


|
 |
De laatste woorden
3de prijs verhalenwedstrijd 2002
Thomas Blondeau
'La tentation la plus dangereuse: ne ressembler à
rien'.
Albert Camus
Janic
Versluis, die de gewoonte had aan zijn vingers te ruiken wanneer hij van de wc kwam of
overspelige seks had gehad, rook aan zijn vingers toen hij terugkwam van mevrouw
Verschoten en schrok omdat hij nog wat zilt rook, zag daardoor Lenya niet en overreed
haar. Door de schok was zijn bril afgegleden en het duurde even voor Janic Versluis het
geluid van de botsing kon duiden. Lenya had voordat ze tussen de twee geparkeerde auto's
glipte, op twee hoog de deur dichtgegooid van de kamer van haar charmante maar indolente
vriend die filosofie studeerde, maar over het algemeen lang in bed lag en jaloers was op
het leven van Lenya. De duffe geur van zijn kamer en de jaloezie die in hem zeurde als een
maagzweer bezorgden haar de daadkracht om hem te dumpen.
Hij had een paar cd's van haar geleend en Lenya, die wanhopig op zoek was naar een reden
om ruzie te maken, had hem er (valselijk) van beticht haar zilveren schijfjes te hebben
bekrast. Voor ze de deur dichtgooide, had ze geschreeuwd: 'Blijf van mijn cd's af!' Ze was
de trap afgestampt en had zo de buurvrouw op de eerste verdieping uit haar middagdutje
gewekt. Het was haar vrije dag en meestal sliep ze enkel uurtjes voor haar echtgenoot
thuiskwam. Ze keek naar de klok en omdat het nog een half uur zou duren voor hij zijn
vette reet op de keukenstoel zou planten, besloot ze alvast een groot glas Martini Bianco
te nemen. Ze knipte de tv aan en hoorde zo de doffe knal niet.
De filosofiestudent hoorde de klap, die hem deed denken aan het gooien van kittens op de
naburige boerderij van het huis van zijn ouders. Er liepen altijd katten rond op
boerderijen, zoals bedelaars dat doen op stations of vossen in ruïnes. De naamloze
beesten laten steriliseren of erger nog de pil toedienen, werd beschouwd als een zondige
luxe en dus moest de boer elke lente bij de barstende appelbloesems de kittens tegen de
stalmuur gooien.
Janic Versluis, die zijn bril weer had opgezet, kraakte zijn knokkels. Hij was een dokter
en een leugenaar. Eigenlijk was hij dokter omdat hij leugenaar was. Hij had na drie jaar
zijn studie opgegeven maar kende zestig medicijnen. Die kennis stelde hem in staat genoeg
van zijn patiënten tevreden te stellen en te redden. Veertien van de middelen die hij
kende, waren uit de handel gehaald wegens nutteloos of gevaarlijk, maar de apotheker kon
zijn geschrift amper lezen en gaf daarom verschillende keren kalmeermiddelen. De ziekte
van de patiënten hield dan nog een paar weken aan, maar dat kon ze, constant flauw
glimlachend, niet meer deren.
Zijn functie van geneesheer maakte hem tegelijkertijd aantrekkelijk voor verveelde vrouwen
en gaf hem de mogelijkheid om op verschillende tijden van de dag afwezig te zijn. Maar
toen Lenya's been zijn bumper indeukte, haar schouder de motorkap en ten slotte haar
blondomrande schedel zijn voorruit, werd Janic zenuwachtig. Heel zenuwachtig.
Alles troepte samen. Zijn overspel (zijn vingers roken nog altijd naar mevrouw
Verschoten), zijn valse medicijnherenschap, de vier glazen schnaps die hij bij mevrouw
Verschoten had gedronken (twee over haar borsten en schoot en twee om de smaak te
vergeten), de levenloze Lenya. Ze sloten hem in en wezen hem aan.
De werking van de psyche van een leugenaar:
Het is een wijdverbreide misvatting dat pathologische leugenaars handelen vanuit een
zogenaamde 'achteloosheid'. Deze misvatting komt voort uit twee veronderstellingen. Eén:
leugenaars zijn niet geïnteresseerd in de werkelijkheid.
