespannen, stopten ook nog even met hun combi. We zaten al ver op de pechstrook van de nacht; reeds werd in het oosten het eerste ochtendlijke melkje gemorst. Guido Gezwelle en Ramses verzorgden de apologie voor onze nachtelijke activiteit. De sheriffs knikten - ze waren ook in vroeger ellendige tijden bij de teraardebestelling van brouwerij Heulambiek aanwezig geweest en legden begrip aan de dag, nou: nacht. Ons kende ons. 'Maak het niet te bont', zei de hoofdsheriff. 'Het uur is gevorderd en er hangt hier zo'n scherp alcoholisch luchtje ... één lucifer en de hele zwik gaat weer in de fik, als dat al mogelijk zou zijn, haha'. 'Haha', beaamden Gezwelle en Ramses. De wetsdienaars zaten duidelijk op onze golflengte. 'En van waar komen jullie eigenlijk? 't Is al over vieren'. 'Van de Medard in Darlingen'. 'My Darling?' 'Neenee: de St. Medard, Kortrijk'. 'O, dàt. Zeg dat dan direct'. 'Ja, dat'. 'Waren ze zo laat nog open?' 'Nu zijn ze dicht'. 'Allez, ga nu maar allemaal vlug naar huis'. 'Ja, er is hier niets meer te zien, hé'. 'Nee'. De combi verdween langzaam, met treurige achterlichten. Iedereen van onze Woede-bende plukte nog een stukje verbrand onroerend goed mee als souvenir. We vormden een afscheidskring, de armen om elkaars schouders geslagen, maar er kwam geen zinnig woord meer uit. Het eindtafereel uit Babette's Feast was vrolijker en luidruchtiger. Smalle Geboorte bezoedelde nog met zijn stuk houtskool het begrafenistextiel van Silicon Valley, natuurlijk ter hoogte van de feiten: haar joekels. 'Godverdomme, man!' keef Ruth, en dat betrof de laatste mededeling. Allen spoedden zich huiswaarts, of naar waar het op leek, adieu Woede der Noormannen, adieu Sjapoo, adieu mister Vandenbroecke, blame it on Osama-in-den-Hoge.


15

We tuimelden in een vacuüm. Niet dat we elkaar zo graag zagen, maar: we zagen elkaar minder en minder. En dat gebeurde in schijfjes en schuifjes. Pas dan besef je dat je elkaar mist. Vaak voelden we ontstentenis: 'Godver, waar is Purl Harbor?' ''t Is lang geleden dat we Flesh Back nog zagen'. 'Waar hangt Prinses uit?' We oefenden ook zeer uiteenlopende beroepen uit, zoals daar zijn: advocaat, cultuurwerker, onderwijzeres, huisarts, decorateur, ... We leken verspreid te raken. De Plotse Inval, De Varaan, Den Eland en de cafetaria's De Vlam en De Genster vaarden er wel bij. Het geblakerde puin van De Woede werd geruimd. En zoals sommige zwammen op één nacht verschijnen, zo verrees alras een zoveelste bankgebouw op de plek. Nu twijfelden we alleszins niet langer meer over waar we ooit ons kamikazevliegtuig inclusief bom naartoe zouden sturen. Met het eerstvolgende oudjaar probeerden we in het zaaltje van Oud Stadhuis met z'n allen het afgelopen jaar de nek om te wringen en het ovenwarme jaar in te drinken. Dat lukte maar voor vijftig procent, omdat de helft van de Noormannen er niet was. Veltekort bracht het restantje van de Vikinghelm mee; hij had die uit het puin opgeduikeld. We probeerden er champagne uit te slurpen, maar die smaakte naar as. Er was ook een gat in. Rond drie uur 's ochtends verlieten we het feestpand om poolshoogte te nemen in enkele andere etablissementen in de randgemeente Heule. Het Titanicgevoel konden we echter niet van ons afschudden. Iemand gewaagde zelfs van Pompeij ( ... waarop iemand anders opmerkte dat we deze metafoor gewoonlijk voor Kortrijk gebruikten ... ). Alles leek ten dode opgeschreven: brouwerij Heulambiek was op de fles gegaan, in De Woede der Noormannen werden weldra kasbons verhandeld, we hadden een dode mens en een dood beest te betreuren, en de helft van onze kompanen was er niet bij. Moest er niet dringend wat aan de hand zijn?


