Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Tijgersporen

Uit: Huancheng 99.5

Shaoyi Zhou
(vertaling Jeanne Boden)


In september is het weer erg wisselvallig. Mensen breken zich het hoofd over het al dan niet meenemen van een paraplu. Het weerbericht is slechts een onbetrouwbare voorspelling. Het dragen van een paraplu wordt een dilemma. In deze regio komen hoofdzakelijk vier soorten weer voor: helder, regen, bewolkt, gedeeltelijk bewolkt gedeeltelijk helder. Het is helemaal niet zo ingewikkeld als het weerbericht wil laten uitschijnen. Dit jaar is september nog monotoner, enkel regen en helder weer blijven nog over. Stel dat er ’s nachts net een goede regenbui uit de hemel is gevallen, 's ochtends hangt de zon alweer aan de hemel, alsof ze keurig frisgewassen is. Die zon geeft makkelijk de illusie dat de schaduwen en de schijnvertoningen in de wereld niet bestaan. Het leven lijkt soms echt op een sprookje.
Desondanks begint de telefoon omstreeks tien uur in de ochtend abrupt te rinkelen. Omdat er niet meteen wordt opgenomen, blijft het toestel het slepende gerinkel noodgedwongen herhalen. Pas wanneer het geschal op de zenuwen begint te werken en het toestel dreigt te zwijgen, strekt iemand, die er als een telefonist uitziet, zijn gemanicuurde hand uit en neemt op. Ietwat lusteloos houdt hij de hoorn op een afstand van zijn oor om de geluidsgolven beter op te vangen. Eerst hoort hij gemompel, waarop hij met een zuinig en onverschillig gemurmel reageert. Uiteindelijk vraagt hij, wat? wat? Spreek een beetje duidelijker! Het geruis in de hoorn houdt op en een heldere stem weerklinkt: op het strand in het Derde District zijn tijgersporen ontdekt. De telefonist schrikt, maar meteen is hij misnoegd over zijn onzinnige verbazing – al jaren heeft niets hem kunnen verwonderen. Tijgersporen? Onmogelijk, besluit hij vastberaden, hoe kan hier een tijger voorkomen? Jullie hebben het vast niet goed gezien. Hij wil er geen woorden aan verspillen. Met een vertrouwd gebaar brengt hij zijn hand naar beneden, de hoorn valt met een klik op het toestel. Daarop is alles muisstil. Dit onbetrouwbare bericht is absurd, een angstaanjagende woeste tijger daar op het uitgestrekte strand, dat gelooft toch geen mens. Zoiets heeft hij nog nooit gehoord. De telefonist weet dat er wel eens wilde konijnen opduiken. Terwijl ze over het grote strand rennen, worden de vliegensvlugge beestjes door mensen met geweren achternagezeten. Na de jacht bieden de jagers hun gasten heerlijk roodgekookt konijnenvlees aan. De overlevende wilde konijnen worden steeds banger, hun voornaamste bezigheid is zich verstoppen en zich vermommen. ‘Het sluwe konijn heeft drie holletjes’, daar zijn ze erg bedreven in. Hoe zou er nu een gigantisch katachtig zoogdier kunnen opduiken op een strand waar zelfs een wild konijn geen bescherming vindt? Terwijl de telefonist dit alles overweegt wordt hij woedend. Hij is ervan overtuigd dat het bericht een misplaatste grap is van een of andere zelfingenomen idioot die met het rondstrooien van valse geruchten de verveling tracht te verjagen. Hij herinnert zich duidelijk een voorval van enkele jaren geleden. Een overste telefoneerde naar de werkeenheid onder hem. De telefoon werd door een chauffeur opgenomen die de stem van de baas onmogelijk kon herkennen. Met wie spreek ik, vroeg de baas formeel. Zich van niets bewust vroeg de chauffeur op zijn beurt met wie hij sprak. Als twee troepen die elkaar in het donker tegen het lijf lopen, wilde niemand als eerste zijn positie en naam prijsgeven. Na langdurige felle tegenstand informeerde de baas nog grimmiger naar de tegenpartij. De chauffeur kon zich niet langer beheersen en snauwde, ik ben je vader! De telefoon bleef daarop doodstil, als de onmetelijke stilte na een bloedstollend gevecht. Nadien kwam de overste de naam van de chauffeur te weten. De chauffeur vernam dat hij zich had uitgegeven voor de vader van de baas. Hij stelde alles in het werk om het weer goed te maken en zijn vergissing recht te zetten. De baas gaf hem geen kans. De goede auto van de chauffeur werd ingewisseld voor een versleten kar, daarna was er zelfs geen versleten kar meer. De overvloed aan bonussen bij zijn salaris werd ingehouden, enkel het basisloon bleef, tot hij uiteindelijk zo goed als werkloos werd. Overmand door wroeging en schaamte leerde de chauffeur de ware betekenis van een dure les. De telefonist herinnert zich het voorval helder, hij kucht even en rekt zijn ietwat verstijfde lende uit. Als hij ooit baas is, denkt hij, zal hij nooit zulke domme dingen doen, hij zal beslist als eerste zijn naam meedelen, zodat de tegenpartij meteen zijn ondergeschikte positie zal kennen.
