


|
 |
Nacht
ingelijfd en geborgen
verkrampt onmondig
een zoete lach verzorgen
nacht is een impressie van achter de muren.
nacht is een dubbel-monoloog.
nacht groeide uit een schrijfworkshop die doorgang vond in de Antwerpse
gevangenis (juni 2001 - november 2001). Op basis van teksten van Eric, Frank, Ronny, Kurt
en Geert schreef Erik Vlaminck de eindversie.
Zweet, okselstank, look.
Ik rook het en ik riek het.
En ik had geluk.
Ik was als eerste bij de bestelwagen.
Ik noem het een bestelwagen omdat het ding dient om mensen af te leveren.
Ik was er als eerste bij en ik had dus het geluk mijn plaats te kunnen kiezen.
Het bankje vooraan.
Wie daar zit kan door de voorruit kijken.
Het grote voorrecht tijdens de rit van de gevangenis naar het justitiepaleis: door de
voorruit kijken...
Er is, er was die kakofonie van stemmen.
De lege verhalen.
Russische vloeken en Albanees gewauwel.
Weggemoffelde sigaretten.
Zenuwen.
Zweet, okselstank en look.
En ik zag, ik zie een vrouw op een fiets.
Een donkergroene fiets.
Benen in zwarte kousen.
Mooie benen.
Haar in de wind.
Ik ben één van twaalf bajesklanten in een bestelwagen.
Onderweg naar het justitiepaleis.
En ik zie een vrouw op een fiets.
Uren en uren hebben we moeten wachten.
In een donker hok.
Zweet, okselgeur en look.
Drie konden er zitten.
Negen moesten er staan.
Ik moest staan.
Eerst in de bestelwagen; laatst eruit.
Omdat ik ze heb laten voorgaan, die anderen, heb ik trekkebenend moeten staan wachten.
Op een besluit dat er beter niet was geweest.
Godverhemelste colerig.
Ik voelde mijn maag gelijk een uitgewrongen dweil.
Nee, gelijk een vuurbol.
En ik begin het weer te voelen.
Die vuurbol.
Godverdomme toch.
Ze weet dat ik om zes uur bel.
Maandag, woensdag en vrijdag.
Om zes uur.
Achttien punt nul nul.
En ze weet wat ik ervoor moet doen om te kunnen bellen.
En toch die treiterende bezettoon.
TUUT - TUUT - TUUT- TUUT - TUUT
En de gedachte dat een of andere loslopende onnozelaar voorrang krijgt.
Dat een of andere loslopende onnozelaar in haar bed belandt.
Een kerel die kan bellen wanneer hij wil.
En zo lang hij wil.
Bezet, bezet, bezet.
En die dwaas van een Rus die achter mijn rug staat te duwen.
'Your love has gone away.'
Ik had hem op zijn smoel moeten slaan.
Ik had zijn vierkante kop in tweeën moeten klieven.
'Your love has gone away.'
Als het maar niks anders is.
Dat denk ik nu.
Een accident of zo.
Iedereen kan iets krijgen.
Of iets met de kleine.
Ik moet dat afleren van altijd direct kwaad te worden.
Godverdomme toch.
Als ik die Rus tegenkom, zal ik hem eens op twee minuten Vlaams leren.
Your love has gone away.'
Zweet, okselstank en look.
En dat ik het, ondanks die verkoudheid van me, toch kon rieken.
Ge moet het eens proberen: geboeid in die groene bestelwagen zitten, met z'n twaalven
opeengepakt, allemaal kerels die geen centimeter willen opschuiven, en dan een zakdoek uit
uw broekzak moeten halen.
Het snot liep over mijn bovenlip.
En dan is mijn zakdoek nog gevallen ook.
En de vloer van die bestelwagen is niet echt proper.
En als ge maar één zakdoek hebt.
En als die al kleddernat is.
En die met zijn pet op, zei dat ik niets moest proberen toen ik mijn zakdoek opraapte.
