Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Brugge 2002

Leo de Haes

Over het begrip ‘culturele hoofdstad van Europa’ en
city-management.

Zo’n negen jaar geleden werd Antwerpen de eerste Belgische culturele hoofdstad van Europa. De hoofdslogan van dit cultuurjaar klinkt velen nog steeds als een klok in de oren: kan kunst de wereld redden? Dit vileine vraagje moest het sociaal-politieke belang van dit groots opgevat cultuurjaar legitimeren. De programmering van intendant Eric Antonis was er ook naar. Die was zo elitair en hoog gegrepen, - denk aan de potsierlijk mislukte poging tot horizontaal vuurwerk of het literaire programma zonder levende schrijvers,- dat ik hem ervan verdenk dat hij in zijn eigen semantische val is getrapt. Antwerpen ’93 had trouwens een nauwelijks verborgen politieke agenda. Ik heb het aantal keren dat het Vlaams Blok expliciet als de baarlijke duivel vernoemd werd niet geturfd, maar zoveel was duidelijk: Antwerpen’93 zou extreem-rechts in de marge drukken, sterker, het cultuurjaar zou een politiek keerpunt teweegbrengen.

    Retorisch geweld

We weten intussen dat dit wishful thinking is geweest. Antwerpen ’93 heeft geen dam tegen het Blok opgeworpen. Hoe zou het ook? Als dat de bedoeling is van een zogenaamd cultuurjaar, dan zou je beter vendelzwaaien en zakkenlopen promoten of fanfares en pensenkermissen. Het is een intellectuele vergissing te denken dat avant-gardetoneel, minimal music, repetitieve dans of een halve door midden gezaagde koe op sterk water mensen tolerant zouden maken of ze bekeren tot een open, niet-discriminerende levensvisie. Integendeel. In onze huidige stedelijke cultuur vol onlustgevoelens, verzuring, onbehagen en onveiligheid, dragen hedendaagse kunstuitingen veeleer bij tot het succes van politiek extreme groepen. Ze worden door met ham behangen pilaren van Jan Fabre alleen maar bevestigd in hun grote gelijk over de verslonzing van de samenleving en de verloedering van de zeden. Een Mariaportret geschilderd met olifantenexcrementen of een onopgemaakt bed vol vuil ondergoed en gebruikte condooms - beide werken wonnen de prestigieuze Turnerprijs - staven conservatieven in hun hang naar law and order. Alleen wie al open en verdraagzaam is en zich bovendien voor hedendaagse kunsten interesseert kan dit soort beeldend werk plaatsen en evalueren, hetzij ten goede hetzij ten kwade. Epater la bourgeoisie is vandaag het beste glijmiddel naar de volgende Zwarte Zondag.
Eric Antonis is niet de enige cultuurdrager die met retorisch geweld zijn programmering probeert te rechtvaardigen. Paul Dujardin, directeur-generaal van het Paleis van Schone Kunsten in Brussel, verdedigt zijn muzikaal programma De Kunstberg op Zondag als volgt. Ik citeer uit, godbetert, het maandblad Genieten van februari jl: ‘Kunst is het beste antwoord op extreem-rechts.’ Een gotspe. De uitspraak veronderstelt dat de radicaal rechtse medemens niet kunstzinnig is, terwijl ik altijd geleerd heb dat de nazibeulen ’s avonds onbekommerd naar Parsival of Die Götterdämmerung luisterden. En is de vermeende oorlogsmisdadiger Radovan Karadzic geen verdienstelijk dichter en toneelauteur?
Ook Gerard Mortier liet in Salzburg nooit na erop te hameren dat hij met zijn muzikale programmering het fascisme in Oostenrijk wilde bekampen. We kennen het resultaat. Extreem-rechts zit nu mee in de regering.
Waarom verlangen we van kunst altijd meer dan ze kan waarmaken? Waarom nemen we geen genoegen met een behoorlijk uitgevoerd Zwanenmeer? Waarom zouden de schilderijen van Luc Tuymans een maatschappelijke impact moeten hebben? Ik vrees dat velen nog altijd zwelgen in een achttiende-eeuwse romantische opvatting over de emanciperende rol van het autonome kunstwerk. Dit is zeker geen pleidooi tegen vernieuwing in de kunsten, ik wil ook geen afbreuk doen aan welke avant-garde ook, daarvoor is ze me te lief, maar laten we vooral niet de verkeerde pretenties koesteren inzake de politieke invloed van de kunsten, en dus ook niet van een jaar Culturele Hoofdstad van Europa. De vraag of de wereld hoe dan ook gered moet worden, is een domme, hooghartige en onrealistische vraag. Waarvan of van wie zou de wereld moeten gered worden? En wat wordt er met het amorfe begrip ‘de wereld’ bedoeld? Laat kunst kunst blijven, desgewenst politiek geëngageerd, maar verbindt ze vooral niet met loze revolutionaire retoriek, want dat is boeren-, burger- en zelfbedrog. Als er vandaag al een vraag aan de orde is, dan luidt die veeleer: moet de wereld de kunst redden?