Twee: leugenaars gaan moedwillig in tegen een moraal die liegen veroordeelt. Hoe juist
deze veronderstellingen ook mogen zijn, de consequentie die eruit getrokken wordt,
ontbeert elke psychologische rechtvaardigingsgrond. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat
leugenaars in grote mate leiden aan paranoia. Net door op iedere slak zout te leggen,
slagen zij erin jarenlang een dubbelleven te leiden. De wetmatigheid is dan ook simpel:
hoe 'succesvoller' de leugenaar, hoe meer verstoord zijn perceptie van de realiteit is.
De pathologie van de zonde, Dr. Oblomov, 1932.
Er liep een hond langs. Hij snoof de geur van Lenya's
bloed. Jaren geleden had Janic Versluis een boek gelezen dat verteld was vanuit het
perspectief van een zwerfhond. Honden kwamen overal en zagen dingen die mensen niet eens
beseften.
Studenten leven in goedkope straten. Geen winkels, geen ouderen die voor het raam zitten.
Janic Versluis besloot met de zekerheid die leugenaars eigen is dat zijn loopbaan hier
niet zou eindigen. Hij keek om zich heen en wist niet of hij wel of niet moest hopen dat
Lenya dood was. Reed weg en knipte de radio aan. Er was een stuk te horen dat geschreven
was ter gelegenheid van de eerste vaderlandse astronaut. Een glissando van piano's
symboliseerde de lift-off, zei de radiopresentator. Janic Versluis, nog altijd huisarts in
functie, probeerde mee te neuriën.
De radiopresentator zette zijn hoofdtelefoon af omdat hij het stuk 'Hogere sferen' niet
langer kon aanhoren. Er werd van staatswege zeer op aangedrongen het te draaien en het
kwam dagelijks zes keer voorbij. Bovendien was het een erg saai stuk. De radiopresentator,
die we voorlopig Benjamin Waterslag zullen noemen, dat is immers zijn huidige naam, de
vorige is veranderd vanwege een familieschandaal - nam een slok FairTrade-koffie. Het
schoteltje was niet goed schoongemaakt en bleef even plakken aan het kopje.
Het viel, rinkelde en brak in twee stukken. Een van de stukken viel op de grond, vlak
naast de stapel afgekeurde demo's die de man die het ochtendprogramma verzorgde, had laten
liggen. Boven op de stapel lag een dun cd-hoesje waar een naaktfoto in zat. Het meisje op
de foto keek naar beneden, waardoor haar blonde haar over haar borsten viel, haar handen
had ze in elkaar gewrongen voor haar buik. Een dun plukje schaamhaar stak net boven de
rand uit. Benjamin Waterslag vergat even het familieschandaal dat hij dag en nacht met
zich meedroeg, realiseerde zich dit meteen en nam het hoesje mee om er zich na het
programma mee af te trekken op de wc.
De jonge maar vadsige filosofiestudent was ondertussen naar beneden gelopen. Hij opende
net de deur toen Janic Versluis' grijze Mercedes om de bocht reed. De slanke maar langzame
student zag Lenya's hoofd naar haar schouder gebogen, meer gebogen dan een nek verdragen
kan. Hij liep naar haar en merkte pas het bloed aan zijn vingers toen de ambulance haar
wegvoerde. Het carillon weerklonk. Het wijsje klonk anders dan gewoonlijk.
Benjamin Waterslag veegde zijn vingers schoon en stak de demo-cd in zijn binnenzak. Hij
voelde zich ontspannen en zag even niet meer op tegen de twee vergaderingen die hij later
die dag nog had. Hij was niet alleen radiopresentator, maar werkte ook voor een
platenfirma die bekend was in binnen- en buitenland. Omdat de radiozender een staatsomroep
was, kon hij beschuldigd worden van belangenverstrengeling en daarom stond hij ook niet op
de loonlijst van de platenfirma. Op de radiovergadering klaagde hij over het vuile
schoteltje. De personeelsmanager verklaarde dat hij er persoonlijk - wees daar maar zeker
van! - op zou toezien dat de verantwoordelijke persoon op haar/zijn gedrag zou worden
aangesproken. Waterslag was al lang blij dat hij wat te melden had op de vergadering. Hij
voelde zijn ballen weer indalen en dacht aan het familieschandaal. Door al zijn kennissen
werd Waterslag beschouwd als een lul van tweede garnituur.
