Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Diane en Apollo

Frédéric Brugman

Kort daarop leerde ik Apollo kennen. Hij verscheen als de prins op het witte paard aan de einder van mijn fata morgana: ik werd op slag verliefd. In de firma waar ik werk, vormen de secretaressen de enige constante, ze zijn de rotsen in de branding. Op het niveau van de bedienden werkt men voornamelijk met uitzendkrachten, wat een verloop veroorzaakt als in een kippenren. Het hoger kader wordt bestierd door een ondoorgrondelijke voorzienigheid in de Verenigde Staten die zowat om de twee jaar een internationale stoelendans organiseert voor de directeurs. Het was deze voorzienigheid die Apollo van zijn plaats in Frankrijk had geplukt en hem neerzette op de stoel die ik al meer dan zes jaar met mijn zorgen omringde. Net als Ares had Apollo grote handen, maar daar hield de gelijkenis op. In tegenstelling tot de eeltige kolenschoppen van mijn man waren de handen van Apollo van een ranke, haast vrouwelijke verfijning. De huid was glad en glanzend. De lijnen in zijn palmen waaierden uit in sierlijke patronen, zoals op de afbeeldingen uit de Art Nouveau waarmee hij zijn kantoor versierde; waar de aderen van Ares als dikke meerkabels over de rug van zijn handen hadden gekronkeld, vormden die van Apollo nauwelijks zichtbare spitsboogjes van een opmerkelijke symmetrie. Zijn slanke vingers liepen uit op zorgvuldig gemanicuurde nagels en vertoonden allerlei maniërismen waar ik heimelijk van genoot: wanneer hij nadacht, hield hij het topje van zijn duim verstrooid tussen zijn voorste tanden; hij stak zijn pink uit wanneer hij in zijn kopje koffie roerde; hij draaide zijn haren op tot krulletjes rond zijn wijsvinger, enzovoort. Kortom, zijn handen hadden 'de gave'. Maar aan zijn linkerhand zat ook een trouwring. Zijn vrouw was echter achtergebleven in Parijs met hun twee kinderen, dus ik waagde mijn kans.
Hij had de naam een uitzonderlijk intelligent en beschaafd man te zijn, erg secuur en stipt in zijn werk, een beetje op het maniakale af zelfs. Ik begreep dat het langs die weg was dat ik hem voor mij moest winnen. Ik legde, gedragen door de vleugels van mijn verliefdheid, een nauwgezetheid aan de dag die ik van mezelf niet kende. Aanvankelijk was ik voor hem een secretaresse zonder meer, een van de vele die hij al had gehad. Dankzij mijn inspanningen begon hij me na een tijdje te roemen om mijn oog voor details. Elke brief, elke vertaling die ik afleverde, vertoonde een puntgave bladschikking en een foutloze spelling en grammatica. Nooit had hij er wat op aan te merken. Het kostte me heel wat moeite en zelfs geld, want de al te ingewikkelde teksten deed ik stiekem, zonder een onkostennota binnen te brengen, naar een vertaalbureau. Voor de liefde was geen prijs me te hoog. Ik maakte alle overuren die nodig waren, zonder morren. Ik denk dat ik zelfs meer werkte dan hij. Zo won ik zijn vertrouwen en werd gaandeweg meer en meer toegelaten tot zijn privé-sfeer. Ik leerde al zijn gewoontes kennen, van het merk sokken dat hij verkoos, over zijn lievelingsgerechten, tot de films en boeken waarvan hij hield. Ik bracht zijn pakken naar de stomerij, streek zijn overhemden, gaf advies voor zijn dassen. Ik regelde op den duur zijn volledige agenda, zijn afspraken met de tandarts en reservaties voor restaurants incluis. Omdat hij een echte fijnproever was, volgde ik een cursus over de Franse keuken, en wanneer hij een theater- of balletvoorstelling bezocht, las ik de dag nadien de recensies in de krant om hem erover te kunnen onderhouden. Het was als een spiraalbeweging waarbij ik steeds dichter naderde. Na ongeveer een jaar dicteerde hij me de berichten aan zijn vrouw die ik elektronisch verstuurde, waardoor ik ook de antwoorden te lezen kreeg. De toon van hun correspondentie was nogal afgemeten en beleefd. Hij wees op een verhouding die gekenmerkt werd door voorkomendheid en wederzijds respect, een omgangsvorm die zowat het midden hield tussen de correcte handelwijze van zakenpartners en de wat hartelijker manier waarop oude kameraden elkaar bejegenen. Van de hartstocht van twee geliefden was geen spoor te bekennen. Op een keer verwijderde ik bij wijze van proef de foto van zijn vrouw en kinderen van zijn bureau. Zijn reactie was typerend. Hij merkte dat er iets niet klopte, iets aan de schikking van de spullen op zijn bureaublad was 'pas comme il faut', maar hij wist niet wat. Toen ik kwam aanzetten met het kader en een stofvod zei hij: 'Ah oui, ma femme,' en zette het puzzelstukje terug op zijn plaats.
