Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

De zaak vuilniszak

Peter Eijgenhuijsen

Toen de econoom Wim van Dijk, na een carrière van achtendertig jaar op een financiële afdeling van een kleine verzekeringsmaatschappij, met pensioen ging kon hij zich niet voorstellen hoe zijn nieuwe leven zonder rapporten en vergaderingen er uit zou zien. In het personeelsblad had gestaan dat hij in het vervolg meer tijd zou hebben voor zijn hobby's. Die had hij wel: tuinieren en postzegels. Maar aan de achtertuin van zes bij twaalf en de half zo grote voortuin had hij niet veel werk. En naar zijn postzegelverzameling had hij al lang niet meer omgekeken. Wie spaarde er eigenlijk nog postzegels, vroeg hij zich af. Hij bracht de eerste maanden na zijn pensionering dan ook in ledigheid op de bank door.
Vanaf die bank sloeg hij de bedrijvigheid van zijn vrouw Magda gade. Er kwam nog een hoop kijken bij het huishouden. Daar had je als man helemaal geen idee van. Stofzuigen - hierbij tilde hij altijd behulpzaam zijn voeten op -ramen lappen, wassen, strijken, het grootste deel van de dag ging ermee heen. Magda deed alles met grote routine en vanzelfsprekendheid, maar toch meende Wim na verloop van tijd enige wrevel bij haar waar te nemen.
Op een morgen toen hij in alle rust op de bank de financiële bijlage van zijn ochtendkrant las, duwde Magda het personeelsblad onder zijn neus.
'Wat staat hier?' vroeg zij.
Hij las hardop: 'Het is te danken aan mensen zoals Wim van Dijk dat. . . '
'Nee, niet dat, dit. ' Ze wees met haar vinger.
'Ook zal Wim nu de tijd hebben om zijn vrouw Magda bij te staan met het huishouden. '
'Aha,' zei zij met een triomfantelijke toon in haar stem.
'Ik zou zeggen, er is geen beter moment dan nu. De was moet opgehangen en de vuilniszak zit vol. '
Wim zag in dat Magda's verzoek redelijk was. Zij had het die achtendertig jaar altijd alleen moeten doen, dus was het niet meer dan billijk dat hij nu een handje toestak.
Vanaf dat moment deden ze het huishouden samen. Aanvankelijk richtte Wim zich vooral op het zware werk. Zo droeg hij de boodschappen, liep hij met de wasmand naar de waslijn achter in de tuin en zeulde hij met emmers water achter Magda aan wanneer de buitenboel aan de beurt was. Maar na een tijdje begon hij ook na te denken over verbeteringen in de procesgang van de diverse huishoudelijke taken.
'Magda,' zei hij op een morgen tijdens de koffie, 'we doen het huishouden nu zo'n maand samen. Jij hebt meer tijd voor je zelf. Ik heb wat om handen. Prima. Maar ik denk dat hier en daar nog wel wat kan worden verbeterd. Ik bedoel, als we er wat meer systeem inbrengen, kunnen we de efficiëntie vergroten. Verder is, volgens mij, de logistieke kant van de inkoop en het voorraadbeheer nog wat onderontwikkeld. '
'Zo, en wat voor systeem had je dan in gedachten?' zei Magda sceptisch.
'Ik bedoel werken volgens een vaste agenda: maandag doen we dit, dinsdag dat. . . De inkoop van eventuele benodigdheden kunnen we daar dan op afstemmen. '
'Geen sprake van. Dat deed mijn moeder: maandag wassen, dinsdag strijken en woensdag weer iets anders. Ik ben blij dat ik daar vanaf ben. Ik vind het fijn dat je meehelpt en als je iets ziet dat gemakkelijker kan, prima, maar we gaan er geen bedrijf van maken. '
Wim zweeg. Hij begreep dat Magda meer tijd nodig had. Hij kon de zaken beter nog eens rustig bestuderen en dan met concrete voorstellen komen.

