Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Het atelier

Wem Cornelissen

Ik ben de oudste van zes vastbenoemde docenten 'levend model' aan de Nationale Academie voor Schone Kunsten in Boedapest. N.A.S.K. De nask, zeggen we.
Mijn atelier op de nask is B17. Ik geef wat uitleg. De academie heeft vier grote afdelingen, verspreid over de stad. Afdeling B is een gebouwencomplex, gelegen in een park, in een zijstraat van een hoofdstraat. De Hoofdstraat, de Avenue.
17 betekent: het éérste atelier in paviljoen 7. Bouwjaar 1823, afgeleefd, vier jaar geleden totaal gerenoveerd en nu bijna opnieuw afgeleefd.
En zo hoort het.
Mijn studenten, mijn kinderen noem ik ze, twaalf in totaal, kozen vrij voor mij als hun meester.
Waarom weet ik niet en het doet er ook niet toe. En ik, ik had niet te kiezen.
('Hij lijkt op een struik die zijn blaren verliest in de herfst, zijn ogen staan asymmetrisch en hij is stil en vriendelijk. Van de twintig schilderijen die hij zelf maakt, vernietigt hij er achttien, laten we voor hem kiezen...')
Er is geen lessenrooster. Het atelier is de klok rond open, zes dagen op zeven. De portier kon verhinderen dat ook op zondag het atelier open bleef.
De uitslovers (zo zijn er gelukkig maar twee) zijn alle werkdagen aanwezig van half acht 's ochtends tot 's avonds vier uur. Zij maken zich er druk over dat de modellen te laat komen.
Rond de middag arriveert de rest. De één wat later dan de ander.
En de sfeer wordt steeds beter. Muziek met veel geruis uit een casetterecorder. Er is een spontane beurtrol bij de aanvoer van wijn. Hoe later op de week, hoe slechter de kwaliteit.
('Waarom drinkt hij nooit mee? Soms ruikt hij naar zweet maar nooit naar alcohol. Wisten jullie dat hij alleen woont? Geen vrouw? Vijf keer ben ik al aan zijn deur geweest, 's nachts, hij doet nooit open, hij hoort me niet, altijd keiharde muziek, Monteverdi of Bartók...') 