Ik was voor hem onmisbaar geworden als secretaresse, nu moest hij me nog zien staan als vrouw. Ik, die nooit wat om kleren had gegeven, besteedde een klein fortuin aan een nieuwe garderobe. Verleidelijk was de boodschap, maar zeker niet uitdagend of hoerig. Ik zocht een stijl die mij zou omtoveren tot het vrouwelijke spiegelbeeld van zijn verschijning, een combinatie van onberispelijke zakelijkheid en elegantie. Ik kocht maatpakjes van de chicste modehuizen, een kleerkast vol zijden blouses, schoenen met hoge hakken en sexy lingerie. Ik informeerde langs de neus weg naar zijn favoriete kleur van lippenstift en nagellak, naar het parfum dat hij het lekkerst vond en bracht elke ochtend zeker een uur door voor de spiegel om me op te maken op de discrete wijze die hij het meest waardeerde. Na anderhalf jaar in zijn dienst lukte het me eindelijk een afspraakje met hem te maken buiten het werk. Dat ging eenvoudiger dan verwacht. Ik gaf hem op een dag te kennen dat ik later op de week zou verjaren en voegde er op schertsende toon aan toe dat hij wel eens iets terug mocht doen voor de toegewijde secretaresse die hem zo verwende. Hij bekeek me met gespeelde verbazing maar ging dadelijk akkoord: we zouden een halve dag vrij nemen, hij zou voor een verrassing zorgen.
De dag kwam en na de lunch zei hij: 'Venez, je vous emmène en ville,' en we vertrokken met zijn wagen richting Antwerpen. Zoals ik van hem gewoon was, gedroeg hij zich hoffelijk en gereserveerd. Maar tegen het eind van de rit legde hij, zonder iets te zeggen en met zijn blik strak op het verkeer, zijn hand op mijn knie. Een golf van verlangen trok door heel mijn lichaam, heerlijk en warm. Bij het uitstappen hield hij het portier voor me open en gaf me een arm. Het voelde vertrouwd aan, alsof we al lang een koppeltje waren, wat voor mij ook wel een beetje zo was, althans toch in mijn verliefde dagdromen. Zo begonnen we aan een wandeling langs de Schelde, op weg naar de kathedraal. We bewonderden samen de prachtige toren die duizelingwekkend hoog boven onze hoofden naar de hemel reikte. Vandaar ging het hand in hand naar het stadhuis. Aan de fontein van Brabo legde hij zijn arm over mijn schouders en kuste me. Zijn hand gleed langs mijn ruggengraat naar beneden, tot een van zijn vingers zachtjes, heel even maar, leek neer te strijken op mijn zitvlak om daar, als een ganzeveer, in een zwierig, kalligrafisch handschrift het magische 'L'Amour' uit te spellen.