Een van de dingen waarop hij zijn aandacht richtte, was de zorg voor de vuilniszak. Dat was ook een taak die hij zich had toegeëigend vanwege het mannelijke karakter ervan. De vuilniswagen kwam één keer per week, op woensdagmorgen, en het was zaak om dinsdagavond de zak precies vol te hebben. Een halflege zak op de stoeprand zetten was zonde. De kosten namen in hun gemeente immers toe naarmate je meer zakken gebruikte. En wanneer de zak te laat volledig gevuld was moest hij nog bijna een volle week in het schuurtje staan, en dan kon het gaan stinken, vooral bij warm weer.
Wim vulde iedere week de vuilniszak met religieuze toewijding. Dat begon met het plaatsen van de nieuwe nog maagdelijke zak. Daarna kwam het deponeren van het eerste afval dat door het naar binnen toe opbollen van de zak halverwege bleef steken en zich pas op de bodem neervlijde nadat de zak even van de plastic bak was losgemaakt. Na enkele dagen was de zak steevast met kleine druppeltjes berijpt en begonnen de voorwerpen in het onderste gedeelte hun identiteit te verliezen en een amorfe massa te vormen. Dat was ook de fase waarin de vertrouwde vuilnisgeur zich begon te manifesteren. Gedurende de week drukte hij de inhoud van de zak regelmatig samen met een oude krant om een optimale vulling te bewerkstelligen. Tenslotte haalde hij de volle vuilniszak uit de bak, hetgeen een zacht zuigend geluid veroorzaakte, draaide hem rond en bond hem dicht met vlastouw. Of, wanneer de zak erg vol was geworden en er van samenbinden geen sprake meer kon zijn, plakte hij hem dicht met grote stroken bruin plakband.
De zakken raakten de ene keer sneller gevuld dan de andere. Soms kon het gebeuren dat hij zondagavond al met aanplempen moest beginnen teneinde het nog tot dinsdagavond met de betreffende zak uit te kunnen houden. Een andere keer bleef de zak lang leeg en begon hij in het weekend naar dingen te zoeken die nodig weggegooid moesten worden. Ook voerde hij dan de consumptie van bijvoorbeeld koekjes en zoutjes op, zodat de verpakking tijdig beschikbaar kwam.
Wanneer hij dan dinsdagavond een goedgevulde vuilniszak buitenzette was hij zeer voldaan. Dan was het net of hij na lang zoeken de jaarrekening van zijn voormalige werkgever kloppend had gekregen. Als het weer het toeliet ging hij even op het hekje van de voortuin zitten en bekeek op zijn gemak de andere zakken in de straat. De meeste mensen zetten meerdere zakken buiten, vaak slecht gevuld. Het was alsof ze geld te veel hadden. Misschien was het buitenzetten van veel zakken wel het nieuwe statussymbool. Hij glimlachte. Nee, de mensen stonden gewoon te weinig stil bij dit soort zaken.
Het gevoel van voldoening bij het buitenzetten van een goed gevulde vuilniszak op dinsdagavond beleefde altijd zijn herhaling op woensdagmorgen, wanneer hij tijdens het wassen en scheren door het badkamerraam constateerde dat zijn zak met een fraaie boog in de vuilniswagen verdween.

Op een regenachtige woensdagmorgen, juist toen hij met snelle bewegingen een dubbelbladig scheermesje hanteerde, viel zijn blik op een vuilnisman die de vuilniszak van de linkerburen de wagen in zwierde. Hij begon te neuriën, maar stopte vrijwel onmiddellijk. De vuilnisman pakte hun vuilniszak op en zette die weer neer, krabde zich achter het oor, haalde een kaart uit zijn borstzak, bekeek deze, las vervolgens de gegevens op hun groene plastic brievenbus, stak de kaart weer weg en liep door naar de volgende zak. Wim voelde een scherpe pijn in zijn wang, graaide met zijn linkerhand naar de tissues en staarde naar buiten. De vuilnisman gooide nu de zak van de rechterburen de wagen in. Wim bette zijn wang terwijl de vuilniswagen langzaam zijn weg vervolgde.
Als in trance ging hij verder met scheren. Wat kon er gebeurd zijn? Zijn zak was een modelvuilniszak en stond keurig aan de stoeprand, zoals het hoorde. Hij keek weer naar buiten. De zak stond er nog steeds. Jampotjes, dacht hij plotseling. Dat moest het zijn.
Magda gooide regelmatig lege jampotjes in de vuilniszak en dat was niet toegestaan. Flessen brachten ze naar de glasbak, maar Magda vond het te ver gaan om jampotjes eerst af te wassen en dan weg te brengen. Ik ben wel goed maar niet gek, had ze tegen hem gezegd toen hij er eerder een opmerking over had gemaakt. Maar al het glas hoorde in de glasbak, dat werd er door de overheid ingeramd. Hij veegde met de handdoek de laatste resten scheerzeep weg, zag dat zijn wang nog bloedde, bette het wondje met aluin tot het bloeden stopte en daalde af naar de huiskamer.
'Heb je gezien dat ze onze zak niet hebben meegenomen?'
'Wat?' zei Magda. Ze keek op van haar damesblad.
'Onze vuilniszak, ze hebben hem laten staan. '
'Nou, dan hebben ze hem zeker vergeten. Zet hem maar weer in het schuurtje, dan komt dat volgende week wel. Heb je je gesneden?'
'Ja,' zei Wim, 'maar ze hebben onze zak niet vergeten. Ze hebben hem bewust niet meegenomen. Ik dacht, misschien ligt het aan de jampotjes. . . Ik heb het je gezegd. Al het glas moet in de glasbak. '
'Wat is dat nu toch voor onzin. Ik gooi altijd jampotjes in de vuilniszak, al sinds we getrouwd zijn. En altijd hebben ze de zak meegenomen. Nou ja, vroeger had je geen zakken, maar dat doet daar niets aan af. Je haalt je iets in je hoofd. '
'Ja, vroeger,' zei Wim schamper, 'vroeger. De tijden zijn wel veranderd en niet altijd in gunstige zin. '
'Begin je weer? Zet de zak nu maar in het schuurtje. Ik zal het ontbijt klaarmaken. '
Wim ontsloot de voordeur en liep door de voortuin naar de stoeprand. De zak was de enige in de straat. Hij haalde zijn schouders op en bracht hem naar het schuurtje.