16

Dagelijksheid kan charmes hebben. Maar het gewone kan ook dodelijk zijn. Doodgewoon. We hadden dringend een conclaaf nodig. Apart drinken leverde niets op. Gensters en vonken doofden te rap uit waar slechts twee of drie van de oud-Noormannen in ons midden waren. Ik, Anneessens, voelde me geroepen daar iets aan te doen. Uitgesloten waren (mijn volk kennende): kaartavonden, culturele uitstapjes, groepsreizen, barbecuefestijnen, zelfs fuiven. Onze gemiddelde leeftijd bedroeg 42,8 jaar. Ik voelde ons uit elkaar groeien. Landerigheid, ja: eilanderigheid lagen op de loer. Zoals we ooit een veelkoppig monster waren met eenzelfde gulzig lijf, zo begonnen we nu op een rattenkoning te gelijken, waarvan alleen de staarten nog in elkaar verstrengeld waren. Na rijp beraad met mezelf kwam ik tot de conclusie dat we weer aan een vaste biotoop toe waren.
Refugium! Sanctuary! O Anneessens, gij duivelse feniks!!


17

En alleen zwierf ik, en van geen mens gestoord, vele dagen en lange nachten, in de guldensporenstede Kortrijk, door Conscience ook genoemd: Darlingen. Ik was min of meer op zoek naar een nieuwe biotoop voor de Noormannen en -vrouwen. Dat was makkelijk en moeilijk. Eerst makkelijk: door jarenlange openbare werken en hoge stadsbelastingen hadden zich alom leegloop en leegstand voorgedaan. Pompeij! Nu moeilijk: het was een heksentoer om nog levende zielen te ontmoeten met wie te onderhandelen viel. Kortrijk, eens de nijvere stad aan The Golden River, de Leie, ooit in zijn sas met het vlas, zodat sommige cowboys het hadden over 'Texas', was nu op sterven na dood, terwijl de Leie in plaats van slagader, traankanaal was geworden. Roemrijke drenkplaatsen sloten hun deuren. Winkelstraten werden donkere loopgraven. TE KOOP! TE HUUR! OVER TE NEMEN! De lampen doofden. De lichten gingen uit. En in deze duistere tijden zwierf ik, Anneessens, rond in dit Petit Paris, waar ooit op kleine schaal licht en liefde heersten. Geen enkele van de overgebleven drankslijterijen kwam in aanmerking voor een permanente reünie van onze Woede-bende. Evenmin zag ik het zitten om zelf de tap in handen te nemen in een nieuwbakken bedrijf, hoe groot ook de behoefte aan een bruine kroeg was. Ik doolde drie maanden dronken rond en nog kwam er geen oplossing uit de bus. Ondertussen was ik, Anneessens, ook een en al zorg en bekommernis voor mijn gezin, mijn werkveld en mijn literaire carrière. Laat dat duidelijk zijn.


18

En zie. Zoek iets, en je vindt het niet. Vind iets, en je hebt er godgenageld niet naar gezocht. Op een stomme maandagavond, het regende mottig, stond ik aan de toog in de Kortrijkse taverne Red Rum (voor de knappe koppen onder u: een half palindroom) enkele bokalen bier te hijsen. De Red Rum was stilaan een museum geworden van alle dissidente nachtuilen: door sluitingen en faillissementen alom spoelden die hier noodgedwongen aan. Een kleine greep uit de collectie: avondmensen, nachtmensen, nachtbrakers, gezondheids-freaks op de terugweg naar huis, gebuisde filosofen die ooit gestraald werden in hun eerste kandidatuur, boekhouders die de boeken neergelegd hadden, dichters die hun alliteraties in eigen beheer bekostigden, tiepen die zeiden dat ze Bukowski lazen, bejaarde babyboomers, midlifers die met Stonehenge en The Stones (een groep) waren opgegroeid, etc, etc ... Pauline, een engel op leeftijd, runde de zaak. Het betere bier dat ik tot me nam, nl. blonde Leffe (de dichters Herman De Coninck en Luuk Gruwez en de Blankenbergse thrillerauteur Pieter Aspe hebben al een tijdlang het monopolie over die andere schrijversnectar, Duvel), zocht zich een weg in al de vertakkingen van mijn lijf, tot in de Tora Bora van mijn tenen. Toen kwam klokslag 23:16 meneer Danny binnen. Meneer Danny: 44 jaar, waarvan een twaalftal in Verzekerde Bewaring wegens zowel bewaring, verspreiding als verscheping van wiet. Meneer Danny: vrijgezel met vrouwen, onduidelijke stek op zowel de arbeidsmarkt als wat woonachtigheid betreft, net niet dandy, 'proper' dus, niet dom, kameleontisch talent om zich nergens zijn aura af te laten pakken: niet tussen gemotoriseerd lederen bewustzijn, niet bij white pride, niet in de vierde wereld, niet onder intelligentsia. Volheid, leegheid, ledigheid: je kon, kortom, niet om meneer Danny heen. Inside information: vanuit zijn geslacht vertakte zich een getatoeëerde klimopplant tot over zijn borst, onderweg bewoond door een draak.