De telefoon begint opnieuw driftig te rinkelen. Deze keer laat hij de bel meer dan tien keer overgaan, tot hij vindt dat de tegenpartij genoeg geduld heeft geoefend en neemt dan rustig op. Zijn woorden, manier van praten, zijn toon en inhoud, identiek aan de vorige keer, lijken slechts een monotone herhaling. De stem uit de hoorn klinkt daarentegen uiterst alarmerend, terwijl die nogmaals aankondigt: op het strand in het Derde District zijn tijgersporen ontdekt! De telefonist heeft veel zin om aan de man die belt een verhaal te vertellen, een verhaal over een chauffeur. Maar hij vertelt het niet, van vele verhalen kan immers enkel de protagonist de diepere betekenis begrijpen. Bovendien vertelt hij geen verhalen aan de telefoon. Ik weet het al. Op een nog slomere toon vervolgt hij, doe wat je wil, maar val een ander niet lastig.
Hij legt neer, denkt even na, neemt daarop de hoorn van een ander toestel en kiest bedachtzaam een nummer. Zodra de verbinding totstandkomt, wordt zijn stem honingzoet en melodisch als een lied. Hoewel hij zich volkomen toelegt op het gesprek, is hij toch verrukt over zijn vleiende stem.
Wilt u zelf een kijkje gaan nemen? vraagt hij, dat bewonder ik ten zeerste, ik regel het meteen voor u.
Tien minuten later stopt een ‘Woestijnprins’ op het strand. De waardigheid van de ‘Woestijnprins’ steekt schril af tegen het desolate strand. De zonnestralen schijnen als een gigantische waterval schuin naar beneden, waardoor alles op het strand zijn ware gelaat onthult. In de holtes en op de uitsteeksels wedijveren fijne schaduwplekjes met het licht. Het enorme strand strekt zich uit tot aan zee. Naar het schijnt lag dit gebied niet zo lang geleden nog onder water en kwam de zee tot hier. Volgens sommigen wordt de zee steeds kleiner; als een schrikbarende agressor dringt de mens zich aan de oceaan op. Op het grenzeloze strand staan, op regelmatige afstand van elkaar, oerstevige betonnen gebouwtjes, elk lijkt een replica van het voorgaande. Het zijn bewoonbare gebouwen, talloze meisjes brengen er hun dagen door om allerlei geheime zaken te berekenen. Er wordt gezegd dat ze de luchtconcentratie, -vochtigheid, -toxiciteit, -zuiverheid bepalen. Anderen beweren dan weer dat ze ondergrondse observaties doen, omdat ze vaak met hun oor aan de grond aandachtig luisteren. Het grootste deel van de tijd lopen ze langs het eentonige pad heen en weer. Een portier van de ‘Woestijnprins’ slaat open. De telefonist springt uit de auto, opent vervolgens de andere autodeur en buigt terwijl de andere inzittenden een voor een uitstappen. Daarop zegt hij tegen de chauffeur, wacht hier. Het gezelschap zet zich in beweging, de telefonist volgt achteraan. De persoon voorop heeft een rozig gezicht en pikzwart haar, de rimpels op zijn gezicht zijn nu eens zichtbaar dan weer niet, waardoor zijn leeftijd onmogelijk te schatten is. Daarnet bij het uitstappen had hij even stilgestaan en de ogen dichtgeknepen, als door felle zonnestralen verblind. Hij had zelfs zijn hand in een afschermend gebaar opgestoken. Al gauw wenden zijn ogen aan het zonlicht dat helemaal niet fel is en nu ziet hij weer even goed als voorheen. Met de handen op de rug draait hij langzaam zijn brede hoofd en speurt over de zandvlakte. Met één blik overziet hij het strand. Op enige afstand bevindt zich een dicht Shoreabos, even eindeloos als het strand. De meer dan manshoge Shorea's groeien dicht op elkaar met daartussen dikke wilde rietstengels. Daardoor blijft de werkelijke aard van het woud verborgen. Zelfs de felle zonnestralen geven niet prijs wat er in het bos, waarover een sluier van mysterie hangt, schuilgaat. Boven het geboomte lijkt een ijle mist op te stijgen.
Op het naakte strand springt één plek in het oog. Er is met witte kalk een grote cirkel getrokken, als bij een ongeluk. Vanzelfsprekend bevinden zich daar de ontdekte tijgersporen. Op weg naar de cirkel, versnelt de telefonist zijn pas om de man vooraan in te halen en hem iets toe te fluisteren. Hij spreekt de man aan met manager Li.