    Product placement

Brugge 2002 pakt het gelukkig minder sloganesk aan, minder arrogant ook, en minder elitair. Ik bespeur een toefje ironische lichtvoetigheid in de hele perscampagne van Brugge. De stad doet het bijvoorbeeld met een affiche waarop pathetisch huilende Japanners afscheid nemen van elkaar. ‘Tot in 2003’ roept de ene geliefde tot de andere. Het zijn niet toevallig Japanners, want de Japanner is voor ons de personificatie van het hedendaagse hapsnap massatoerisme. De affiche verraadt ook, misschien onbedoeld maar daarom niet minder onomwonden, de ware intentie van Brugge 2002 en volgens mij van elk cultuurjaar: het aantrekken van (nog) meer toeristen naar de organiserende stad. In het geval van Brugge wil men niet langer de eendagstoeristen bereiken, die zijn er al zat, men wil nu de blijvers, de overnachters. De hotels moeten vol.
Ik hoor inderdaad geen snorkende betogen over de heilzame tegenkrachten die kunst zou genereren. Terwijl Antonis in Antwerpen een ware culturele guerrilla opzette, ook tegen het stadsbestuur en zijn burgervader, ademt de intendant van Brugge 2002 rust, zelfrelativerende wijsheid en beschaafde zelfverzekerdheid uit. Hij verschijnt alom schouder aan schouder met de burgemeester. Hugo de Greef vatte voor De Standaard overigens open en bloot zijn visie en positie samen: ‘Je verkoopt een stad. Ik ben er me ten volle van bewust dat ik hier werk in dienst van Brugge.’ Geen idealistisch getoeter dus of mistspuiterij. De organisatie van Culturele Hoofdstad van Europa is business as usual. De intendant heeft het over sponsorcontracten, corporate image, merchandising, communicatiestrategieën, product placement, pr, netwerken, promotie, verkoop.

    Artistieke hoofdstad

Eigenlijk is het adjectief ‘culturele’ in de term ‘Culturele Hoofdstad’ misplaatst en misleidend. Dichter bij de waarheid zou ‘artistieke hoofdstad van Europa’ zijn, want elke Culturele Hoofdstad van Europa biedt een klein jaar lang een forum aan van het beste wat er op dat moment in de verschillende kunsttakken internationaal te zien en te beleven valt, al dan niet met een regionale toets. Wat me in veel hedendaagse betogen over cultuur stoort, is het gelijkheidsteken tussen de Schone Kunsten en cultuur. ‘Aan cultuur doen’ betekent nog altijd naar theater gaan, een klassiek concert bijwonen of de Van Eyck-tentoonstelling bezoeken. Chatten, een houseparty bezoeken of de après-ski horen daar al veel minder bij, terwijl dat veel typischere uitingen van onze hedendaagse cultuur zijn. Kunst wordt in deze betogen onwillekeurig vereenzelvigd met het wezenlijk fundament van onze samenleving, maar dat is een misvatting. Kunst is wat ze altijd is geweest: franje, commentaar, kritiek, intellectueel spel, vermaak, fantasie, bezwering, re-flectie, vrijplaats of ondersteuning van een ideologie of religie. Zonder kunst kunnen de meeste mensen leven, zonder cultuur niet, want cultuur, dat zijn we zelf. Het is het geheel van smaken, codes, idiomen, onderstellingen, zeden, gebruiken, manieren van communiceren, (religieuze) overtuigingen en rituelen binnen een bepaalde gemeenschap. Elke cultuur bestaat bovendien uit talloze subculturen: jongerencultuur, bedrijfscultuur, arbeiderscultuur, politieke cultuur, tv-cultuur, enzovoort. In feite is een minister van cultuur dus volstrekt overbodig, of beter, hij zou zijn titulatuur moeten veranderen in minister van Schone Kunsten. En dan nog: de Schone Kunsten zijn al lang niet meer ‘schoon’. Het is vaak een vergaarbak van de meest gore en navrante dingen. De Schone Kunsten is als term dan ook langzamerhand uit onze woordenschat aan het verdwijnen. Het woord leeft nog alleen voort als een relict uit een vorig tijdperk.

