


|
 |
Brief aan een buitenstaander
Hasselt, een dag in november 2001
Beste, ik ontving vandaag je vriendelijke brief, die zoals alle post die ik hier krijg, al
opengescheurd was. Je vraagt mij hoe het is om gevangen te zitten. Hoewel ik weet dat er
naar ons leed vaak met leedvermaak wordt geluisterd, zal ik je graag uitgebreid
antwoorden.
Ik leid hier een kluizenaarsleven. Dat mag je zeer letterlijk opvatten: ik leef in een
kluis. Mijn kluis is een kale ruimte tussen vier muren van zowat twee passen breed en vier
passen lang. In een van de muren zit een stalen deur, die bijna altijd gesloten is. Boven
die deur is een raam met een rooster ervoor, waardoor je de lucht ziet zoals een vlieg met
zijn facetogen. Aan een andere muur hangt een groot prikbord waarop je fotos van je
geliefde en kinderen of kaartjes van je vrienden kwijt kunt. Maar ook is dat bord erg
geschikt om eens met je vuist op te beuken als je het even niet meer ziet zitten de
muur zelf is daar iets te hard voor. In mijn kluis hangt ook een kruisbeeld dat heb
ik moeten bestellen bij de aalmoezenier. Sommige gevangenen besparen zich die moeite en
tekenen er zelf een op de muur van hun cel.
Verder vind je hier alleen het hoogst noodzakelijke: een bed, een kast, een tafel en een
stoel. Deze laatste is vervaardigd uit het hardste hout. Dat is een troost. Het geeft mij
het gevoel dat er hier iets is dat nog werkt. Vaak zitten we hier met twee man opgesloten
en wordt er een bed boven op mijn bed gestapeld. Soms ook stoppen ze er nog een derde man
bij. Die moet zich dan s nachts tevreden stellen met een matras op de grond en
overdag met een stoel.
In een hoek van de cel vind je het toilet, met een opvouwbaar houten schermpje ervoor dat
tot net boven je knieen komt. Dankzij dit handige systeem kan je celmaat, terwijl jij je
behoefte doet, niet alleen je geluiden horen maar ook je gezicht zien. Bij het converseren
is dat een voordeel.
In een andere hoek staat een wasbak, waaraan je elke ochtend een kattenwasje kunt doen.
Met koud water welteverstaan. Warm water moet hier nog worden uitgevonden. Sommige mensen
zeggen dat wij niet beter verdienen, maar zelfs al hadden we hier gouden kranen, dan nog
zou het geen verschil maken. We zitten opgesloten, begrijp je.
Soms denk ik: geef me maar stokslagen, zoals in de Middeleeuwen. Dan heb ik persoonlijk en
helemaal alleen mijn straf en vernedering ondergaan, maar nu worden ook mijn vrouw en
kinderen veroordeeld om in armoede en angst te leven en dat terwijl zij niets hebben
misdaan.
Maar goed, laat ik je wat vertellen over de gevangenis van Hasselt zelf. Die is gebouwd in
1857 en is dus al bijna anderhalve eeuw oud. Door de gangen dwalen voortdurend de geesten
van al degenen die er hier voortijdig een eind aan maakten. Op de muren en het prikbord
kun je hun namen nog lezen, als op een grafsteen. Hun cel was hun doodkist, maar dan een
met een deur. Hoewel dat geen verschil maakt, want je kunt hem toch niet zelf openen
er zit zelfs geen klink aan de binnenkant.
In al die jaren dat hier mensen van hun vrijheid worden beroofd, is er niet veel
veranderd. Aan het gebouw niet, maar evenmin aan het regime. Tweeentwintig uur per dag zit
je in je cel, als je er, zoals ik, bewust voor kiest om niet voor een hongerloon in het
werkhuis tijd- en verstandsdodende klusjes te doen. Driemaal per week mag je vijf minuten
douchen, twintig minuten per week krijg je om te telefoneren. Voor het overige moet je
voor alles wat je wenst een rapportbriefje invullen en vooral ben je afhankelijk van de
grillen van de bewaarders, die, net als wij overigens, met goede en slechte buien hebben
te kampen.
Een lotgenoot van mij zijn naam is Marco schreef laatst een leuk stukje over
hoe zijn dagen er hier uit zien. Een knap staaltje van positief denken, een kunst die je
hier moet beheersen, anders hou je het niet vol. Ik schrijf het even voor je over. Het
heet Het leven uit een dag:
Vroeg in de ochtend.
De intercom galmt door de gangen: Klaarmaken voor ontbijt! Klaarmaken voor
ontbijt!
Je blijft nog even op je bed liggen tot je de kar hoort komen.
Warme koffie en vers brood, waar je bij het ochtendnieuws van geniet.
Je steekt je eerste sigaret op.
De ochtend is nu echt begonnen.
Je gaat werken in het atelier. Kabels draaien. Samen met je maten. De tijd verstrijkt.
De intercom galmt opnieuw: Einde van de werken! Einde van de werken! Iedereen
begeeft zich naar zijn cel!
Je voelt je als de hond van Pavlov wanneer je het geluid van de rammelende kar hoort.
Het signaal voor een welverdiend middagmaal.
Voor je weer gaat werken, verpoos je volgegeten nog even op je bed.
Je drinkt van je cola. Echte coca-cola.
Je gaat nog even naar het toilet.
Je wacht kalm tot de celdeur weer opengaat.
De middag is nu echt begonnen.
Je lacht om een grapje van je chef.
Je lacht om een grapje van de jongen naast je.
De bal is aan het rollen.
Dan weer de intercom: Einde van de werken! Einde van de werken! Klaarmaken voor de
wandeling!
Je haast je naar de binnenplaats.
Een uurtje vrijheid in een kooi.
Lachen met je vrienden. Vertellen over je vrouw die buiten op je wacht.
Na het avondeten: celbezoek.
Je nodigt een maat van een paar deuren verder uit.
Je praat wat bij.
Je toont fotos van je gezin.
En dan ben je weer alleen.
Je denkt aan de toekomst.
Een fijne gedachte voor het slapengaan.
Weer een dag voorbij.
Ik denk dat je nu wel een beeld hebt van hoe het er hier aan toe gaat. Ik zou het nog
uitgebreid kunnen hebben over het systeem dat ook nog uit een vorige eeuw stamt. Ik bedoel
hier bijvoorbeeld mee dat iemand die psychisch gestoord is en een misdaad begaat, eerst de
gevangenis in moet en daarna pas voor zijn ziekte wordt behandeld. Of neem nu de junkies,
die je hier in overvloed vindt. Die zitten evenmin op hun plaats in de gevangenis. Zij
moeten worden opgevangen in een afkickcentrum, niet in een plek waar de drughandel
floreert en waar je via de arts vlot aan allerlei pilletjes kunt komen, als je smoes maar
deugt.
Maar dat is stof voor een volgende brief. Zo heb ik nog wat om naar uit te kijken.
Ik wens je het beste toe, daarbuiten.
Eric, Pietro, Marco & Davy
|
|