Bij de cirkel stopt de man die als manager Li wordt aangesproken. Ietwat nieuwsgierig en ongeduldig bekijkt hij het geheel. Het strand waarop het 's nachts nog heeft geregend, is erg poreus en door de zonnestralen is een deel van de zandkorrels al opgedroogd. Op een vlak gedeelte van het strand staan twee gigantische, merkwaardige sporen die op het eerste gezicht door een vreemd wild dier zijn achtergelaten. Ze kunnen inderdaad voor klauwensporen aangezien worden. De nieuwsgierigheid op het gezicht van manager Li maakt plaats voor twijfel, daarna voor kalmte. Onverschillig oppert hij een vraag. Waaraan zien jullie dat het tijgersporen zijn? De anderen kijken elkaar aan, met stomheid geslagen. Uiteraard heeft niemand van hen ooit tijgersporen gezien of bestudeerd. Juist, inderdaad, stemmen ze met elkaar in, kunnen ze van een ander wild dier zijn? Plotseling zegt de telefonist, het is toch simpel, ik haal de persoon die gebeld heeft erbij, we vragen het aan hem. Als de weerlicht is hij verdwenen. Wanneer hij opnieuw verschijnt, is hij vergezeld door een man in een vaalblauw jasje en onhandige handschoenen die niet bij de tijd van het jaar passen. De man doet alle moeite om ze uit te trekken, wanneer hij daar na herhaaldelijk proberen niet in slaagt, staakt hij zijn pogingen. Enigszins nerveus herhaalt hij steeds opnieuw, aanvankelijk kon ik me niet voorstellen dat het een tijger was, er is hier al jaren geen tijger te bespeuren. Manager Li luistert maar met een half oor, terwijl hij bedenkelijk naar de twee sporen kijkt. De man stottert, toen ik de sporen ontdekte, riepen we onmiddellijk iedereen bijeen. Eerst dachten we aan een wolf of een vos, maar sporen van een wolf of een vos zijn niet zo groot. Toen dachten we aan een leeuw of een panter, maar hun sporen zijn dan weer niet zo klein. De man wordt steeds zelfzekerder en besluit, uiteindelijk, nadat we ieders mening hadden gehoord en afgewogen, waren we het er unaniem over eens dat het een tijger moest zijn. Alleen een tijger is stoutmoedig genoeg om tot hier te komen. Manager Li lacht luidop en zegt, het moet wel een ongelooflijk moedige tijger zijn. Hij werpt een blik naar de omstaanders en stelt weer een vraag. Stel dat het een tijger is, waar is die dan nu? Alsof afgesproken kijkt iedereen tegelijk in de richting van het Shoreabos, dat plotseling erg bedreigend lijkt. Misschien verschuilt de tijger zich in het onvoorspelbare bos. Sommigen horen zelfs een gehijg, een zwaar zuchten van een beest dat niets of niemand ontziet.
Manager Li stapt luchthartig in de auto. De telefonist vermoedt dat deze kwestie niet meer is dan een verademing voor de drukbezette man, niet meer dan een roddel bij een theekransje. Voor manager Li instapt, werpt hij een blik op het bos en zegt tegen de inzittenden, een leuk bos, indien we op de volgende vergadering tot een akkoord kunnen komen, wordt dat bos het belangrijkste beschermd gebied van de regio.
De ‘Woestijnprins’ verdwijnt zacht. Op het strand blijven twee brede wielsporen en verwarde voetsporen achter. De vreemde diersporen in de kalkcirkel worden steeds duidelijker. In vergelijking met de wanstaltige voetsporen buiten de cirkel lijken de onbekende diersporen op een houtgravure, krachtig en energiek, een feest voor het oog.

's Avonds wil hij vrij zijn van sociale verplichtingen, daarom eet hij altijd thuis. Zijn vrouw kookt voor hem rijstepap van Thaise rijst, opgediend met rode bonen, groene sojabonen, Jiangbonen, gele sojabonen, pindanoten, walnoten, amandelen en sesamzaad. Na één kom warmt zijn binnenste al op en parelen zweetdruppels op zijn voorhoofd. Daarna geniet hij van een granenbroodje met gepekelde groenten van dezelfde excellente kwaliteit als die waarmee in vroegere tijden tribuut kon worden betaald. Na het eten kijkt hij tv. Uit de rechtstreekse nieuwsuitzending pikt hij de actuele werkpunten om zo allerlei situaties het hoofd te kunnen bieden en gelijke tred te houden met de anderen. Na het weerbericht voor morgen trekt hij vliegensvlug zijn sportschoenen aan en gaat de deur uit om de talloze mensen en zaken te ontlopen. Vroeger hield hij er niet van om buiten te gaan en werd hij vaak het onontkoombare mikpunt van allerlei gasten die zijn gunsten kwamen afsmeken met geschenken. Op een dag vond hij een fantastische oplossing: hij ging wandelen, in zijn eentje, en liet zijn vrouw de wensen en verlangens van de bezoekers afhandelen.