Toen de politie eindelijk klaar was, had de filosofiestudent zo lang zijn tranen ingeslikt
dat hij niet meer kon huilen. Hij ging op zijn bed liggen en bewoog niet tot het donker
werd. Toen ging hij naar de wastafel waar Lenya's borstel nog lag en stak het licht aan.
Hij herkende zijn gezicht niet in de spiegel. Hij friemelde wat haren uit de borstel en
wond die om z'n tong. Hij knipte het licht uit ('Dood', zei Lenya altijd. 'Doe het licht
dood'. Ze kwam uit Polen. Dat merkte je alleen aan haar accent en sommige uitdrukkingen)
en ging naar de telefooncel aan het einde van de straat. Jarenlang had hij gehoopt op en
zelfs gesmeekt om een moment dat zijn levend dramatisch zou maken. Iets waar hij oprecht
om zou kunnen rouwen. Iets wat zijn levend spannend zou maken. Dood, oorlog, reizen. Wat
dan ook.
De echtgenoot van de onderbuurvrouw was toen hij thuiskwam, zo geschrokken van de
zwaailichten dat hij vergat ruzie te maken. Zelfs de waggelende gang en Martini Biancowalm
van zijn vrouw stoorden hem niet. Toen de student langs hun deur kwam, viel het hem niet
op dat er geen geschreeuw klonk.
De schoudervullingen van de directeur van de platenmaatschappij waren zoals altijd
besneeuwd met roos. Iedere beweging die hij maakte, werd onderstreept met een wolk
velletjes. En hij maakte veel bewegingen.
'Roos is afgestorven huid', dacht Benjamin Waterslag en trok het stukje citroen uit de
hals van zijn vierde flesje Corona. De vergaderingen bij de platenfirma waren niet meer
dan borrels om types als Waterslag aan de leiband te houden en de directeur had er dan ook
enorm de zeik in. Hij wist echter ook dat hij rijk geworden was door deze toestanden en
glimlachte daarom terug naar Waterslag. Hij stopte met glimlachen toen Waterslag op hem
afkwam. Als hij maar niet begint over die astronaut.
Hoe gaat het bij de vijand?' De directeur noemde de staatsomroep 'de vijand'. En iedere
keer moest Waterslag om die benaming grinniken. Het gaf enig cachet aan zijn dubbelbaan.
'Zijn gang. Goede muziek is nog altijd een uitzondering. En een goed loon ook', Waterslag
grinnikte weer.
Kon die lul nu eens niet beginnen over zijn twee lonen, dacht de directeur.
'Nog goede bands opgepikt?' vroeg de besneeuwde directeur.
De verwijzing naar zijn job als adviseur, sloeg Waterslag even uit zijn lood. Maar
radiomensen kunnen stiltes goed opvangen. 'Vollullen' heet dat in de vaktaal.
'Ja. Deze', zei Waterslag en haalde de demo boven.
De moeder van de filosofiestudent legde de hoorn op de haak.
'En?' vroeg de vader terwijl hij in zijn oor peuterde.
'Lenya is dood. Overreden.' De dofheid van de stem van haar zoon was op haar gemoed
overgeslagen. Zij was niet zo goed in dit soort situaties. De vader overigens ook niet.
'En hij?'
Een
herinnering
Het was de eerste keer dat Lenya over de vloer kwam. Zijn vader was zo blij dat zijn zoon
geen homo was, dat hij voor het eten al drie gin-tonics had achterovergeslagen. Zijn
moeder had er na vijfentwintig jaar huwelijk een gewoonte van gemaakt haar gevoelens te
onderdrukken. Haar arm deed pijn van het slaan van de mayonaise.
Toen Lenya binnenkwam, voelden de ouders alle twee een vuist ballen in hun darmen. Lenya
was mooier dan de twee vrouwen met wie zijn vader had geslapen. Dat wist de moeder ook,
maar ze weet haar ergernis aan Lenya's neusring en diepe décolleté.