    Paradigmawissel

We beleven op dit moment een paradigmawissel; dat maakt dit tijdvak tegelijk zo boeiend en verwarrend. Onlangs signaleerde de Nederlandse literaire criticus Arnold Heumakers zo’n paradigmawissel voor de letteren. Hij ontwaarde nergens nog enige continuïteit in de literatuur. Een geschiedenis van de recente Nederlandse literatuur zou nog moeilijk kunnen geschreven worden. Heumakers verwees ook even naar de beeldende kunst. Volgens mij zet het nieuwe paradigma zich op dit vlak nog veel dwingender door. De hedendaagse kunst is, in vergelijking met die van de achttiende, negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw, haar autonomie aan het verliezen, zij het precies in naam van haar autonomie en de totale vrijheid. Kunst moet op dit moment aan geen enkel formeel criterium meer voldoen. Alles is eigenlijk kunst. Onlangs liep in het Museum Boijmans van Beuningen de tentoonstelling Buiten Zinnen. Ieder verschil tussen kunstvoorwerp en consumptieproduct was er opgeheven. Alle ‘voorwerpen’ werden op hetzelfde niveau behandeld. Wilde Joseph Beuys trouwens al niet dat iedereen kunstenaar werd?
Het gevolg van deze opvatting is dat de beeldende kunst nu grotendeels een afgeleide geworden is van onze hedendaagse cultuur en die is, zoals we allemaal weten, door en door vercommercialiseerd en gemediatiseerd. Niet de beste tekenaar of schilder wordt als held vereerd, maar de spectaculairste, de meest mediagenieke, de grootste showman, de beste potsenmaker. Dit voorjaar stelde cartoonist Kamagurka ten toon in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Waarom? Omdat hij de belangrijkste kunstschilder van het moment is? Nee, omdat Kamagurka een beroemdheid is en dus volk trekt, en veel publiek betekent veel inkomsten. Kamagurka is geen uitzondering op de regel; hij bevestigt eerder het celibrity-beleid van sommige museumdirecteurs. De vorige tentoonstelling in het Stedelijk toonde schilderijen van de Amerikaanse acteur Dennis Hopper, ook al een beroemdheid, en voordien mocht Gerrit Komrij en zelfs koningin Beatrix er een tentoonstelling samenstellen naar eigen keuze. Het is wachten op de dag dat prins Laurent als gelegenheidscurator in het SMAK mag optreden.
Het commerciële heeft dus ook de kunsten in zijn greep. Galerieën, concerten, musea, opera’s, literaire prijsuitreikingen, - ze maken allemaal onderdeel uit van het pretpark van onze consumptiemaatschappij. Zo verplicht de AKO-literatuurprijs sinds kort de deelnemende schrijvers tot een tv-optreden, willen ze hoe dan ook aan de prijs mogen deelnemen. Niet dat dat onethisch zou zijn, het is een privé-prijs, en elk privé-bedrijf heeft het recht om zijn eigen reglement op te stellen. Dit is dus geen moreel oordeel, laat staan een veroordeling, ik signaleer dit alleen maar als een voorbeeld van groeiende commercialisering en mediatisering van de kunsten.
Kunst is tegenwoordig alles wat een kunstenaar kunst noemt. Zo eenvoudig is het, en tegelijk zo complex. Waren de kunsten, van architectuur tot literatuur, vroeger grotendeels afhankelijk van wereldse en kerkelijke opdrachtgevers, vanaf de achttiende eeuw kwam de kunstenaar beetje bij beetje onder die voogdij onderuit en werd autonoom. Kunst om de kunst was een hoogtepunt in die evolutie. Vandaag zoeken velen kunstenaars de vluchtheuvel en de onzichtbare hand van de vrije markt op. Veel kunstenaars zullen dat ontkennen, maar wie eerlijk is én succes heeft, durft er ronduit voor uit te komen. Wim Delvoye wond er in NRC-Handelsblad geen doekjes om. Toen hij over de Cloaca, zijn beruchte kakmachine, geïnterviewd werd, zei hij heel eerlijk: ‘Ik verkoop stront, omdat er vraag naar is.’ Ik heb het hier niet over de kwaliteit van dit werk, laat staan van dat van andere kunstenaars, ik heb het over de veranderde status van de kunsten. Over de opmerkelijke paradigmawissel die zich aan het voltrekken is in onze consumptiemaatschappij, zowel in de beeldende kunst als in de letteren.
Misschien ontsnapt alleen de architectuur aan die paradigmawissel. Het zou me niet verbazen als over honderd of tweehonderd jaar de huidige architectuur tot de belangrijkste artistieke verwezenlijking van het eind van de twintigste eeuw en het begin van de eenentwintigste eeuw zal worden uitgeroepen. Hoe dan ook, de indrukwekkendste sculpturen zijn tegenwoordig gebouwen. Niet dat architecten zich niet inschakelen in onze consumptiemaatschappij, integendeel. Architecten zoals Jon Jerde bouwen omgevingen waarin belevenissen centraal staan. Hij construeert wat hij zelf noemt Urban Entertainment Centers, een commerciële droomwereld die mensen die er binnenkomen een goed samenhorigheidsgevoel moet bezorgen, door ze winkels, themarestaurants, fitnesszalen, theaters, concertzalen, bioscopen, cafés en terrasjes aan te bieden. Toch blijven zijn en andere hedendaagse architectuur getuigen van visie, fantasie, doorgedreven technologische kennis en genialiteit soms. Maar daarover straks meer.

    Consumptiemaatschappij

De term ‘consumptiemaatschappij’ roept bij velen negatieve connotaties, huiver en zelfs weerstand op. Consuminderen klinkt om een niet achterhaalbare reden sympathieker dan consumeren. Ik vraag me af waarom, want we zijn allemaal consumenten. Wij hebben het met z’n allen precies zo goed, omdat we consumeren. We kunnen ook niet zonder consumptie, ook niet zonder esthetische consumptie, want in een samenleving die ontzuild, geseculariseerd en ver-
splinterd is, zijn we allemaal zelf een beetje god, zeker in het diepst van onze gedachten. Ieder kneedt voor zichzelf tegenwoordig een eigen identiteit, en we kunnen dat alleen maar doorheen onze consumptie – door de kleren die we dragen, onze muzikale voorkeuren, de boeken die we lezen, het soort vakantie dat we nemen, het type restaurant dat we bezoeken. Consumeren geeft ons trouwens een intens basaal plezier, en dat komt omdat mensen zinnelijke wezens zijn. In de consumptie worden onze reuk-, smaak-, kijk-, tast- en luisterorganen geprikkeld en gemobiliseerd en dat geeft ons een heerlijk gevoel, hoe kortstondig ook. De namen van recente publieksbladen vertolken misschien nog het meest uitgesproken dit hedendaags hedonisme. Ze heten Genieten, Goed Gevoel, Feeling, Ambiance, Santé en Evita.
Consumeren heeft natuurlijk ook een economische dimensie. Elk jaar wordt er een goed bedoelde niet-winkeldag georganiseerd, geen probleem, maar als we dat alle dagen zouden doen, dan klapt onze hele economie in elkaar en mogen we langdurige feesten als Brugge 2002 totaal vergeten. Eigenlijk leven we nog te sober, als je sommige economen mag geloven. Horen we niet geregeld het verwijt dat wij te veel sparen? Wat is dat anders dan een stiekeme aansporing om nog meer te consumeren? Een van de eerste oproepen van de Amerikaanse president Bush na de aanslag op 11 september 2001 op de Twin Towers luidde trouwens: ‘consumeer zoveel mogelijk exclusief Amerikaanse producten, zo kunnen we bewijzen dat onze cultuur de sterkste is.’ Kortom, cultuur en consumptie vormen in het Westen een onlosmakelijke Siamese tweeling. Hoe hecht die samenhang is werd precies bewezen door 11 september. Laat ik het houden bij één voorbeeld uit de kunstensector. Het Guggenheim Museum van New York moest na deze terroristische aanslagen meteen 20% van zijn personeel afdanken, twee tentoonstellingen werden verdaagd, de uitbreiding van het museum werd opgeschort en een nieuwe vestiging in Brazilië afgelast. Reden: het bezoekersaantal maakte een duik van 60%.