19

'Ha, die Danny!
Long time, no see'. 'Ah, Anneessens. Spreekt gij nu ook al Frans?' 'Dit is Courtrai tonight, hé. En hoe gaat het met u?' 'Dat verklap ik je niet, anders ga je zelf'. 'Haha'. Ik bood meneer Danny prompt een glas aan, terwijl hij zelf even de pikorde in taverne Red Rum opnam. Af en toe knikte hij of wuifde hij even in het rond. 'En, Anneessens, vertel eens?' Hij kapte zijn glas met één hinkstapslok tegen zijn ruggengraat en commandeerde onmiddellijk twee nieuwe verversingen. Pauline knikte begrijpend. 'Wel,' stak ik van wal, terwijl ik mijn nieuwe blonde Leffe nader tot mij schoof. 'Wist je dat ik al drie weken op vrije voeten ben, Anneessens?' onderbrak meneer Danny. 'Parool, weet je wel'. 'Ah, goed hé, Danny'. 'Jaja'. Even vlogen ons beider gedachten uit naar een container Shetlandpulls waartussen zich wat bewustzijnsverruimend spul had bevonden. Pech voor Danny; roos voor de eenheidspolitie. Dit alles speelde zich af in Jabbeke en Zeebrugge. Waar was de tijd. 'Allez zeg'. Meneer Danny hees zijn bevrijde lijf op een barkruk en dimde zijn stem. 'Als je je kop uitsteekt, Anneessens, slaan ze erop. Eerlijk geld verdienen zit er niet meer in. Daarom: het volgende. Maar ... het blijft onder ons, hé'. 'Nee, ja', schudde en knikte ik. Toen nam meneer Danny me in vertrouwen betreff. Het rappe bijeengraaien van easy money. Ik hoorde enkele kassa's rinkelen in verband met mijn plan om voor vervanging te zorgen voor De Woede der Noormannen. Was ik klokslag 23:16 nog een geïnteresseerd toehoorder, dan werd ik omstreeks het middernachtelijke uur een medeplichtige. We zouden wodka naar Zuid-Afrika overhevelen, te weten: een flink debiet. Er was grote vraag naar.