In het begin ging hij naar een park en trachtte tussen de menigte wandelaars te verdwijnen. Al gauw herkende iemand hem, groette hem hartelijk, en vergezelde hem de hele weg. De overdreven hartelijkheid en interesse bezorgden hem een onbehaaglijk gevoel. Zo putte een wandeling hem nog meer uit. Daarop zocht hij naar plekken waar hij niemand tegenkwam, donkere plekken zonder straatverlichting, om tot rust te komen en naar hartelust zijn gedachten de vrije loop te laten. Op die momenten kwamen zijn gedachten in perfecte harmonie met de duisternis, onpeilbaar diep. Later liet hij de bewoonde wijken en de onverlichte plekken achter zich en ging hij naar het grote strand. Daar vond hij zijn lievelingsplek. Het strand is zacht, uitgestrekt, onbeperkt. Op de eindeloze vlakte rent hij in het rond. Wanneer hij moe is gaat hij liggen. Hij draait een rad, leert lopen als een vrouw, vloekt en scheldt nu eens en schatert het dan weer uit. Niemand hoort hem, niemand ziet hem. Op een keer humt hij enkele zinnen, gesticulerend en dansend en is verwonderd dat hij zelfs Peking Opera kan zingen.
Dag na dag heeft hij het gevoel dat zijn lichaam een toneelattribuut is, door anderen heen en weer gesleurd. Hij brengt zijn dagen door van de ene kamer in de andere, alle kamers zijn identiek, alsof het steeds dezelfde kamer is. In die kamers speelt hij een spel dat vergaderen heet, daarin vertolkt hij soms de rol van spreker, andere keren van luisteraar. Aanvankelijk was hij een en al ernst. Wanneer hij aan het woord was, was hij begaan met het feit of zijn toehoorders hem begrepen. Wanneer hij iemand in het publiek zag slapen werd hij woedend in zijn binnenste. Tot hij later zelf in het publiek voor het podium zat en door slaap overmand indommelde. Daarop werd hij niet meer boos. Hij ontwikkelde zelfs een afkeer voor de mensen die met grote ogen aandachtig zitten te luisteren. Volgens hem zijn zij er slechts op uit om zijn zwakke plekken te ontdekken en argumenten te vinden voor kritiek. Zodra er ergens één zinnetje niet klopt, zijn ze als de weerlicht klaar om alles in hun schriftjes neer te pennen om dat dan later op een andere plek aan anderen voor te lezen. Met de tijd heeft hij zich geoefend om niet meer zijn eigen mening te verkondigen. Enkel wat door een of meerdere andere personen is neergeschreven wil hij vertellen, aflezen van zijn blad, zonder tekst weet hij niet wat te zeggen. Wanneer hij voor het podium tussen de toehoorders zit, dringt het allemaal tot hem door. Je kan slapen en snurken, je mag niet luidop dromen en je moet op de cruciale momenten ontwaken om de kerngedachte van de spreker te registreren. Bij elk spel komen belangrijke dingen aan bod, al is het slechts een fractie van wat wordt verteld. Daarover moet je dan nadenken, piekeren, er conclusies uit trekken, de essentie ervan inzien, je eigen schranderheid inzetten, grondig analyseren en onderzoeken, om pas daarna het juiste oordeel te vormen, tot eigen acties over te gaan en elk nieuw spel te winnen. Door langdurige oefening op het podium en voor het podium heeft hij ten volle begrepen dat dit spel een soort van mentale competitie is. Velen worden verslagen door vergissingen tijdens de krachtmeting. Toch duikt het gevoel een emotieloos rekwisiet te zijn weer op zodra hij thuiskomt. Zelfs in zijn eigen huis blijft het waanidee hem achtervolgen. Hoe kan hij ontkomen aan die identieke kamers? Ze zijn zo solide en degelijk.
Op het stille verlaten strand beleeft hij plezier met zingen, dansen, zakdoek leggen, tikkertje spelen. Hij zingt de opwindendste volksliedjes van zijn geboortedorp en populaire chansons. Hij beeldt zich in dat hij een mooi meisje als danspartner heeft, hij omhelst haar innig, met zijn tweeën dansen ze naar hartelust. Op een keer danst hij zelfs een poos alleen. In de maanverlichte nachten herinnert hij zich lang vergeten gedichten uit de Tangdynastie, waarop hij ze luid en helder begint te declameren, overtuigd dat hij niet in het minst onderdoet voor de sprekers op tv. Wat is het strand een prachtig podium, denkt hij, een podium voor een onemanshow.
Op de terugweg naar huis kalmeert hij geleidelijk en tegen dat hij thuiskomt is hij weer helemaal de oude. Door de verre wandeling en de aanzienlijke krachtinspanning is de waterige rijstebrij snel verteerd. Hij neemt een bad en maakt zich klaar om te slapen. Hij slaapt heerlijk en lijkt nooit te dromen.