Sara zit in het park en schetst bomen. 'Bomen zijn als lijven', vindt ze. Sara is joods, maar dat wil ze niet geweten hebben.
Na een half uur valt ze het atelier binnen en tekent Ellen. Ellen is het oudste model van de academie: 79 jaar. Zij is van Nederlandse afkomst, is trots en op een mooie manier verlept. Ze is graatmager, een beetje verwilderd, hangt wat rond in de stad, sinds jaren, vermoedt men.
Niemand wil het haar vragen, maar gezien haar perfecte kennis van het Hongaars moeten het een paar decennia zijn. Ze deelt een flat met haar 23-jarige vriendin.
Ellen weigert de opgelegde poses die studenten haar vragen. Ellen weigert betaald te worden voor dit werk. Merkwaardig, want de meesten die poseren, doen het juist voor het geld, niet als bijverdienste maar als hoofdinkomen. Zoals Birgit. Ze weet dat ze mooi is, maar mist uitstraling. Of Anka, ook mooi, wel uitstraling, maar te stipt. Om vier uur stopt ze met poseren, ze ontvangt haar loon, en vijf minuten later staat ze op straat, de studenten verdwaasd achterlatend. Judit, een ander model, is dik. Rubensiaans, zeggen de studenten. Pépé is haar bijnaam. P.P.. Ze is arm en camoufleert haar lijfgeur met lavendelwater. Uren nadat ze verdwenen is, hangt haar aanwezigheid nog in het atelier.
Dikwijls is er geen model.
Dan poseren de studenten voor elkaar. Ook hiervoor is er een spontane beurtrol.
In het begin, toen ik als jong gediplomeerde 'Meester in de Schilderkunst' vanuit Bulgarije naar hier emigreerde, dat was eind jaren zestig, vond ik het gênant mijn studenten naakt te zien, vooral omdat het in die tijd niet echt noodzakelijk was. De school had immers 48 modellen in vast dienstverband. Van 7 tot 15 uur. Maar buiten die uren gebeurde het dat studenten wilden doorwerken, en zo viel het voor dat de durvertjes zich blootgaven aan medestudenten.
Zonder vergoeding. Afin, ik heb nooit geweten dat er vergoed werd.
('Hij was vroeger preuts en naïef, naar het schijnt, maar tegenwoordig rooft hij met zijn ogen en oren onze Ellen, hij is goddelijk als hij haar lach imiteert. Een lachende Atlas met afhangende schouders. Maar volgens Sara herbergt zijn corpulente lichaam een slanke, droevig glimlachende Adonis. Ik zou het niet weten, maar hij is goed voor ons allemaal, zijn wijsvinger, zijn kritiek, of niet ... ?')
Vanavond is Gabor model. Ik heb iets met die Gabor.
Gabor is ook joods. Hij is arm, hij is rank. Krulhaar, grote ogen, lange vingers. Hij is lenig.
Hij zingt nog even en speelt op de afgedankte piano: 'Venez, venez Milord'. Met een gracieuze sensualiteit en in een onverstaanbare taal die klinkt als het zuiverste Frans uit Frankrijk.
Hij groet en krijgt applaus. Stapt naar de sofa, ontkleedt zich en poseert.
Ik lees bijna nooit, maar herlees nu voor de vierde keer Robert Musils 'De man zonder eigenschappen'.
'Toen ze in de hal kwamen, waren ze heel verbaasd dat ze nog op tijd waren en dat de gesprekken achter de deur nog precies zo doorgingen als tevoren...' Bladzijde 790.
Onthouden 7-9-0. Ellens leeftijd + 0. Ellen0. Ik plooi niet graag een hoekje van de bladzijde om en bovendien train ik hiermee mijn geheugen.
Het atelier is leeggelopen. Gabor is in slaap gevallen op de sofa.
Ik loop rond en bekijk de tekeningen. Dit is een uitzonderlijk sterk jaar. Ik ben een beetje trots. Ik ledig de blikjes met sigarettenpeuken. In Sara's werk zie ik nog de invloed van haar boomschetsen. De lege wijnflessen heeft iemand al weggenomen. Hier betaal je statiegeld, ook op wijnflessen.
Het is negen uur 's avonds.
Gabor ontwaakt, kleedt zich aan en samen verlaten we het atelier. In de tuin maakt Sara wilde schetsen van bomen in straatlicht. 'Bomen lijken op mensenlijken,' roept ze me lachend toe. Te veel gedronken denk ik. En lach terug.
De volgende ochtend hangt er een briefje op de deur van het atelier:
'Ik kom vandaag langs met belangrijk bezoek, alles moet in orde én schoon zijn. ABLAK Istvan, Directeur' en daaronder: 'Leer uw deur te sluiten Podrov Dimitri!!!' Met drie uitroeptekens. Dat heet 'brullen' op het web, maar van het web heeft die sukkel nog nooit gehoord. Ik haat geroep en gebrul, ik haat zenuwachtige, gestresseerde mensen, en Ablak is zo'n mens. Mens? Wat zeg ik?
Maar goed dat hij zich hier maar af en toe vertoont. Wanneer is hij hier het laatst geweest ?
Lang geleden. Toch zie ik hem elke maand, voor de vergadering op afdeling A, de eerste donderdag van de maand, om twaalf uur stipt, dit wil zeggen niet om twee minuten over twaalf. Ik haat die donderdagen twaalf uur, een moment waarop een normaal mens zijn boterhammetjes eet. 'Zijn we d'r allemaal ?' en meteen daarna 'Waar is hmmm, Sandor? Nandory?' Ablak heeft ogen op zijn gat.
Vergaderingen waarop alleen meneer de directeur spreekt. Vergaderingen zonder agenda, zonder tegenwoord, zonder verslag. Eigenlijk zijn het meer maandelijkse preken.
De laatste keer dat hij in het atelier 'toevallig' langskwam, was begin november. Een paar dagen na Allerheiligen. Nu weet ik het weer precies. Heel het atelier was versierd met chrysanten. Mijn kinderen hadden overal, maar dan echt overal, chrysanten gezet.
('Hij gaat nog lang niet dood, onze ouwe, maar laten we hem en ons atelier in de bloemetjes zetten, het moet vannacht gebeuren, doet iedereen mee? Sara, niet wenen, hij zal het echt niet morbide vinden, hij kijkt toch alleen maar naar de kleuren én hij zal weer neuriën...')
Het was potsierlijk en geestig, maar de directeur kon er niet om lachen, want zo beweerde hij, 'waarmee konden de studenten die bloemen betalen?' 'Podrov, 't is tegen u, waarmee???' Tja, zo diep had ik er niet over nagedacht en roep niet zo, dacht ik verder.
'Ablak op bezoek met hoog bezoek', zo denk ik. Dat belooft. Hoog bezoek. Uit het buitenland ? Dat is altijd hoog. Galerijhouders? Jappen? Jappen zijn nogal geïnteressseerd in Europese kunst, West-, Centraal- of Oost-Europees. Of is het hoog bezoek de brandweer, dienst Protectie der Gebouwen? Wat me verontrust, is dat Ablak himself het briefje op de deur heeft geprikt. Hoe kon hij anders weten dat de deur niet gesloten was? Waarom begeeft Ablak zich in eigen persoon naar mijn atelier voor acht uur 's morgens met een dergelijke mededeling ? Het moet wel heel erg hoog bezoek zijn.
Wat de chrysanten van november betreft, had Ablak een beetje gelijk. Mijn kinderen hebben zich achteraf bij mij verontschuldigd. Nog dezelfde dag brachten ze alle potten terug naar het kerkhof.
En waarom vermeldt Ablak geen uur van bezoek op zijn bericht ?
In een half uur tijd zijn bijna al mijn kinderen aanwezig in het atelier. Ik hoef geen instructies te geven. Spontaan wordt alles wat opgeruimd, de blikjes voor de sigaretten verdwijnen onder de kast, papier in de papiermand, brandbare producten in de speciale metalen kast, het gordijn naast de wasbak wordt handig gedrapeerd, de vieze vlekken zijn gecamoufleerd.
Anka poseert. Mijn kinderen werken hard. Geen drank, geen rook, geen muziek.
('Ablak wordt nog zijn dood, kijk maar, hij zingt niet en loopt in rondjes heen en weer. Neen Sara, je mag zijn handen niet vastpakken, hij houdt zo wel op met zijn vingers te kraken. Anka, sta a.u.b. stil, hij heeft tot nu toe al alle gemene streken van Ablak overleefd, we staan achter hem.')
Het valt me op hoe klein het atelier wel is. Centraal het model. Daarrond twaalf schildersezels met elf studenten, de wasbak, vier grote, oude, gezellige eiken kasten, de metalen kast mét slot, de paravent die een hele hoek inneemt voor het uit- en aankleden van het model, een te klein rek met heel veel kleine, interessante prullaria, zoals schelpjes en pluimen, vele kroonkurken van wijnflessen en goedkope schuimwijn, elke kurk heeft zijn verhaal, een kapotte sierspeld, postzegels uit den vreemde, een dagboek van Rosita, dochter van een Bulgaars koppel, een datumstempel die nog nooit gebruikt werd, een polaroidtoestel dat bijna nooit gebruikt werd wegens te duur, zeven jaar oude telefoonboeken, restanten papier, afval van passe-partouts, te goed om weg te smijten, te goed om te gebruiken. Er liggen ook oude krijtjes. Een sigarendoos met pennen en elastiekjes, aspirine, condooms en, om in de medische sfeer te blijven, ook spuiten met naalden. Mijn kinderen gebruiken die om inktcapsules te hervullen.
Om kwart voor elf arriveert het gezelschap. Ablak zweet. Te hoge bloeddruk denk ik.
Mijn kinderen veren recht: 'Dag meneer de directeur,' klinkt het als uit één mond, Ablak zweet nog meer, ik kijk onbegrijpend, en het hoge gezelschap, drie Amerikanen, die zo'n discipline niet meer kennen, knikt appreciërend naar de studenten. Een - nul denk ik. 7-9-0 valt me plots te binnen. Ablak roept noch blaft. Hij spreekt gedempt. Is het om zijn slechte Engels te verdoezelen? De drie Amerikanen betasten de deur, kloppen op de muur en kijken naar het plafond. Ablak maakt met zijn wijsvinger een rechthoekige beweging, alsof hij een raam tekent. Een van de Amerikanen vraagt terloops aan een student, toevallig Gabor, of ze vaak last hebben van het straatlawaai. Gabor antwoordt: 'Nee, helemaal niet, maar de straat heeft wél last van ons lawaai!' Vier flauwe lachjes en twaalf daverende lachen. Twee - nul, denk ik.
De bezoekers zijn weg.
Bij een glas wijn bespreken we de situatie. Lawaai? De gezondheidsdienst? Helemaal vanuit Amerika? 'En Gabor, onthou dat Amerikanen & Ablak geen zin voor humor hebben en was het jouw idee om de directeur zo mooi te verwelkomen ? Je hebt me daar lekker te kakken gezet!'