20

Het zat zo. Toen meneer Danny vroeger af en toe op vrije voeten was, ontmoetten we elkaar soms, met vele anderen, in de landelijke herberg Den Uytkant in de Westhoek van West-Vlaanderen, zo'n veertig kilometer bezijden Darlingen-Kortrijk-Petit Paris.
Den Uytkant was een tijdlang a place to be. Iedereen uit het Texas van Vlaanderen trok er geregeld op uit naar Jules en Maria in Den Uytkant. Je kon er vreten en zuipen op zijn landelijks, zoals op oude schilderijen. Jules, gepensioneerde boer en oud-koetsier aan de kust, hield er met zijn volslanke Maria een landelijke taverne draaiende die begon met ribbetjes en picon en uitdijde tot everzwijnragout, mosselen, zeevruchtenfestijnen, streekbiergelagen, wijnproeverijen, etc ... Jules had door zijn vroegere activiteiten contacten in Engeland en Frankrijk. Den Uytkant lag daar ook tussenin: met een oog loerend naar het noorden, met zijn kont tegen het zuiden aangeschurkt. Jules hield, tegen betaling, een oogje in het zeil voor tientallen sluikstokers uit de omgeving. Er kwam namelijk veel volk over zijn drempel. Hij kwam veel te weten. En wat meer was: Jules verstond de kunst exacte kopieën te brouwen van de bekendste kleurloze sterke dranken ter wereld. Nummer één op de lijst: wodka. Minder gegeerd, maar toch mogelijk op verzoek: gin, het huisdrankje van de Queen Mum. Als ex-landbouwer, ex-koetsier en bij leven en welzijn horecabaas, was Jules dus de aangewezen man voor een en ander. Vandaar. 'Godver,' zei meneer Danny, 'godver, Anneessens, gij kent die vent zo goed, en al zo lang, en alles is er: de vraag, het transport, de veiligheid, geen probleem allemaal, ik heb mijn contacten, maar ik zocht wel nog iemand die het product kon leveren, versta je. Het gaat over twintigduizend liter wodka. Er is vraag naar in Zuid-Afrika. Je weet dat ik daar geweest ben. Jules kan voor die twintigduizend zorgen. Dertig percent voor mij, zestig voor hem, eh ... are you in? Jij kent hem nog een stuk beter. Voor wat hoort wat. Spreken we eens af in Den Uytkant? Laat er geen vlas over groeien, haha. Twintigduizend liter kleurloosheid door Jules gefabriceerd - moet mogelijk zijn, met de hulp van al zijn sluikstokers - levert ons eenentwintigduizend euro op, te verdelen natuurlijk, zoals hierboven vermeld. Er zitten een paar percenten voor jou in. De rest regel ik wel. Hoe minder iedereen van elkaar weet, hoe beter'. 'Maar ga ik dan ook niet in de bak vliegen, Danny? Jij bent al vier keer tegen de lamp gelopen'. 'Deze keer is er geen speld tussen te krijgen'. 'Eigenlijk zoek ik wel gereed geld om hier ergens in de stad een drenkplaats te installeren', bekende ik. En toen deed ik in korte bewoordingen het verhaal van De Woede der Noormannen. 'Die godverse Osama!' was de eerste reactie van meneer Danny. 'Als die baardaap de grootste torens ter wereld mag omblazen, mogen wij toch ook zeker eens wat initiatief nemen in verband met de vrijemarkteconomie!?' 'Ja', knikte ik, en ik gebaarde naar Pauline om nog twee blonde Leffes, want meneer Danny was ondertussen ook op dat godengoedje overgeschakeld. In hoge versnelling dronken we daarna nog enkele blonde Leffes.


21

Ondertussen, de tijd zat niet stil, gebeurden de gebruikelijke zaken in de omgeving. Een bijna bejaarde machowapenhandelaar schoot zijn lief door het hoofd in een museum. Op vrije voeten mocht hij graag in de kaffaten met zijn lul paraderen. Hier en daar was er ook een opstoot van kerkhofbotten, de beroemde tekst hardmakend die prijkt op de toren in Diksmuide, hoofdstad van het Ijzertijdperk: 'Hier liggen ...'. Op de Kuurnse renbaan liepen de paarden als vanouds voor hun leven: time is money. Menselijke midlifers liepen dan weer geheel vrijblijvend halve marathons om van zichzelf en hun vrouwspersoon weg te vluchten, maar uiteindelijk kwamen ze toch zichzelf weer tegen, want de aardbol is rond. Hun vrouwen knipten grinnikend hun paardenstaarten af en gebruikten Bad Pritt als glijmiddel. Gewetenloos leidde iedereen, elckerlyc, everyone, tout le monde, eltsenien, eenieder zijn leven van vergetelheid, want het geheugen is de zeef van het geweten. Of is het geweten de zeef voor het geheugen? Soms raak ik er ook niet meer uit. We zullen het ooit geweten hebben. De Servische massacrimineel Milosevic werd er in Den Haag anno 02 alleszins niet door gehinderd.
Ik, Anneessens, herhaal het nog eens: het zijn niet de tijden die veranderen, maar de mensen die ouder worden. De logische volgende fase in mijn Avonturen op deze Aardkloot, deze verdomde blauwe plek in het heelal, was dat ik nooit meer iets hoorde over de plannen van meneer Danny. Wel van meneer Danny zelf, maar dat was vol-strekt oninteressant, want het betrof een verse bijslaap. Ook kreeg hij een erge vorm van hepatitis, spartelde erdoorheen en verdween daarna in de magere anonimiteit.Wodka? Voer voor Russen.
Easy money? Time was on my side. En Zuid-Afrika bleef een mooi maar vooral ver land, bengelend aan de onderkant van de wereld.