    Stedelijke zakencijfers

Ook een jaar Culturele Hoofdstad van Europa moet in dit hedonistisch consumptiekader gesitueerd worden. Ik besef dat velen dit niet graag horen. Ze worden graag in slaap gezongen door de sirenenzang van de emancipatorische kunstretoriek, kunst als mentaal weerwerk, kunst als vrijplaats, kunst als troost, maar de artistieke programmering van een cultuurjaar als Brugge 2002, vormt geen tegenkracht tegen het consumentisme, het zwengelt de consumptie alleen maar aan. En dat is in wezen ook de bedoeling. Elke stad die, zoals Brugge of Salamanca, een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa is, gebruikt het kunstzinnige als smoes om de consumptiekermis in een nog hogere versnelling te zetten. Niet voor niets wordt het resultaat van een jaar Culturele Hoofdstad van Europa altijd in harde zakencijfers vertaald. Er mag dan al het aura van cultuur met hoofdletter omheen zweven, de zegebulletins van Glasgow 1990, Antwerpen 93 of Rotterdam 2001 bestaan hoofdzakelijk uit economische gegevens. Ik citeer uit een Europees rapport: ‘Glasgow (Scotland, UK, 1990) was probably the most successful instance with a net economic return of some £10 to 14 million for an initial investment of over £32 million. Over 5000 jobs were created.’ De Brugse toeristische dienst heeft al laten weten dat ‘de bootjes op de reien in maart 2002 72.126 passagiers telden, tegenover 31.783 in maart vorig jaar.’ Financiële return, meer tewerkstelling, een beter imago, daar gaat het om. Een Culturele Hoofdstad van Europa is wat dat betreft te vergelijken met de organisatie van de een rit van de Ronde van Frankrijk, de Olympische Spelen of het WK Voetbal. Er wordt even gretig en zwaar voor gelobbyd en gevochten om de organisatie ervan in handen te krijgen. Wie met genoeg geld over de brug komt, kan de Ronde van Italië zelfs in Groningen laten beginnen.

    Spektakelmaatschappij

In die zin hebben we de laatste decennia ook wat dat betreft een heuse culturele omslag meegemaakt. Vroeger groeide en bloeide een stad doordat er zich bedrijven kwamen vestigen, omdat er in de buurt industrieterreinen, nutsvoorzieningen en verkeersinfrastructuur werden aangelegd. Nu ontvolken vele binnensteden en moet een stad het grote publiek proberen naar zich toe te lokken met allerlei evenementen, artistieke, pseudo-artistieke en andere, afhankelijk van het karakter, de traditie en de ligging van de stad. Dat gaat van ijsschaatsen op de Grote Markt in Brussel en Antwerpen over de Gentse Feesten tot de talloze Zomerfestivals.
In het Engels bestaat hiervoor een term: event-marketing. De stad als professionele organisator of sponsor van festiviteiten, grote sportwedstrijden en artistieke animatie. Veel van onze binnensteden evolueren op die manier naar openbare fun halls. Net als alles tegenwoordig wordt de aantrekkelijkheid van een stad afgerekend op de lol die men er kan beleven. De Duitse socioloog, Gerhard Schulze, heeft daar een vuistdik boek over geschreven: Die Erlebnisgesellschaft.
Vrij recent in die evolutie is de vitale rol die toparchitectuur daarbij speelt. Welke toerist zou er ooit aan denken om naar Bilbao te reizen, als er niet het Guggenheim-museum van Frank O. Gehry stond, een gebouw dat meer commentaren heeft geproduceerd dan alle tentoonstellingen samen die er in het museum gehouden zijn? In februari van dit jaar schreef NRC-Handelsblad nog: ‘Het Guggenheim museum in Bilbao (Spanje) is in 2001 door 930.000 mensen bezocht. Bijna de helft van de bezoekers was volgens The Artenewspaper toerist en kwam alleen voor het museum naar de Spaanse stad.’ Vóór Frank Gehry er zijn sterk sculpturaal hoogstandje bouwde was Bilbao een uitgeleefde en zwaar vervuilde industriestad, met een op sterven na dode haven en uitgebluste hoogovens. Nu is het een nieuwe groeipool. Het Guggenheim-museum heeft deze Baskische stad de broodnodige impulsen en dynamiek gegeven. Het gevolg is dat ook andere internationale toparchitecten als Norman Foster, Arata Isozaki en Santiago Calatrava er op de ingeslagen weg verder zijn gegaan en Bilbao nog aantrekkelijker is geworden.
Iets soortgelijks zien we in andere Amerikaanse en Europese steden gebeuren. Er zijn mensen die onder meer naar Berlijn gaan voor het gerestaureerde Reichstaggebouw of het gloednieuwe Jüdisches Museum van architect Daniel Libeskind. Dit laatste museum had al een half miljoen bezoekers over de vloer, nog voor het openging. Horden toeristen bezoeken Londen voor Tate Modern, een tot museum omgebouwde krachtcentrale aan de Theems, én voor de nabijgelegen, wonderschone en inmiddels veilig gemaakte Millenniumbrug van Norman Foster. Ook Wenen heeft er sinds kort een nieuw toeristisch lokkertje bij. De Oostenrijkse hoofdstad heeft de historische Hofstallungen laten ombouwen tot een heuse museumwijk. Het probeert zo aan stadsontwikkeling te doen en tegelijk aan zijn eigen belegen clichébeeld te ontkomen.