Toen fluisterde hij in mijn oor: 'Je crois, ma chère, qu'il est temps de découvrir votre surprise.' Dronken van geluk liet ik me meevoeren op de triomftocht van mijn verlangen, door de kleine, pittoreske straatjes achter het marktplein. Hij leek zijn weg hier goed te kennen. We stopten voor de etalage van een boetiek voor lingerie. 'C'est ici. Et si l'on choisissait ensemble, qu'en pensez-vous ? 'Ik meende iets gejaagds in zijn stem te bespeuren, iets onnatuurlijks, en kreeg het plotseling benauwd. Het was of er een mechaniekje in me werd opgewonden dat een draaimolen van gedachten in gang zette, gedachten die allemaal cirkelden om een duister en onheimelijk gevoel. Ik probeerde de intimiteit die tussen ons op zulke korte tijd was ontstaan en waarop ik zelf had aangestuurd, thuis te brengen in het geheel van onze omgang, maar het lukte niet. Tot hiertoe had mijn verlangen Apollo's tedere woordjes en gebaren vlot en onnadenkend aan elkaar geregen, als parels aan de kroon van mijn lang gekoesterde verliefdheid. Nu deed de situatie zich plots voor als een glibberig, niet te vatten raadsel waar men zijn hoofd over breekt. Die ochtend nog had ik zijn brieven getypt als een gewone secretaresse, nu stond ik hier als zijn minnares en moest ik het vanzelfsprekend vinden dat hij mijn ondergoed zou betalen. Ik besefte dat ik aan een grens stond die ik, door op zijn geste in te gaan, definitief zou overschrijden. Aan deze grens gekomen, stokte onze pas de deux, de strijkers maakten bruusk een eind aan het allegro, en in plaats van met een sierlijke sprong een kabbelend andante in te glijden, moest ik de pijnlijke stilte die plots gevallen was, overbruggen in spagaat. Dit alles speelde zich af in enkele fracties van een seconde, terwijl ik met geveinsde verrukking naar het donkere gat van de etalage keek, waarin een menigte van halfnaakte poppen en vrouwen op affiches me aanstaarde met een griezelige, wezenloze blik. Toen ik voelde hoe hij me, met een lichte druk van zijn hand tegen mijn rug, over de drempel loodste, rukte mijn weifelende onbehaaglijkheid zijn masker af en stond ik oog in oog met de vijand: mijn aloude, welbekende angst. Tegelijkertijd werd ik razend op mezelf: al die tijd had ik toegewerkt naar dit moment en nu het zover was, ging een stemmetje in me smeken om op de vlucht te gaan. Mijn woedende verlangen en mijn angst hadden me echter in de tang genomen en vastgenageld aan de zijde van Apollo, die de winkeldame begroette. Aan die begroeting was iets wat mijn angst nog deed toenemen. Ik had de indruk dat hij voor haar geen onbekende was. Ze deed net iets te familiair, zoals men enkel doet bij vaste klanten. Bovendien had haar hele houding iets vals en medeplichtigs, iets pervers zelfs, wat me deed denken aan een Madame in een bordeel die haar hoertjes aanbiedt aan de klant in het tenue van zijn voorkeur. Ze vroeg me wat ik had gewenst, of ik iets bepaalds in gedachten had, maar ik kon geen woord meer uitbrengen en haalde mijn schouders op als een verlegen kind. Met een spottende uitdrukking op haar gezicht ging ze met hem verder in het Frans. Ze maakten een paar opmerkingen over mij, in de derde persoon, alsof ik er zelf niet bijstond. Toen dook ze een lintmeter op van achter haar toonbank, die ze ontrolde als een serpentine rond mijn borsten en mijn heupen. Op aanwijzen van Apollo nam ze een kapstok met een doorzichtige beha en een minuscule slip van zwart, opengewerkt kant, met aan de achterzijde een van die koordjes die in de bilnaad kruipen. Ik verdween in het pashokje, waar ik me werktuiglijk begon uit te kleden, ingespannen luisterend naar de gedempte stemmen van de twee silhouetten achter het gordijn. Ik hoorde haar zeggen: 'Je vois que vous en êtes aux centaures. Sans indiscrétion: est-ce passager?' waarbij ze met haar handen in het verlengde van haar eigen lichaam de denkbeeldige contouren schetste van een groteske boezem en een reusachtig bekken. Hij antwoordde: 