'Waarom hebt ge niets gezegd,' vroeg mijn advocaat na de zitting.
Als ik had gesproken, dan had het snot over mijn bovenlip gelopen.
Mijn advocaat is een jonge gast.
Daarom heb ik zo lang moeten staan wachten.
Wie de oudste advocaat heeft, mag eerst binnen.
Nu gaan ze een nieuw gerechtsgebouw bouwen.
In vlindervorm.
Dat zal beter zijn.
Onnozelaars.
'Telefoneren is een gunst, geen recht.
Een telefoongesprek mag de duur van vijf minuten niet overschrijden.
Bij het roken aan het telefoontoestel vervalt voor onbepaalde tijd de gunst om te
telefoneren.'
Het staat er: zwart op wit.
Naast die telefoon.
Ik ken het van buiten.
En met een telekaart kunt ge juist zes minuten bellen.
Maar die bezettoon blijf ik godverdomme wel horen.
'Een telefoongesprek mag de duur van vijf minuten niet overschrijden.'
Het schijnt dat er bijna geen mussen meer zijn.
Het schijnt dat de zon deze zomer in Spanje 22 van de 24 uur heeft geschenen.
Het schijnt dat de GB nu Carrefour heet.
Het schijnt dat de nieuwe auto's allemaal airbags hebben.
Het schijnt dat het brood weer duurder is geworden.
Het schijnt dat het alle dagen licht wordt.
Ik weet het niet.
Het schijnt dat ik er niet bij was.
Soms vraag ik me af hoe ze prikkeldraad maken.
En wie dat spul heeft uitgevonden.
De boeren of het leger?
En of die uitvinder er meteen aan gedacht heeft dat zijn vondst bovenop muren zou worden
gedrapeerd.
Bovenop muren rond gevangenissen.
En bovenop muren rond villatuinen.
Een mens moet aan vanalles denken om niet de godganse nacht aan zijn kinderen te liggen
denken.
De wolvin van de SS
Het is een wijf waar zelfs politiehonden voor gaan janken.
Daarom is ze cipier geworden.
Daarom, en omdat ze gebouwd is als een knotwilg.
Maar ik zag dat ze er deze keer ook van schrok.
'Ge hebt daar lang genoeg gestaan,' zei ze.
En: 'Ge zijt niet de enige die graag telefoneert.'
Ik heb mij omgedraaid en ik heb haar in haar ogen gekeken.
Ik zag dat ze schrik had.
Een halve seconde schrik.
Mijn neus is verstopt.
Ik moet wateren.
Ik zou er eens op moeten oefenen om het ineens vanuit mijn bed te doen.
Mits wat training en voldoende druk moet het lukken; de toiletpot staat vlakbij.
Alles is hier ingericht om het de mens gemakkelijk te maken.
Gewoon liggen in het bed.
Als ik mijn arm uitsteek kan ik het raampje openen.
Met mijn teen kan ik aan de overzijde de kastdeurtjes openen.
Onze Joeri, die kan met zijn grote teen een kruiske maken.
En hij deed niet liever dan op ons bed de koprol in te oefenen.
Hij noemde dat meteen een salto.
Een salto mortale.
Zes jaar, onze Joeri.
Ik wou dat ik hem mijn uitvindingen kon tonen.
Het conserveblik dat asbak is geworden.
De doos: het nachttafeltje.
De handdoeken: gordijnen.
De tandpasta om zijn foto aan de muur te houden.
'Mijn papa, die zit niet in de bak. Hij is uitvinder geworden.'
Asbakken, dat zijn conserveblikjes.
Vazen, dat zijn ketchupflesjes.
Wandelingen, dat is rondjes lopen.
Het hoofdgerecht, dat is lauwer dan warm.
Dagen, dat zijn marathons.
Goed weer, dat is slecht weer.
Gangen, dat zijn doodlopende straten.
De godganse dag liggen die mannen languit op hun bed met hun duimen te draaien.