Het is nu officieel.
De school heeft de gebouwen van de 'Algemene Distributie', beter gekend als het 'Glazen Huis' gekocht.Voor een prikje wordt gezegd. Er wordt niet gezegd hoeveel een prikje is.
De relatief nieuwe gebouwen bevinden zich op zestien kilometer buiten het centrum, in het verlengde van de Avenue. Recht op recht. Ooit zal de metrolijn doorgetrokken worden tot aan het glazen kot. En ooit zal de ring, die nu voor één kwart af is, net voor de gebouwen passeren. Praktischer kan niet. En de gebouwen zijn modern. Heel veel glas, heel veel staal. Geen trappen maar hellende plateaus. Geen muren maar verplaatsbare wanden. Overal stopcontacten, in de grond gebouwd, in een doosje met een beschermklepje bovenaan. Het gebouw is natuurlijk nooit gebouwd om als academie te functioneren, maar misschien is het wél geschikt voor de klassen Architectuur of Binnenhuis, of voor de afdeling Restauratie, misschien zelfs wel voor de beeldhouwers. Eigenlijk hebben we te weinig contact met de mensen van afdelingen A, C en D.
('Zou er iets van waar zijn dat we naar dat afgelikte glazen huis moeten verhuizen? Neen, Sara, we kunnen echt niet alle glas zwart schilderen, dan moeten we in doka's werken en we zijn geen fotografen. Heb je het al gemerkt, onze ouwe zingt voortdurend het dies irae en stukken uit het requiem van Mozart. Tegen ons zegt hij niets, maar hij staat wezenloos te dromen en zijn wijsvinger corrigeert nog geen schaduw op onze werken. Misschien moeten we Ablak door de glazen koepel van het huis gooien. Neen, neen, neen, we zijn niet gewelddadig, maar we willen toch niet dat onze ouwe nog meer onverstaanbare dingen mompelt, volgens mij zit hij in het Bulgaars te vloeken. Wat doen we...?') 