    Architectuur als stadsontwikkeling

In Vlaanderen is het niet anders. Antwerpen krijgt straks misschien zijn Museum aan de Stroom in een poging om de verloederde zeemanswijk Het Eilandje te revitaliseren, nadat plannen om er een reuzeaquarium te vestigen mislukten. Toen dit peperdure project van Eric Antonis onder druk kwam - zijn tegenstanders willen liever investeren in sport dan in cultuurtempels -, verdedigde hij zich in Gazet van Antwerpenals volgt: ‘Cultuur, die mooie zachte sector, heeft ook haar hardere kant: cultuur doet centen rollen, zorgt voor overnachtingen in de stad en stampvolle restaurants. Cultuur is een uitstekend instrument om de stad te verkopen.’ Eerder is het verpauperde Zuid, waar in de jaren zestig de dokken werden gedempt, weer tot een bruisende buurt uitgegroeid, nadat er een Museum voor Hedendaagse Kunst, een Museum voor Fotografie en het Zuiderpershuis annex restaurants zijn gekomen. Brugge heeft intussen zijn controversiële concertgebouw en Gent zit te lobbyen voor een peperduur Muziekforum, dat mikt, en ik citeer, op ‘een regio van 30 miljoen mensen die in twee uur tijd met de hogesnelheidstrein naar Gent kunnen sporen.’
Parijs was misschien wel de eerste Europese grootstad die, de Eiffeltoren indachtig, met het Centre Pompidou de werf- en vitaliseringskracht van spectaculaire gebouwen heeft onderkend. Het gebouw domineert de hele omgeving en ook de kunst die er in wordt tentoon gesteld. Voor je er welke tentoonstelling ook bereikt moet je trouwens doorheen een woud waden van vuurspuwers, mimekunstenaars, clowns, muzikanten en andere kunstenmakers, en nog interessanter is het prachtig panorama over de Franse hoofdstad dat elke toerist er bovenop cadeau krijgt.
Het is dus geen toeval dat de organisatoren van Brugge 2002 ook gekozen hebben voor een confrontatie met hedendaagse architectuur. De stad sluit hiermee aan op een ontwikkeling die in het hele Westen gaande is. Het is een ideale manier voor Brugge om van zijn oubollig imago van knus maar kneuterig nep-middeleeuws stadje af te komen. Met zijn concertgebouw wordt het in één ruk opgenomen in het circuit van kosmopolitische culturele globetrotters, mensen die doorgaans kapitaalkrachtiger zijn dan de zo versmade frigobox-toeristen. Elk stadsbestuur dat zich respecteert wil tenslotte graag mensen die geld te spenderen hebben.
Bouwen doe je niet ongestraft. Elk architecturaal hoogstandje grijpt in de omgeving in. Winston Churchill heeft ooit gezegd, met name toen het Brits Parlement na bombardementen werd gerestaureerd: ‘We shape our buildings and afterwards our buildings shape us.' Die waarheid wordt meer dan ooit vandaag bevestigd. Een museum, een concertgebouw of welke andere uiting van toparchitectuur ook is het vliegwiel van de stadsontwikkeling geworden. Het zijn vitalistische symbolen, sacrale objecten. Zo worden ze ook graag in architectuurboeken gepresenteerd. In de VS is het museum na het themapark zelfs de grootste toeristische attractie. Het is er de elitaire tegenhanger van de winkelmall en het sportstadion. In en om het Amerikaanse museum vindt de hippe intelligentsia haar eigen bars, restaurants, vergaderzalen, congresruimtes, brunchhoekjes en shops, gedesigned naar de eigen trendy smaak.
En als het in Amerika regent, druppelt het in Europa. In het boek De toekomst van het verleden. Reflecties over geschiedenis, stedelijkheid en musea worden musea terecht ‘generatoren van cultuur en identiteit’ genoemd. Het Centre Pompidou heeft bewezen hoe een verloederde buurt via sensationele architecturale ingrepen kan opgekrikt worden. Het museum is immers niet langer meer een stoffige stapelplaats van de beeldende canon of het geheugen van een gemeenschap, het wordt, net als het shoppingcenter, een uitgelezen plek voor infotainment, edutainment, shoppertainment en eatertainment (zoals dat in Amerika heet). In sommige Amerikaanse musea worden zelfs dansavonden en bedrijfsbanketten georganiseerd. Arthur Lehman, de directeur van het Brooklyn Museum of Arts in New York, vertelde ooit aan NRC-Handelsblad:‘Vorige week was er een groep latino cowboys en een Afro-Haïtiaanse band, met gratis quadrille- en polka-dansles. Een eerdere topavond (8.400 bezoekers) dit jaar bood een lesbische klezmer-band en 18 leden van het Weense Festival Orkest. Dansleraren legden een uitgelaten publiek de beginselen van de Weense wals uit.’
Ook bij ons is event-management aan de orde. Een boksmatch, een hiphopparty, interviewsessies, zuilen van vlees, Jan Hoet maalt er niet om, als er maar volk op afkomt. Kunst is amusement, weten ze in Gent.
Of het nu megastores, multiplexen, Culturele Hoofdsteden van Europa, themaparken of musea zijn, massatoerisme lijkt nog de enige manier om oude steden hun vitaliteit terug te geven. Dat komt, omdat er voor massa-evenementen gemakkelijk sponsors en investeerders gevonden worden, ook al omdat die weten dat hun kapitaal op termijn winst opbrengt.