Tijdens het eten zat de vader naast Lenya en de filosofiestudent werd zeer zenuwachtig van
de onuitgesproken woede van zijn moeder.
'En wat wil je later worden? Je doet toch ook niet zo'n mietjesstudie als hij daar?' Lenya
was gewend aan dronken mannen die tegen haar borsten praten.
'Zangeres worden.'
'En kan je daar iets mee verdienen?'
'Als je met de juiste mensen slaapt, wel', zei blonde Lenya.
De student stierf van schaamte. De vader lachte te hard. De pan mossels besprenkeld met
stukjes wortel en bleekselder dampte. Daarachter het hoofd van de moeder. Je moest wel een
enorme kwezel zijn om in die bleke mossels geen berg verrimpelde vulva's te zien.
De volgende dag werd de lancering van de shuttle uitgesteld, besloot Janic Versluis een
paar dagen thuis te blijven, ging de politie langs bij alle garagehouders, draaide
Waterslag zes keer 'Hogere sferen' en twee keer 'een veelbelovend nieuw nummer', viel de
gespannen doch verdoofde filosofiestudent eindelijk in slaap en ontving de
personeelsmanager van de staatsomroep een bericht dat er bezuinigd moest worden.
Het 'Voorwaarts'-ruimteprogramma slokte zoveel geld op dat de regering moest besparen.
Maar omdat de kritiek op 'Voorwaarts' de laatste maanden almaar luider begon te klinken,
werd besloten de bezuinigen langzaam en gespreid door te voeren. Het budget van de
schoonmakers van alle staatsinstellingen werd met een derde verminderd. De oudste
schoonmaakster had de dag voordien een dag vrij en kreeg van haar collega's de schuld van
het vuile schoteltje. Toen ze haar ontslagbrief ontving, spuugde ze op de grond en zei
iets in haar moedertaal. Ze was die avond zo dronken dat ze vergat eten te maken voor haar
man.
Een verdieping hoger werd de student wakker van het geruzie. Het was al donker. Hij had na
het telefoontje naar zijn ouders de hele nacht gewandeld en gekeken naar de zwervers en
hun honden. Hij had absoluut geen enkele gedachte gehad. Hij knipte het licht weer aan en
herkende zijn gezicht nog altijd niet. Eindelijk had hij de dramatiek gevonden die zijn
leven bijzonder zou maken. En nu hij een reden had om zich altijd in het zwart te kleden,
wist hij niet welk hemd aan te trekken. Binnen een week was de begrafenis en hij zou het
woord moeten voeren. Hij zou een toonbeeld van rouw moeten zijn. Wat de fuck zou hij
moeten zeggen?
Zijn hele leven had hij in zijn hoofd grafredes zitten maken bij alle denkbeeldige
begrafenissen van familieleden. Zodra zijn ouders langer dan een paar uur wegbleven,
hoopte hij dat ze iets overkomen was. Met een licht verontrust gelaat zou hij dan de deur
openen voor de politie. Hen wat te drinken aanbieden, wat ze zouden afslaan. Wat hij zou
dragen tijdens de begrafenismis, wat hij zou zeggen.
De lijkrede voor de vader:
(zwart pak, geen das)
'Neen, ik wil je niet heilig verklaren, geen eenzijdige lofzang op je afsteken. Ik wil het
hier niet over jou hebben. Ik wil het over mij hebben maar vooral over ons. (pauze) Een
kind moet zijn ouders begraven. Zo hoort het. Maar dat hoort te gebeuren na een lang
leven. Na een leven vol lessen van wijsheid. Nadat ik je je kleinkinderen had laten zien.
En na lange, lange gesprekken. Papa, we begonnen pas te praten. En ik, ik leerde voor het
eerst sinds lange tijd weer naar je te luisteren. Nu kan dat niet meer. Ik had je nog
zoveel willen laten zien. Nu kan ik het je enkel maar beloven. Maar dat doe ik nu ook,
voor iedereen hier. Papa, je zal trots op me kunnen zijn. Ooit vroeg je me of ik na je
dood nog aan je zou denken. Papa, ik kan je maar zeggen dat ik daar al heel veel in
geoefend heb.'
