Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Nigel McLoughlin
(vertaling Lut Teck & Griet Vercruysse )
(Engelse tekst / English Text)


Lijnen
voor James McLoughlin


I

De lijnen werden opgerold
In bakken, in yards uitgemeten,
Elke haak opnieuw onderzocht,
De lijn strak tussen borstbeen en vuist,
Vloekend op de prik van een verdwaalde haak.

De lijnen werden vroeg gelicht, laat uitgezet.
En tussendoor, in razend tempo, netten boeten,
Lijnen checken, aas hangen aan de haken en
Tonnen voeren naar de kaaskop om ze te laten wegen.
Gebakken paling op ons bord, nog kronkelend in de pan.


II

In de boot van mijn oom lagen lijnen met palingen
Te lillen in een afgedankte olieton.
Ooit viel ik bij het legen van de kuip,
Schreeuwend onder de slijmerige brij
En viste daarna enkel nog op snoek.


III

De kleine visjes droeg ik mee naar huis,
Mijn wijsvinger en duim gedrukt in beide ogen,
Rond mijn middelvinger zaten de grote vissen
Onder de laatste kieuw, klaar om ze schoon te maken,
Om ze te villen en te bakken.

Ik hield de kaken van de grootste als trofee,
Kookte en bleekte ze. Mijn vingers waren overal gesneden
Door de kieuwen van een nog spartelende vis.
Zo ging het door de hele zomer lang,
Ver uit het zicht van flikken en van waterratten.


IV

Elke moordenaar werd uit de halmen van het riet
Verleid door levend aas. Laten zakken en weer optrekken,
In de lange strijd tot de totale overgave aan lijnen
Zonder onderlijn. Mijn schepnet kletste
Als een koude natte dweil op de betonnen pier.


V

Van de echte vissers op Lough Erne
Konden er slechts enkelen zwemmen, en niemand
Die het waagde om te vissen op pinksterdag.
Het meer eist elk jaar drie levens,
Wordt er beweerd, een offer aan

Een lang vergeten god
Die woont op twee mijl van de kust vandaan,
In de diepte van Broad Lough,
Waar er geen licht meer is en het vislood
Nooit de bodem raakt.

Zelfs ik die ooit op zoveel pieren heb gestaan,
En lijnen gooide waar ik niet wilde gaan,
Snoek ving uit vrees voor paling,
Zelfs ik bleef weg op pinksterdag
Uit eerbied en uit vrees voor een fatale val.


VI

Ooit zag ik een paling kruipen over land,
Kronkelend als een slang, als een
Vastberaden spier op weg naar water. Zelfs
Zonder kop spartelen ze nog urenlang,
En wie zijn vinger in de strot steekt,
Voelt het binnenin zuigen
Tot in de ingewanden.


VII

De vissers zeggen dat het een zachte dood is,
Maar dat zijn leugens, woorden van troost
Voor de dierbaren bij het gezwollen lijk, verminkt
Door de sluizen of de mazen van het net,
De mond wijd open

In een versmoorde schreeuw, de handen vol met
Gras en wier, de vingers zo verkrampt
Dat je ze moet breken om het los te maken.
Ze zeggen dat je in drie keer verdrinkt, dat je
Drie kansen hebt om, snakkend naar adem en in doodsstrijd,

Het touw vast te grijpen en je aan land te laten slepen.
Drie keer en dan zuigt het water de droom op
En vloeit alle denken weg.
Drie keer en dan is alles water,
Je ogen wijd open en koud , als van een snoek.


VIII

Ik leerde zwemmen
Toen ik met vissen stopte,
Liet mijn zingende hengel staan,
Liet mijn vislijn rotten.

Maar toch kon ik het meer,
Het water niet verlaten,
Als een verloren zoon ging ik terug
Naar haar, toen zij mij riep.

Ik bleef nooit lang weg. Er is
Een band van bloed die trekt
Aan mij: zoveel voorouders
Dood door verdrinking.


IX

Nu meet ik mijn lijnen met een nieuwe maat,
Niet de yard, ik rol ze nog altijd
In bakken en kijk de haken na.
Ik werp ze uit van kust tot kust, heb de loodjes
En de dobbers uit elkaar gehaald, ik zet
Mijn lijnen uit en vis in dieper water.

© Nigel McLoughlin, © vertaling Lut Teck & Griet Vercruysse