    Entertainmenteconomie

Het mag intussen duidelijk zijn: het concept Culturele hoofdstad van Europa past perfect in, sterker, is een uiting van het nieuwe markt- en rendabiliteitsdenken, ook in de kunstwereld. Het feit dat deze titel werd bedacht door de socialistische Griekse ex-minister van Cultuur, Melina Mercouri, spreekt dat niet tegen. Integendeel, het bewijst dat het marktdenken ook de sociaal-democratie heeft veroverd.
Je introduceert zo’n concept trouwens niet vrijblijvend. Wat te verwachten en te voorzien was, heeft zich voltrokken. Het heeft een wedloop tussen steden op gang gebracht op zoek naar big money. In die recente evolutie is de stad een deel van zijn open ontmoetings- en leefruimte verloren. De stad, of althans, de stadskern, is meer een ruimte voor evenementen geworden, het is het kloppende hart van de belevenis- en vooral van de entertainmenteconomie, een term van Michael J. Wolf, die daar recent een gelijknamig boek over publiceerde. Onze economie is inderdaad in een nieuwe fase getreden. Eerst waren er de jagers-verzamelaars, daarna kwam de landbouw, dan de industriële productie, vervolgens de diensteneconomie en nu proberen bedrijven producten aan de man te brengen die dragers zijn van een gevoel, een stijl, een sfeer. Nike is daar een mooi voorbeeld van, maar ook Virgin, dat zowat alles in de aanbieding heeft, van muziek over drank tot reizen, als het maar het Virgin-gevoel kan vertolken. Ook steden worden nu als producten verkocht en proberen daartoe een unique selling point te vinden. De eeuwige flaneur van Walter Benjamin, naar wie door talloze sociologen tot in den treure verwezen wordt, is vervangen door de hedonistische consument. En of die zich nu te goed doet aan braadworstkramen of aan gastronomisch weekends, deelneemt aan het massafeest Antwerpen Zingt of in rijen langs schilderijen van Jeroen Bosch sloft, ze hebben dezelfde noemer: massa. De hedendaagse stad is, net als de media en velen van ons, in de greep van het grote getal, van het bezoek- en kijkcijfer. De massa, lange tijd het kanonnenvlees voor de oorlogen van de grote heren, heeft via de democratisering en de commercialisering eindelijk zijn rekenkundige meerderheid in realisaties kunnen omzetten: Asterix hangt in het Museum, popmuziek wordt gesubsidieerd en Proust kun je inmiddels als stripverhaal lezen. Musea proberen het met block busters-tentoonstellingen en doen stelselmatig enquêtes om op de behoeften van het publiek te kunnen inspelen. Zelfs de meest intieme culturele bezigheid, lezen, moet zo nodig bevorderd worden met de gesponsorde massaverspreiding van 40.000 exemplaren van een boek dat - oh jee - de debuutprijs heeft gewonnen. Allemaal leuke dingen voor de mensen, zolang we maar blijven beseffen dat kwantiteit niets zegt over intrinsieke kwaliteit. Massa geeft macht, maar leidt zelden tot verfijning, reflectie en kritiek.
Ook steden en zelfs staten – in Amerika hebben ze het in dat verband over brand states - zetten de grote middelen in, om de begeerde massa te bereiken. Ze promoten zichzelf, reduceren zich tot een logo en zoeken een verkoopbaar imago. Hoe is dat zo gekomen? City management en city marketing zijn het gevolg van de globalisering. Globalisering verkleint de wereld, in die zin dat de hele wereld meer in het bereik komt van iedereen, maar die verkleining vergroot de concurrentie, ook die tussen steden. Elke stad is, ook toeristisch gesproken, nu een concurrent van alle andere steden en voelt zich dus gedwongen haar identiteit als product te benadrukken en uit te venten, ten einde een zo groot mogelijk deel van het vrijetijdsaanbod in te pikken. Die open competitie zal niet snel gekeerd worden. Ook toekomstige globaliseringsprocessen zullen bij voorkeur steden en stedelijke regio’s betreffen waardoor de plaatselijke economie kan en zal veranderen, zowel positief als negatief. Je zult coole steden krijgen en steden die niet langer in de markt liggen. En ik gebruik bewust de uitdrukking ‘in de markt’. Net zoals een bepaald merk kleding of rugzakken vandaag in is, en volgend jaar uit.
De concurrentiestrijd tussen steden grenst soms aan het kinderachtige. Sinds de stad Gent de VRT gesponsored heeft om decorsgewijs fraai in beeld gebracht te worden in de tv-serie Flikken, heeft ook Oostende al in zijn portemonnee getast. In het najaar komt het misdaadfeuilleton Sedes en Belly op het scherm. Deze keer worden de misdaden gepleegd in de Koningin der Badsteden. De Antwerpse cultuurschepen Eric Anthonis heeft al laten verstaan dat ook Antwerpen met geld over de tafel wil komen, als het oude Antwerpse centrum als tv-personage mag meedoen. Er is maar één reden voor dit opbod: nog meer volk lokken – voor de horeca, de kantwinkeltjes, de giftshops, de supermarkten.
Stadspolitici zijn rekenaars geworden. Ze beschouwen het stedelijk cultuurbeleid in de eerste plaats als economische multiplicator. Het gaat hen om de financiële spin offin de vorm van BTW en belastingen. City management vormt in die zin een alternatief fiscaal beleid, zeker in die steden waar de ontvolking groot is. Sinds het neoliberalisme zijn kop opstak in de jaren tachtig van de vorige eeuw is deze visie onder beleidsmensen allesoverheersend. Ze heeft de oude christen- en sociaal-democratische Bildungsidealen weggeblazen. Ik blijf me in dit verband verbazen over onze permanente bekommernis om het welzijn van horeca en middenstand. Als het met Pasen durft te motregenen aan de Belgische kust, is dat breaking news, zoals dat tegenwoordig heet. Radio en tv lezen dan onveranderlijk treurige nieuwsbulletins voor over de matige hotelbezetting of de halfvolle terrasjes. De vlaggen hangen net niet halfstok.