De telefonist is doodmoe, hij heeft zich in geen jaren zo moe gevoeld. Hij voelt een vage pijn opkomen in zijn heupen en vraagt zich af of er iets mis is met zijn nieren. Er is geen tijd om naar het ziekenhuis te gaan voor verzorging. Het grootste deel van de dag heeft hij niets om handen. In de kamer voelt hij zich soms redeloos gestrest, zijn blaas zwelt op, waardoor hij verplicht is om minder te drinken. Wanneer de telefoon opeens luid weerklinkt en het gerinkel door de kamer weergalmt, ziet hij ontelbare draden voor zijn ogen wapperen. Hij wordt door de draden van het ragfijne web vastgebonden en kan zich niet verroeren. Gelukkig meldt de telefoon niet opnieuw de vondst van vreemde sporen. Er wordt evenwel gemeld dat de tijgersporen onrust en paniek zaaien. De meisjes in de betonnen gebouwen kennen geen rust meer, de hele dag door zijn ze gestrest. Met allerlei middelen verstevigen ze de deuren, maar de onrust blijft. In het midden van de nacht gluurt vaak een van de meisjes heimelijk naar het dichte bos, als een plichtsgetrouwe wachter. Plotseling scheert een briesje over het bos, de rietstengels schuren ruisend tegen de Shorea's en het schrille geschreeuw van het meisje jaagt de anderen de stuipen op het lijf. Ze zijn ervan overtuigd dat de gevlekte wreedaardige tijger die zich in het bos verbergt zijn aandacht op de bewoners van de huizen heeft gericht en dat zijn carnivore aard hem doet popelen van ongeduld. Vele meisjes zijn al ziek, gillend schieten ze uit hun dromen wakker, het koude zweet bezorgt hen een ongekend zwaktegevoel. Zelfs in de hoofdstraat duiken opeens onverwachte hoeken op die hen de haren te berge doen rijzen. In werkelijkheid staat er een keramieken vuilnisbak in de vorm van een tijger.
De angst voor de tijger verspreidt zich als de pest in de betonnen gebouwen op het strand. De een na de ander meldt zich ziek. Anderen verzinnen een excuus om naar huis terug te keren en verschijnen niet meer op het werk. Het bezorgt de manager van de betonnen gebouwen een hoop kopzorgen. Onophoudelijk belt hij om hulp van hogerhand om de zaak op te lossen. Als het zo doorgaat, zegt hij, komen onze uiterst belangrijke activiteiten hier in het gedrang. De aanvankelijk ideale omstandigheden zullen verwoest zijn, de gevolgen zullen verschrikkelijk zijn. De telefonist heeft geen andere keuze dan de man die manager Li heet op de hoogte te brengen van de omstandigheden. Manager Li betoont geen enkele interesse. Met gefronste wenkbrauwen zegt hij, mensen strooien nu eenmaal graag geruchten rond, hoe kun je die verzinsels geloven? De telefonist merkt het ongenoegen van manager Li en zwijgt. Hij beseft dat het zinloos is om nog iets te zeggen. Dergelijke praatjes hebben effect op sommigen, op anderen helemaal niet. Daarop begint de telefonist eveneens te schelden op de geruchtenstroom. De ongegronde woede maakt zijn heup weer pijnlijker.
Manager Li kan dan wel het hoofd koel houden over de kwestie en de onzinnige kletspraatjes proberen te negeren, de manager van de betonnen gebouwen daarentegen maakt zich behoorlijk zorgen. De bewoners van de betonnen gebouwen koesteren intussen een blinde haat voor die tijger die geen mens ooit heeft gezien. De aanwezigheid van dat beest maakt iedereen ziek, maakt dat velen niet naar het werk durven of naar huis terugkeren. Daarom beramen ze een plan om het gevaar voor de bevolking weg te nemen. Wanneer de manager van de betonnen gebouwen het voorstel aan de telefoon uitgebreid uit de doeken wil doen, legt de telefonist hem prompt het zwijgen op. Een tijger is een beschermde diersoort, zegt hij, daar mag je niet zomaar op jagen. Al verorbert het beest mensen naar hartelust, je kunt het slechts zijn gang laten gaan, als je het doodschiet, overtreed je de wet. Binnen de kortste tijd haal je je de dierenbescherming op de hals en dan krijg je pas problemen. Daarmee is de zaak niet opgelost, pleit de manager van de betonnen gebouwen, moeten we dan gewoon de dood afwachten? Je hoeft ook weer niet zo pessimistisch te zijn, zegt de telefonist, wie je niet kunt uitdagen, moet je ontlopen. Ik stel voor dat jullie hem ontwijken. Met het advies om de tijger te ontlopen, komt er geen schot in de zaak. Integendeel, het wordt erger – wanneer een meisje dat altijd heel dapper is geweest ’s avonds naar buiten gaat om te plassen, voelt ze een harige poot tegen haar achterste zodra ze neerhurkt. Haar lichaam verlamt, haar ogen worden groot van angst, haar haren komen rechtop. Ze raapt al haar moed bij elkaar en roept om hulp. Nog voor iemand buiten komt om haar te redden valt ze flauw. In het ziekenhuis stellen de dokters alles in het werk om haar er bovenop te helpen. Het dappere meisje ontsnapt met veel geluk aan het gevaar. We hebben het onverdraaglijke doorstaan, zegt de manager van de betonnen gebouwen aan de telefoon. Er is geen andere uitweg, we zijn op het punt dat we de strijd op leven en dood met de tijger aangaan. Eindelijk betoont de telefonist medeleven. Na de overweging van welke methode de beste is om het dier te vernietigen: een stok, een elektrische schok, vergiftiging, een valkuil, omsingeling, een gevecht met de blote hand, judo, sumoworstelen of karate, zegt hij, natuurlijk is neerschieten het veiligst, alleen is wapenbezit tegenwoordig illegaal, je moet een wapenvergunning hebben. Vanaf dat moment krijgt de telefonist herhaaldelijk telefoon uit de betonnen gebouwen. Eerst om te zeggen dat ze geen wapen kunnen kopen. Dan om te vertellen dat ze zelf een geweer hebben gemaakt, van het soort om hagel mee te schieten. Ze vragen zich af of ze er een tijger mee kunnen doden, voor een mens zou het ongetwijfeld volstaan. Nadien om te vertellen dat het zelfgemaakte geweer in beslag is genomen door het Veiligheidsorgaan van de politie toen ze om een wapenvergunning verzochten.