(Geen gesmoorde snik. Wandel plechtig, nee, statig terug naar mijn stoel. Een paar mensen
onderdrukken de neiging om te klappen.)
Op die begrafenis, die maar hardnekkig weigerde te gebeuren, was hij voorbereid. Niet op
die van de zachtborstige, uitgerekte Lenya. Haar warme armen en borsten. Haar smaak. Haar
blonde haar. Haar gekke accent. Wat de fuck waren haar laatste woorden? 'Maak geen krassen
op mijn cd's'? Had ze het uitgemaakt of niet? Was ze onderweg naar buiten nog iemand
tegengekomen? Voor het eerst sinds het ongeluk begon de mooie doch vadsige
filosofiestudent te huilen.
De enige die de laatste woorden van Lenya had kunnen horen, was Janic Versluis. Maar Lenya
was het laatste waaraan hij dacht. Door een leven van leugens en ontwijken had hij geleerd
zijn zenuwen te kalmeren met een aantal eenvoudige mantra's. 'Het zal niet zo zijn.' 'Het
zal niet zo zijn.' Hij had hierdoor goed geslapen en op het moment dat Lenya's lijk
gewassen werd, besloot hij geen huisbezoeken meer te doen bij mevrouw Verschoten. Haar
linkeroogkas was het moeilijkst te retoucheren, de lijkenwasser moest zich inhouden om
zijn lippen niet op die van Lenya te drukken. Janics vrouw werd steeds onrustiger van het
plotse thuisblijven van haar man en zei dat het huishouden haar te zwaar werd. Op tv werd
het interview met de astronaut onderbroken voor reclame.
'Stomheid' door Me & The Loneliness
Je was met stomheid geslagen
toen je me vroeg
en ik je niet meer kon dragen
ik fouten op tafel legde
als bloemen op een graf
en jij zei dat je niet van me hield
maar wel om me gaf
't Is geen tijd om te praten
over het verdiende loon
ik zend je dit op verpakt in de vlag
van het land waar ik woon
nu ik soms aan het vergeten sla
en naar je minnares gis
ik je niet opbel
en zeg dat ik je mis
(Hier begint de zangeres te schreeuwen in een vreemde taal. De muziek wordt steeds
dreigender en eindigt in totale kakofonie.)
De volgende ochtend werd besloten de lancering uit te stellen voor onbestemde duur. De
onderbuurvrouw nam haar bruine paraplu uit de bruine paraplubak en vertrok. Sommigen
denken dat ze teruggegaan is naar haar thuisland. Toen ze langs het briefje
'Schoonmaakster gezocht' liep dat een huisartsenpraktijk achter het raam had geplaatst,
sneed de steeds zenuwachtiger wordende maar goedogende filosofiestudent zich bij het
scheren. Toen het bloed over zijn gezicht liep, herkende hij zijn gezicht. Het carillon
liet een wijsje horen dat gebaseerd was op het hitnummer 'Hogere sferen'. Hij zakte op
zijn knieën.
Benjamin Waterslag keek tevreden over de besneeuwde schouders van zijn directeur naar
buiten.
Toen bekend werd dat de zangeres van Me & The Loneliness gestorven was, een dag voor
het nummer airplay kreeg, werd het een hit en verdreef het 'Hogere sferen' van de eerste
plaats van de toptien. De toch al onderbemande politie besloot te stoppen met het
onderzoek en richtte zich op de plotse sterfte onder bejaarden. De onzekere doch charmante
filosofiestudent mocht in het programma van Benjamin Waterslag zijn verhaal komen doen. In
de daaropvolgende maanden werd hij veelvuldig geïnterviewd en had hij eindelijk de
dramatiek in zijn leven waarnaar hij zo verlangd had. Hij stileerde zorgvuldig zijn
pathetiek door zwarte rolkraagtruien te dragen en Camus te citeren. Voor hij in de
anonimiteit verdween, haalde hij nog een bescheiden literair succes door zijn relatie met
Lenya op papier te zetten onder de titel 'Lenya, me & the loneliness'. Kort daarna
stopte hij met studeren.
|
|