    Stadsontvolking

City management heeft iets dubbelzinnigs. Maar al te vaak staat het niet in dienst van de hele bevolking of van een betere organisatie van de stadsdiensten. De horeca-achterban primeert. Terwijl elke stad meer is dan alleen maar pretpark. Het is een werkplek, een oord van onderwijs, de universiteit van het leven en een intens woongebied. Toen ik in 1999 door de organisatie van Brugge 2002 werd verleid om een voorbeschouwing over het komende cultuurjaar te schrijven, vroeg ik me af of de gemiddelde Bruggeling nog meer toeristen dan de drie à vier miljoen per jaar in het al met al kleine centrum op prijs zou stellen? Of het massatoerisme niet te veel van het goede werd en de bewoners niet zelf in de verdrukking bracht? Ik vergeleek Brugge toen onverschrokken met Florence, dé kunststad bij uitstek. Ik begreep zelfs niet dat Florence ooit had geaasd op de titel van Culturele Hoofdstad. Ze is het gewoon, al vier, vijf eeuwen lang.
Intussen komt de kritiek van Bruggelingen zelf, en niet van de minste. De Brugse tekenaar Benoît is naar Schaarbeek verhuisd. ’Het toerisme is een pest geworden,’ luidde zijn laatste oordeel. Misdaadauteur Pieter Aspe heeft Brugge om dezelfde reden verlaten, weliswaar voor Blankenberge. En dichteres Christine D’Haen deed er in De Morgen nog een schepje bovenop: ‘Sedert tien jaar heerst hier een koetsenterreur… Ik kan mijn ramen niet meer openzetten, ik kan niet meer in mijn tuin zitten. Van de zolder tot de kelder horen we ononderbroken geratel van koetsen en het geroep van koetsiers, en dat 365 dagen per jaar. Wie het kan, verhuist… Brugge is een catastrofe.’
Ik laat hun woorden voor wat ze zijn, maar men zal er rekening mee moeten houden, zoal niet vandaag dan wel op middellange termijn. Als de stad al een pretpark moet zijn, en ik vrees dat we daar economisch evenmin aan kunnen ontsnappen als aan de uitbreiding van onze havens of de aanleg van industrieterreinen in de vorige eeuw, dan moet ze dat in de eerste plaats voor zijn bewoners zijn, en niet voor de eendagstoerist of de handelaars, die meestal buiten het centrum wonen en het historisch kader van Brugge alleen maar als een exploitatieplek beschouwen.
Misschien moet ik de pijnpunten van de stad als pretpark nog concreter maken. Brugge laat zich graag het epitheton ‘Venetië van het Noorden’ aanleunen. Deze roepnaam klinkt misschien leuk en aantrekkelijk, maar alleen omdat we de realiteit van het echte Venetië niet (willen) kennen. Deze Italiaanse stad heeft onder de zware toeristische druk te kampen met een gigantische ontvolking. Woonden er vlak na de Tweede Wereldoorlog nog zo’n 175.000 Venetiërs in het oude centrum, dan bedroeg het aantal inwoners vorig jaar nog geen 66.000. Die snel slinkende bevolking kreeg in 2001 ruim 12 miljoen bezoekers over zich heen. En wat erger is, het massatoerisme heeft de stad verschraald tot een toeristische monocultuur, die voor de eigen burgers bovendien onbetaalbaar is geworden. De prijzen van dagelijkse producten als melk, brood en waspoeder liggen significant boven het landelijk Italiaanse gemiddelde. Vooral jongeren ontvluchten Venetië, omdat woningen onbetaalbaar zijn geworden, met uitzondering voor wie zelf een radertje is in de plaatselijke entertainment-economie.
Ook dichter bij huis begint het massatoerisme zijn tol te eisen. ‘Als de hele wereld zich massaal voor het plezier gaat verplaatsen, wordt Amsterdam echt een onleefbaar museum,’ verklaarde een topambtenaar uit de reisbranche onlangs in De Volkskrant. Ik kan hem geen ongelijk geven. Ik kom minstens één keer per maand in Amsterdam en als ik van het centraal station naar de Dam wandel, amper een kilometer lang, passeer ik een seksmuseum, een martelmuseum, een café met topless diensters en Madame Tussaud. De ambtenaar dacht zelfs aan bezoekersquota’s zoals die al gelden voor internationaal erfgoed als de grotten van Altamira of de toren van Pisa. Misschien moeten we straks wel zeggen: ons land is vol, niet van asielzoekers, maar van toeristen.

    Brugge 2010?