Nu staan we opnieuw machteloos tegenover die tijger. De manager van de betonnen gebouwen huilt aan de telefoon. De telefonist voelt de opperste radeloosheid. De nabije toekomst komt hem voor de ogen: de betonnen gebouwen zijn leeg en verlaten, er liggen enkel nog witte beenderen over de grond verspreid. Een rilling loopt door hem heen, een vreselijke pijnscheut gaat door zijn heup. Het valt hem in dat er een remedie bestaat om het yin-tekort in zijn lichaam te voeden: tijgerpenis eten. Hopelijk is het een moedige tijger, denkt hij.
Vreemd genoeg betoont manager Li opeens weer interesse als hij hoort dat de mensen uit de betonnen gebouwen een geweer hebben gemaakt en een wapenvergunning aangevraagd. Voortdurend vraagt hij de telefonist naar de stand van zaken. De telefonist ziet manager Li verbleken wanneer hij over het geweer hoort. Kan het niet zonder geweer? mompelt manager Li. Wu Song had toch ook geen geweer toen hij op de tijger jaagde? Pas wanneer hij hoort dat ze geen wapenvergunning hebben gekregen en dat het geweer onder dwang in beslag is genomen, verliest hij zijn belangstelling. De telefonist weet dat manager Li erg bezig is. Het komt uiterst zelden voor dat hij zich zo voor een zaak interesseert. De telefonist drukt op zijn heup en denkt jaloers, wanneer krijg ik het eens druk?

De wandelingen zijn een belangrijk deel van zijn leven geworden. Stilaan is het gevoel ontstaan dat het leven geen enkele betekenis meer zou hebben zonder deze bezigheid. Het komt wel eens voor dat hij twee avonden na elkaar niet naar buiten kan omdat hij het te druk heeft. Dan voelt hij zich ongemakkelijk, ontsteekt voor een niemendal in woede, waardoor de anderen hem steeds minder begrijpen. De meeste dagen van lente, zomer, herfst en winter ontloopt hij elk ongemak door ’s avonds naar het verre strand te gaan. Dat strand is steeds vertrouwder geworden, de geuren, het landschap, de wilde kruiden en de plassen, het zand en de modder. Op een zomerdag ligt hij op de zandvlakte. Naast hem groeien schaarse kruiden. Onder de grote, heldere sterrenhemel lijkt hij opeens teruggekeerd naar zijn jeugdjaren, naar zijn verre geboortedorp. Hij lijkt daar al heel lang te liggen, naast een riviertje in zijn geboortedorp. Een zacht briesje scheert over de grashalmen en streelt zijn wang. Hij ademt de vochtige geur in van wilde kruiden vermengd met rivierwater. Op dat moment is de toekomst voor hem een mysterie. Hij had nooit gedacht dat hij op een dag zijn dorp zou verlaten om naar de verre, verre stad te gaan en daar al die vreemde dingen te doen: studeren, met mensen van alle slag en soort omgaan, werken, zijn hersenen kwellen om promotie te maken, congressen bijwonen, wijn drinken en alle dingen verdragen die hij moet doorstaan. Hij ligt naast het riviertje tot hij inslaapt. Hij droomt, een kinderdroom, een fantastische droom. Hij is de inhoud van die droom allang vergeten. Het leven heeft een heel andere, vreemde vorm aangenomen. Opeens huilt hij. Onbelemmerd huilt hij op het strand, hij verbergt zijn gezicht in de wilde kruiden en huilt uit volle borst. Hij weet zelf niet waarom. Een man die door anderen als succesvol en sterk wordt beschouwd huilt opeens om een ingebeelde scène die nooit meer zal terugkomen. Hij huilt luid, hij voelt zich als een eenzaam, hulpeloos kind, hij is nooit volwassen geworden. Tientallen jaren zijn voorbijgegaan, in zijn allerdiepste binnenste is de zwakte gebleven.