En 's nachts staan ze voor hun ramen.
Te roepen naar elkaar.
En hun djengelmuziek af te draaien.
En nu het ramadan is, is dat nog erger.
Godverdomme toch.
Hoe kunt ge hier nu slapen?
En die vent hiernaast die ligt maar snot op te halen.
Hoe kunt ge godverdomme vergeten wat ge wilt vergeten?
En geen enkele bewaker die er wat aan doet.
Aan dat nachtlawaai van die bruine mannen.
Omdat het broekschijters zijn.
En omdat het voor hen toch geen rol speelt.
Want zij moeten wel wakker blijven.
En als ik vanuit mijn raam roep dat ze hun bek moeten houden, dan roepen ze terug dat ik
een racist ben.
Als ge geen racist zijt, dan wordt ge hier een racist.
Hoe lang duurt de ramadan eigenlijk?
Het is weer ketelkermis vannacht.
De mannen van de warme landen staan weer te roepen en te zingen.
Horendol word ik ervan.
De Kesse kan ook niet slapen.
Ik hoor hem draaien en keren in zijn bed.
Hij zal morgen weer 'het zonneke in huis' zijn.
Iemand zou die mannen van de warme landen toch eens moeten uitleggen dat er in België 's
nachts geslapen wordt.
Ik ben er zeker van dat als de juiste mens het hun op de juiste manier uitlegt...
En dat ik zelf ooit in Casablanca 's nachts over de markt heb gelopen.
En dat ik dat leven daar zo geweldig vond.
Onze Joeri is daar en toen gemaakt.
Of misschien in Marrakech.
En onze Sarah die hebben we gewoon thuis gemaakt.
In Willebroek.
Dat is dan zelfs nog grappig ook.
Ik heb een kind gemaakt in Willebroek.
Mijn lijf kunnen ze vastzetten.
Maar mijn geest, mijn denken, dat is van mij.
En dat blijft van mij.
Zij neemt de telefoon niet op omdat ze moet overwerken.
Omdat de treinen vertraging hadden.
Omdat ze met de kleine naar de dokter moest.
Omdat ze haar sleutel op haar werk vergeten was.
Omdat de hoge hakken van haar schoenen afgebroken zijn en ze eerst langs de schoenmaker
moest.
Omdat ze haar walkman ophad en de bel niet kon horen.
Like a bridge over troubled water.
Godverdomme toch.
En dat het woensdag ook bezet was.
En maandag ook.
En vorige week vrijdag ook.
Voor ik hier zat, wist ik niks.
Nu weet ik waar ik drugs kan krijgen.
En vals geld.
En waar ik gestolen gerief kwijt kan.
En waar ik een revolver kan kopen.
En springstof.
De gevangenis is de universiteit van de smeerlapperij.
Een mens zou er beter moeten uitkomen dan hij erin gaat.
Vergeet het.
Het systeem werkt averechts.
Ge leert bij wat ge niet moet bijleren.
En ge leert af wat ge beter niet vergeet.
Ik had hoop toen ik in die bestelwagen zat.
Toen ik die vrouw op die donkergroene fiets zag rijden.
Toen het snot over mijn bovenlip liep.
Zweet, okselstank, look.
'De kinderen worden toegewezen aan de ouders van het slachtoffer.'
Ik begrijp nu niet dat ik ooit iets anders had kunnen denken.
En als ik mezelf van kant maak, dan is dat nog erger voor de kinderen.
Uw vader is een uitvinder, Joeri, hij zit niet in de gevangenis.
En er is een verschil tussen een accident en een moord.
Dat wil ik later aan ons Sarah uitleggen.
En als die ketelkermis nu maar eens wilde ophouden.
Als het licht is, dan doe ik kop of let.
Kruis of munt.
Water of vuur.
Erop of eronder.
Als het kop is, dan bel ik haar morgen weer.
Als het let is, dan bel ik haar nooit meer.
|
|