We moeten dus in alle openheid de vraag durven stellen: wat zal het cultuurjaar voor de modale Bruggeling zelf veranderen? Zal hij zich beter of slechter in zijn vel voelen in 2003? Zal het concertgebouw functioneren zoals verwacht en de dynamiek continueren die er van verhoopt wordt? Alles is in dezen mogelijk, want topgebouwen kunnen ook floppen. De grootste sof was wel de Millennium Dome in Londen. Ook een cultuurjaar kan mislukken, denk aan Weimar 1999, Brussel 2000 of Porto 2001. Maar laten we niet voorop lopen op de feiten en positief blijven.
In Antwerpen heeft het cultuurjaar alleszins een gunstig vervolg gekend, niet politiek, uiteraard niet politiek, maar qua algemene ambiance. Hoewel ik in 1993 nogal wat kritiek op de programmering had, ben ik de laatste om te ontkennen dat er een nieuwe sfeer is gekomen in hartje Antwerpen. Antwerpen ’93 heeft de stad een nieuw elan gegeven, dat tot vandaag wordt vastgehouden. De Bourla is gerestaureerd, de kathedraal eveneens. Een deel van het organisatieteam van Antwerpen ’93 is ondergebracht in de vzw Antwerpen Open, die nu ter meerdere eer en uitstraling van Antwerpen in binnen- en buitenland gelijksoortige artistieke initiatieven ontwikkelt. Ik noem enkel de belangrijke: het Van Dijck-jaar 1999, de jaarlijkse Zomer van Antwerpen en het Modejaar 2001. De oorspronkelijke elitaire aanpak werd trouwens verlaten voor volksere en gevarieerdere evenementen, high en low culture door elkaar in opvoeringen en feesten die vaak gratis of zeer goedkoop zijn. Zo stelt Antwerpen sinds kort één keer per jaar zijn musea gratis een lange avond open. Telkens is het koppenlopen. Ik heb het al eerder geschreven: ‘Eric Antonis heeft gelijk: het is goed wonen in Antwerpen! Sterker, hij, maar hij niet alleen, heeft daar in ruime mate toe bijgedragen. Antwerpen swingt, theatert, vuurwerkt, vandijckt, terrast, en zomert als nooit tevoren. Antwerpen leeft!’
Ik geef Antwerpen als voorbeeld, het had ook Barcelona kunnen zijn dat na de Olympische Spelen in 1992 helemaal is opgefleurd en opleeft. Hier heeft men via architecturale ingrepen de stad van een dreigende verzuring gered, mede omdat het oude gotische en barokke stadsgedeelde opnieuw en moeiteloos aansluiting heeft gevonden met de hedendaagse architectuur aan de Middellandse Zee. Net als in Antwerpen heeft in Barcelona het nieuwe elan de nodige opvolging gekregen. Dit jaar wordt er bijvoorbeeld het Gaudi-jaar georganiseerd.
Ook in Brugge is de positieve invloed van het cultuurjaar al te merken. Men is overgegaan tot de renovatie van de Stadsschouwburg, de restauratie van het conservatorium en de toren van de O.L.Vrouwekerk. Er is een innovatieve wandel- en fietsbrug over de Coupure gelegd. Men is bezig met de hervorming en herinrichting van het Groeninge- en Memlingmuseum, er wordt vanuit regionale specialiteiten gedacht aan een samenwerking met de musea van Gent en Antwerpen. En er komt een regionaal jongerencultuurcentrum. Dat zijn allemaal positieve ontwikkelingen, waarvan het gezonde verstand vindt dat ze ook zonder de hele poespas van Culturele Hoofdstad hadden moeten plaatsgrijpen, maar zo werkt het niet. Blijkbaar mobiliseert een cultuurjaar veel intenser de geesten en de broodnodige financiële middelen om al deze projecten eindelijk te realiseren.
Is het stedelijke pretpark een vloek of een zegen? Zoals ik hopelijk heb aangetoond zorgt de zogenaamde verpretparking vaak voor de redding van de binnensteden. Dat is niet min. Een mogelijke kritiek daarop kan zijn dat steden op deze manier te veel op elkaar beginnen te lijken. Dat is alvast de stelling van de Canadese socioloog John Hannigan, auteur van Fantasy City. Pleasure and profit in the postmodern metropolis.
Maar Europa is Amerika niet, zoals Brugge Wenen of Amsterdam niet is. Europa kenmerkt zich precies door zijn dichte stedelijkheid. De meeste Europese steden hebben bovendien een zeer eigen specifieke historische kern, rond grachten, aan een meer, een zee, een rivier, op een berg of binnen een omwalling. Misschien lijkt de Meir qua winkels wel op de Kalverstraat, maar wie deze gelijkenis wil vangen onder het hoedje van homogenisering, vergeet dat het aanbod in deze winkelstraten groter dan ooit is vandaag. Dat is dus zowat het tegenovergestelde van eenheidsworst.
John Hannigan is ook niet gelukkig met het artificiële karakter die steden aannemen onder invloed van city management, maar ook hier geldt dat geen enkele Europese stad de richting van Las Vegas uitgaat, een stad die niet alleen volk trekt met zijn casino's maar zich stilaan specialiseert in miniatuurimitaties van een vermeend middeleeuws kasteel, het oude Egypte of zelfs New York. Het zou me niet verbazen als ook Brugge of Amsterdam er straks meticuleus als themahotel wordt nagebouwd. Aangezien Europa de real thing heeft, hoeven we voor die evolutie zelfs niet te vrezen.
Rest mij alleen nog de kwaliteitsvraag te stellen. Komt onze commerciële cultuur nog toe aan waardevolle dingen, of levert ze alleen maar bocht, kitsch of camp op, zoals velen in hun desperaatheid denken? Op het eerste gezicht vallen natuurlijk de rotzooi op, het lawaai, de lelijkheid, de opzichtige felle kleuren, de wansmaak. Maar dat is minder een moreel probleem dan een esthetisch. Vele intellectuelen halen beide categorieën door elkaar. Ze koppelen aan hun zogenaamde superieure smaak een morele dimensie, en die is er niet. Velen willen ook maar één kant van de werkelijkheid zien en sikkeneuren over de McDonaldisering van onze samenleving. Maar voor elke McDonald's zijn er twintig kwaliteitsrestaurants, voor elke Big Brother-aflevering vijftig lezenswaardige boeken. Wie alleen maar de fenomenen van de massacultuur ziet, kiest zelf voor het oneliner-denken en de gehaaste blik. Als er al een probleem is, is het niet dat er veel humbug geproduceerd wordt, tenzij uit ecologisch perspectief misschien. Hét probleem van deze tijd, als we dit al in deze termen mogen stellen, is het te veel aan kwaliteit. Er zijn te veel meeslepende boeken, te veel goede films, te veel prachtige muziek, te veel interessante toneelstukken, om van dansopvoeringen, websites, lezingen en Culturele Hoofdsteden van Europa nog te zwijgen.
Onze commerciële cultuur is, precies omdat ze commercieel is, een cultuur van overvloed. Het aanbod is nog nooit zo breed geweest. Dat genereuze aanbod spoort ook met onze vrijheid en vrije tijd, die eveneens nog nooit zo genereus zijn geweest. Het is niet langer aan de Kerk, de Koning, de Partij of de ouders om keuzes in onze plaats te maken, maar aan het individu zelf. Proefondervindelijk. We zijn mondig, assertief en verantwoordelijk geworden. Misschien is dat wel een onderdeel van de paradigmawissel die we aan het beleven zijn, een aspect van de naderende voltooiing van de Verlichting. Kwaliteit wordt ons niet meer voorgekauwd of door de canon opgelegd, we moeten die zelf ontdekken en dat kost moeite. Velen zullen die moeite niet willen opbrengen, het zij zo, maar wie het wel doet, wordt steeds weer beloond.
Die positieve culturele omslag zal doemdenkers er niet van weerhouden om over vervlakking, verkleutering en zelfs over de neergang van onze cultuur te spreken. Ze hebben het zoals Kalle Lasn, één van de goeroes van de antiglobalisten, over 'de vloek van de overvloed.' Het is het soort cultuurpessimisme waar ik, realist tot in de kist, optimistisch van word.

©  Leo de Haes