22

Ooit de Titanic ... nu de Heulambiek ... De Woede der Noormannen ... de Defusioneringspartij ... de Grote Wodka-Actie ... In plaats van laaiende zonnen in blauwe luchten waren het donderwolken met rouwranden geweest. Spartakut gewaagde zelfs van 'ongewenste zwangerschappen', toen we eens in de St. Medard onze twee koppen bij elkaar staken. 'Godver, het lijkt er wel op, hé, Pallas Athena', beaamde ik. (Automatisch voelde ik ook aan dat onze oude aanspreekvormen afgedaan hadden). 'Gij hebt nog een menage, Anneessens, en een beroep, en ge schrijft nog ook'. 'Tussen het drinken door, ja: overgegeven en toegegeven. 000-4282302-00'. 'Hé?' 'Ons gezamenlijk gironummer, van al de oud-Noormannen en -vrouwen: drie nullen zoals iedereen/gemiddelde leeftijd 42 komma 8/gemiddeld aantal elementen nageslacht 2 komma 3/Anno Domini 02/tea for two/amen en uit'. 'Ja, en ik dan?' 'Liefde was, is in grote mate uw deel, o Athena. Als ze al eens hun rug naar u keerden, was dat omdat ze er ogen in hadden, of vlak nadat ze .... Ze krijgen nooit genoeg van u. Gij zijt Dietrich, Piaff, Faithfull, Rampling, ... eh ... alle katachtigen onder de niet-mannen. 't Is maar dat ik u zo goed ken, of ik ... '. 'Wat zoudt ge dan wel doen, Anneessens? Hé?' 'U moedernaakt en poedelziel ...' ' ... maar als ik nu eens op vrouwen val!?' onderbrak Spartakut ruw. 'Ugh!' deed ik, een spreekwolkje met een rouwrandje. Dat was ongeveer onze laatste beduidende woordenwisseling, want haar tandarts kwam binnen in de St. Medard en wees gerust: als er in Kortrijk in een of ander horecabedrijfje een beoefenaar van een van de vrije beroepen opduikt, verandert op slag de pikorde. Zelfs bij een entree van Bismark, veelvuldig gesjeesd kaderlid, kon een zweem van ontzag niet worden ontkend. Ik, Anneessens, beroep nu niet ter zake doend, toch ietwat gekend als pennenridder, kon in de horecasector alleen maar wat aura bekomen door bijvoorbeeld eens twee woorden met elkaar te doen rijmen. Achterklap, weet je wel. Terwijl tandarts Vandermeeren zich over Pallas Spartakut Athena ontfermde, welde de gedachte in mij op te emigreren, voorgoed te emigreren. Reeds ejaculeerde ergens een Titanic een stoompluim.


23

Anonimiteit. Doelbewuste, zinledige, overbodige, zelfgekozen, onzichtbare, volgehouden, gecultiveerde, deugddoende anonimiteit. Antwoord op en conclusie na jaren queeste. Accolade die alles omarmde. Welgewikt en goedgewogen lot van de kroniekschrijver. Geworfenheit, bestemming, modus, curriculum. N.N., schrijver dezes, jezes. Op z'n middeleeuws verdwijnen. Bestond zo'n denktank? Ku-Klux-Klankappen? Communismonederigheid? Atoomnulliteit? Numerologica? Gangesbesef? Rugnummers? Pessoa? Iedereen beroemd? Huysmans? Zonder licht geen kleuren? Nijinski? Samizdat? Samizdat! Zo werd ik, Anneessens, goed gek. Ik begon in zeven eeuwen tegelijk te leven. Ik brandde een kaars en mijn brains vlogen in brand. De mensen herkenden me steeds minder. 000-0000000-00. Tot hier strekt mijn verslag van een normale gekte. Ik moet abrupt eindigen. Ze zijn er: ik hoor geklop. Tja, het zijn niet de tijden die veranderen.

© Bjarne Donderdag