Hij heeft een afkeer van de zogenaamde moderne levensstijl met dansen, karaoke zingen, tv kijken, qigong beoefenen, pingpong spelen, mahjong spelen, op de beurs speculeren, computerspellen spelen, biljarten, ijsschaatsen, autorijden, voorstellingen bekijken, hoerenlopen en buitenechtelijke liefdes hebben, gokken, drugs gebruiken en toch wordt hij vaak gezien bij bovengenoemde gelegenheden. Verveeld vraagt hij zich af wat hij graag doet. Op een dag gaat hij naar een congres in de stad en maakt van de gelegenheid gebruik om een tentoonstelling van artisanale producten te bezoeken. De fijne lappenpoppen, strooien schoenen, hoofdkussens, maskers en wildebeestentransformaties fascineren hem. Hij koopt een tijgermasker, tijgerklauwen en een windjekker met tijgervelpatroon. Wanneer hij de spullen in zijn bibliotheek stopt, vermoedt zijn vrouw dat hij iets wil verbergen. Zo te zien zijn ze kostbaarder dan een kalligrafie van een beroemd schilder, zegt ze met kennis van zake. Oh, oh, het heeft daar niets mee te maken, zegt hij zonder verdere uitleg. Hij heeft nooit een geheim gehad, noch op het werk noch thuis, voortdurend is hij omringd door zogezegd belangstellende blikken.
Op vier poten leren lopen kostte hem heel wat tijd en moeite. Een collega had hem verteld dat de mens zwakker is dan een wild dier en minder snel kan lopen omdat hij rechtop heeft leren lopen. Volgens de evolutie is dat onbetwistbaar. Wanneer je het echter vanuit gezondheid en immuniteit bekijkt, is het wellicht een onherstelbare fout dat de mens heeft afgeleerd om op vier poten te lopen. Die gedachte inspireerde hem buitengewoon. Zijn gedachten dwaalden naar de wilde dieren diep in de bergen. Hij had nooit gehoord dat die een trombose kregen of een vetlever hadden. Zij renden en jaagden en ontwikkelden hun spieren. Zij doodden hun prooien onverbiddelijk. Zij praatten nooit over gevoelens. Toen hij in het begin op vier poten ging, liep het heel moeilijk. Na enkele meters moest hij alweer rechtop komen om naar adem te snakken. Hij kreeg de indruk dat het leven van wilde dieren niet makkelijk kon zijn, op vier poten lopen was niet evident. Geleidelijk aan raakte hij eraan gewend en al gauw kreeg hij de techniek onder de knie, van heel traag wandelen, naar een poos snelwandelen tot hij honderd meter kon spurten. Zijn gezondheid werd steeds beter. Geen enkel grijs haartje had hij, zijn spieren werden steviger. In zijn gezicht prees iedereen zijn conditie. Achter zijn rug werd gefluisterd dat hij vaak ginseng en reeëngewei en van die dingen at, meer nog, dat hij enkel interesse had in bepaalde dierenpenissen, waarom at hij die? Dat kon alleen voor de seks zijn. Alleen hij wist dat hij onmogelijk nog kon ophouden met op vier poten te lopen. Heel vaak in zijn kantoor snakte hij ernaar om enkele rondjes te doen. Enkel de gedachte dat iemand hem zou betrappen kon hem van zijn drang weerhouden. In zijn lezingen op het podium had hij het over het belang van sport in het leven, waardoor iedereen overtuigd raakte dat hij een sportman was. Daarop nam hij de taak van voorzitter van de sportvereniging op zich. Tussen de toehoorders dwaalden zijn gedachten af naar de open vlakte en verdiepte hij zich in het plezier om op vier poten te lopen.

Op een dag komt er opnieuw telefoon uit de betonnen gebouwen. De telefonist verwacht weer verwijten en verbolgenheid. Tot zijn verwondering wordt hij die avond uitgenodigd. Om de feestdag te vieren hebben we enkele stukjes ingeoefend, zo meldt de persoon die belt. De telefonist telt op zijn vingers, het is inderdaad een feestdag. Het is de traditie om stukjes op te voeren. Er moet gedanst en gezongen worden om er een feest van te maken, wie zin heeft voert iets op. De telefonist voelt al de streling van de lange wapperende mouwen. Mooie vrouwen komen dichterbij, zingend en dansend. Op de zachte muziek verschijnen en verdwijnen ze. Prachtig opgemaakt en versierd pronken ze met hun schoonheid, met hun ogen, neus, mond en haren, met hun armen als jade en met hun ronde achterste. Zijn onderbuik raakt in vuur en vlam, de pijn in zijn heup verbetert onverwacht. Het plotseling opgekomen verlangen doet hem voor het eerst uit zijn stoel opstaan en nerveus door de kamer heen en weer lopen.