'Je reconnais en effet son hippisme, ce qui cependant n'est pas sans déplaire à un certain membre de mon corps, enclin au même phénomène. Et puis, vous savez, l'urgence vous rend clément.' Samen proestten ze het uit. Alle bloed trok weg uit mijn gezicht. Mijn voorgevoel had me dus niet bedrogen: dit was de plek waar hij zijn slachtoffers naartoe bracht, en zij hielp hem ze in zijn web te verstrikken. Ik stond inmiddels al in mijn nieuwe lingerie en probeerde al mijn moed bijeen te rapen om zo snel ik kon te ontsnappen. Maar dan zag ik zijn silhouet mijn richting uitkomen. Ik schoot in paniek. Mijn hart bonsde in mijn keel en ik hapte naar adem. Hij stak zijn hoofd door het gordijn en trof me aan, voorovergebogen, volledig verstard als een van de poppen uit de etalage, met mijn rok stijf tegen mijn middel aangedrukt. Hij bekeek me van kop tot teen met een monsterende, ondraaglijke blik: 'Bon Dieu, cette pudibonderie flamande! Alors, ma chérie, ça te plaît? A moi si.' Ik knikte van ja. Hij liep terug naar de toonbank en ik kleedde me aan, zo goed en zo kwaad als het lukte. Hij betaalde, gaf een steelse knipoog aan de verkoopster en nam me terug bij de arm, ditmaal in een stevige greep: 'Viens ma petite libertine. Entamons le dernier chapitre de ton anniversaire.' Het slothoofdstuk speelde zich af in een chic hotel in de buurt, waar hij blijkbaar van tevoren een kamer had besproken. Wat er boven gebeurde, beleefde ik in een toestand van 'uittreding', vanwaar ik hem op mijn lichaam zag tekeergaan. Ik zag hoe ik mezelf eerst nog probeerde te verzetten. Hij werd woedend, schreeuwde iets in de trant van: 'Bijna twee jaar lang sta je met je kont te draaien, en nu ga je moeilijk doen.' Toen stond ik in mijn nieuwe ondergoed. Hij blinddoekte me met zijn das. Hij zette me op bed, op mijn handen en knieën. Ik was naakt. Hij drong in me binnen. Een scherpe pijnsteek. Dan voelde ik niets meer. Hij siste me dingen toe in het Frans, ik verzon scheldwoorden. Hij slaakte een lange zucht, zweeg en viel in slaap. Ik keerde terug tot mezelf, kleedde me aan en verliet de kamer.
De volgende dag op kantoor deed hij of er niets gebeurd was. Ik probeerde mijn rol van secretaresse te hervatten, ditmaal echter in een gewone jurk zoals voorheen. Mijn maatpakjes had ik allemaal verscheurd, samen met de dure chemisiers. Korte tijd later kwam de aankondiging dat ze hem weer zouden overplaatsen naar Parijs. Hij ging terug naar zijn vrouw, naar zijn kinderen, naar zijn gewone leven. Ik kon niet meer werken en nam een maand vakantie. Toen ik terugkwam, zat de nieuwe directeur al op zijn stoel. Aan de muur bij de lift las ik het bericht dat Apollo dood was. Een collega kwam bij me staan en lichtte toe: 'Een louche zaak. Bij zijn thuiskomst wachtte hem een pakje met een brief, opgestuurd door de Galeries Lafayette. Volgens de brief was hij uit hun klantenbestand geloot en kreeg hij een paar leren rijhandschoenen. De volgende avond werd hij dood aangetroffen in zijn auto, in een zijstraatje van de Rue St. Denis. Doodsoorzaak: een hartaderverlamming. Bij de autopsie heeft men sporen van strychnine in zijn bloed gevonden, genoeg om een paard mee te vellen. Ze vonden het goedje op zijn duim. De handschoenen waren spoorloos, net zoals zijn trouwring, terwijl er verder niets gestolen was. De directie van Lafayette weet van niks. Een getuige beweert een prostituee te hebben gezien bij zijn wagen. Die hebben ze natuurlijk niet gevonden.' Hij haalde zijn schouders op en vervolgde: 'Ach ja, hoge bomen vangen veel wind, zeggen ze. En eerlijk gezegd, ik ben maar wat blij dat we van hem af zijn. Zo'n mierenneuker. Ha, ik zie hem al, ons nette heertje met zijn rijhandschoentjes door de Rue St. Denis, stel je voor. Dat hij een smeerlapje was, dat had ik meteen al door. Maar dat hij zijn pleziertje ging zoeken in zo'n kleffe buurt, dat verbaasde me wel.' Mij verbaasde niets, ik had de tekenen begrepen.

© Frédéric Brugman