              Donderdag 3 maart.

'Er is beslist en besloten, de vier volledige afdelingen, met andere woorden, de hele Academie, over te brengen naar de vroegere gebouwen van de Algemene Distributie, beter gekend als het Glazen Huis. Er is overeengekomen dat de verhuis van de afdeling B moet rond zijn tegen eind deze maand, dat wil zeggen: 31 maart. De drie overige afdelingen kunnen nog gebruikmaken van de huidige lokalen tot het einde van dit academiejaar, zijnde 30 juni.
Zijn er vragen?' Ik heb vragen maar stel ze niet. Niemand heeft vragen. En weg is Ablak.
Collega's maken zich zorgen over het transport. De meesten kennen de gebouwen vaag van toen er rechtstreeks een reportage liep op televisie naar aanleiding van de inhuldiging.
Wie herinnert zich niet Minister Zwack, die toen de grootste moeite had bij het doorknippen van het lint ? Nadien heeft niemand nog ooit iets gehoord van het glazen kot. Het schijnt dat 'Algemene Distributie' zich al na zeven maanden terugtrok uit het gebouw. Nooit is gezegd geweest wat de reden van die aftocht was. Toch zijn er geruchten die de ronde doen, hardnekkige geruchten. Zo wordt verteld dat het kot in de winter niet te verwarmen en in de zomer niet af te koelen valt. Een ander gerucht was de hoge afwezigheidsgraad van het personeel: het kot was en is gewoon onbereikbaar. Men heeft mooi praten over een toekomstige metro, over een toekomstige ring, de enige manier nu, om het kot te bereiken is per fiets, maar een fiets is onbetaalbaar, wordt gestolen en je kan er geen grote tekenmap mee vervoeren. Het gerucht dat er te veel asbest in het gebouw werd verwerkt, kan ik moeilijk aannemen, omdat de twee materialen die je kan herkennen staal en glas zijn. Helemaal te gek is het verhaal dat het kot behekst is. De noordervleugel zou deels zijn opgetrokken op de gezegende gronden van een oud kerkhof. Een Turks kerkhof nog wel, vierhonderd jaar oud! En de geesten zouden zich nu wreken? Onzin.

Ik informeer mijn kinderen. Ik vertel monotoon het verhaal van de verhuis.
Mijn kinderen zijn stil. Er zijn geen vragen. Of ze stellen ze niet, of ze willen me sparen.
Ik voel me rot, ben onwennig. Neem het boek. Bladzijde omslaan. Een nieuw blad. Een propere lei, bladzijde 7-9-0. Ik kan niet lezen. Ik voel ogen op me gericht. 'Er is rond het kot geen park met bomen', fluistert Sara. 'Er is niks rond het kot, niks', licht ik toe. 

De volgende dagen klinkt er geen muziek meer in het atelier. Er wordt geen wijn meer gekocht. Eva maakt het rek leeg. Niemand vraagt me wat. Ik herlees bladzijde 791. 'Eerste boek, tweede deel - 'Insgelijks geschiedt', hoofdstuk 118 Dood hem dan toch!' Ik herlees en herlees. Ik voel me een man zonder eigenschappen.

('Hij doet niets anders meer dan dat boek lezen en herlezen. Ik ben nog een keer 's nachts gaan aanbellen, deze keer ging de deur open, hij liep me voor en begon op zijn mondharmonica een of ander Bulgaars liedje te spelen. Op tafel tussen broodkruimels en koffie dat boek van hem en een plan, een ontwerp van hemzelf voor een nieuw atelier. Ik zei: 'Meester, dood hem dan toch.' Hij schudde zijn hoofd.)

© Wem Cornelissen