Tot zijn verbazing krijgt hij bij de betonnen gebouwen geen frivool dansende meisjes te zien. Hij wordt opgewacht door de bewoners die hun woede onmogelijk nog kunnen onderdrukken. Ze hebben heimelijk een nieuw illegaal vuurwapen gemaakt. Vanavond komt er actie, zeggen ze tegen de telefonist. De telefonist vergeet op slag al zijn principes. Zijn nieuwsgierigheid doet hem deelnemen aan de avondlijke onderneming. Op dat moment denkt hij nog dat er aan het eind wellicht heerlijk konijnenvlees en een fles erguotou wachten.
Op de loer liggen vindt de telefonist maar niks. De sfeer, alsof er op een vreselijke vijand wordt gewacht, lijkt erg overdreven. Stil! gebiedt de man met het geweer streng, terstond verdwijnt zijn intense verlangen naar heerlijk konijnenvlees en drank. Het avondlijke strand is doodstil. De stilte zwelt aan tot een onverklaarbaar raadsel. Het lijkt onmogelijk dat hier een dier aanwezig is. De hemel betrekt opnieuw, moeilijk te zeggen of het zal gaan regenen. Enkele sterren breken door het dikke wolkendek heen, fonkelen even en worden dan weer door de wolken ingesloten. Het duurt nog uren voor de halve maan aan de hemel zal staan, omdat het slecht weer is. En het is dan nog de vraag of ze zichtbaar zal zijn, het lijkt een hopeloze zaak. De telefonist heeft het gevoel dat zijn bloed steeds trager begint te stromen. De pijn in zijn heup die net beter was, komt weer op. Hij snakt ernaar om rechtop te staan en de benen te strekken. De strenge berisping die meteen volgt, weerhoudt hem. Hierdoor begint hij zich af te vragen of de soldaat die tijdens de Koreaanse oorlog in een hinderlaag levend verbrandde, de dood vond omdat hij zich niet als doelwit mocht onthullen. De moed en de heldhaftigheid van die man worden in vele artikelen en voorstellingen geprezen omdat hij twee dagen en nachten in hinderlaag in het struikgewas lag. Een absurde gedachte speelt door het hoofd van de telefonist: hij zou liever verbranden dan twee dagen en twee nachten op de loer te liggen.
Op dat moment verschijnt het vreemde dier. De telefonist ziet een zwarte bewegende stip in de verte die geleidelijk aan groter wordt. Het zou een rennend dier kunnen zijn. Opeens stopt het en lijkt het aandachtig de geluiden in de omgeving op te vangen, waarop het opnieuw begint te lopen, niet snel en niet traag, maar zelfverzekerd. Nadat het opnieuw een eind heeft gerend, steekt het zijn kop op en laat een angstwekkend geschreeuw horen. Het zand op het strand begint te rollen, de langdurige stilte wordt eindelijk doorbroken. Het is een bizar, niet te doorgronden gehuil dat van heel diep lijkt te komen. Het is onmogelijk te zeggen tot welke diersoort het beest behoort.

Uit het clandestien vervaardigde geweer schiet opeens een vlam. Niemand had verwacht dat het geweer zo benauwend zou klinken. Zodra het dier op de grond neerploft, springt iedereen te voorschijn. Raak! Raak! Luid schreeuwend stormen ze naar het dier, gek van geluk omdat ze aan de tijgermuil zijn ontsnapt. Al hun angst en vrees hebben in een oogwenk plaatsgemaakt voor een gevoel van bevrijding.
Het dier is er erg aan toe, bewegingloos ligt het op de grond. De toestormende massa stopt opeens, opnieuw door angst overmand. Niemand durft dichterbij om te gaan kijken. Ze weten dat een roofdier vlak voor het sterft zijn tegenstander nog dodelijk kan verwonden. Niemand zegt iets, het strand is opnieuw in stilte gehuld. De menigte staat oog in oog met het stervende dier.
Plotseling hoort de telefonist een zacht gekreun, het geluid klinkt hem enigszins vertrouwd in de oren. Wanneer hij nogmaals vaststelt dat het gegrom van een soortgenoot komt, loopt hij moedig op het dier toe en trekt het levensechte tijgermasker weg. In de lichtbundels van de zaklampen verschijnt een bebloed gezicht. Al is het gezicht gehavend, de telefonist herkent de man op slag; hij staat aan de grond genageld.
De man probeert moeizaam te glimlachen, probeert te grijnzen maar het lukt niet. Hij zwaait met de tijgerklauw aan zijn hand alsof hij afscheid neemt en zucht, kijk, jullie hadden gelijk, het zijn tijgersporen.

©  Shaoyi Zhou ; © vertaling: Jeanne Boden