Die middag zag hij, toen hij een giro-enveloppe naar de brievenbus bracht, in de Berkenlaan nog een verlaten vuilniszak staan. Wat had dat te betekenen? Zat er in die zak ook iets onreglementairs en was hij daarom niet meegenomen? Was er iets anders aan de hand? Als hij het niet onderzocht zou hij het nooit weten. Hij postte de enveloppe en liep terug naar de zak.
Hoewel niet optimaal gevuld, was het op het eerste gezicht een heel gewone vuilniszak. Wim keek even om zich heen. De straat was verlaten. Snel nam hij de zak op, sloeg de hoek om en liep ermee naar huis, naar zijn schuurtje. Daar opende hij de zak en controleerde de inhoud. Er zaten geen jampotjes in de zak, wel verschillende bier- en frisdrankblikjes en ook flink wat tuinafval. Veel wijzer werd hij er niet van. Hij deed alles weer in de zak, zette hem naast hun eigen zak en ging zijn handen wassen.

De volgende woensdagmorgen was hij al vroeg aangekleed. Vanachter de vitrage in de huiskamer hield hij zijn blik strak op zijn drie vuilniszakken gericht. Daar kwam de vuilniswagen de straat in. Twee mannen gooiden één voor één de zakken in de langzaam voortrijdende vuilniswagen. Zo te zien werden er geen zakken overgeslagen. De zak van de buren verdween in de wagen en weer, hij kon het bijna niet geloven, negeerde de vuilnisman zijn zakken. Wim rende naar buiten en riep: 'Hé, u vergeet mijn zakken. ' De vuilnisman schudde echter resoluut van nee, draaide zich om en zwierde de zak van de rechterburen de wagen in.
Wim stoof woedend zijn huis weer in. 'De gemeentereiniging,' riep hij, naar adem happend. 'Ik bel de gemeentereiniging. Die verdomde vent neemt onze zakken weer niet mee. Waar is de telefoongids?'
'Ik zoek het nummer wel even,' zei Magda, 'maar maak je nou niet te druk. Denk aan je hart. Het zijn maar vuilniszakken. ' Ze reikte hem de opengeslagen telefoongids aan.
'Al onze lijnen zijn bezet,' sprak een opgewekte vrouwenstem: 'wij vragen u een ogenblikje geduld. ' Nadat deze mededeling enige malen was herhaald klonk opeens een zware mannenstem.
'Gemeentereiniging. '
'U spreekt met Van Dijk. U hebt onze zakken vergeten. '
'Uw zakken vergeten? Waar woont u?'
'Hazelaarstraat 24. Van Dijk is de naam. U heeft nu al twee weken achter elkaar onze vuilniszakken niet meegenomen. . . '
'Meneer Van Dijk, nu moet u niet persoonlijk worden. Ik zit hier op kantoor. Ik heb al jaren geen zak meer meegenomen.
Mijn rug, moet u weten, maar ik heb alles genoteerd. We maken er werk van. Goedemorgen. '
'Ze maken er werk van,' zei Wim schamper, terwijl hij de hoorn neerlegde. Wat dachten ze wel? Dat ze hem, met achtendertig dienstjaren, zo konden behandelen? Ze lieten hem in zijn eigen vuil zitten. Een groot schandaal was het. Een groot onrecht. Hij ging naar buiten en zette de zakken in het schuurtje.

Anderhalf uur later zette hij twee volle boodschappentassen op de keukentafel.
'Ik pak ze zelf wel uit,' zei Magda, 'anders kan ik straks niets meer vinden. '
Wim liep naar de huiskamer en ging op de bank zitten. Zakken vol sleepte je naar je hol en de restanten zette je weer bij de stoeprand. Een merkwaardige cyclus. Hoe zouden de verhoudingen liggen? Een zak naar binnen en twee weer naar buiten? Nee, dat kon niet. Een op een misschien? Twee op een was waarschijnlijker. Het was zaak om hierin een soort balans te vinden. Als dat lukte, dan kwam ook de rest in orde.
Maar intussen zat hij wel met zijn zakken in zijn maag. Wat moest hij doen? Ik heb meer materiaal nodig, dacht hij. Ik moest maar eens een ommetje maken. In de Hazelaarstraat en de Berkenlaan waren alle zakken meegenomen, maar op het Beukenplein trof hij twee zakken aan. Kijk eens aan, dacht hij. Die zullen wij eens onderzoeken. Het kon hem al wat minder schelen of hij onderweg iemand tegenkwam. Alleen Magda zou hij nu niet graag tegen het lijf lopen. Hij bracht de zakken ongezien in veiligheid. In de ene zak trof hij drie glazen flessen aan terwijl de andere vrijwel geheel met tuinafval was gevuld. Hij maakte vorderingen.
De rest van de week dacht hij regelmatig na over wat hij nu moest doen. Gewoon afwachten was te riskant. Hij wilde niet afhankelijk zijn van de willekeur van een stelletje ambtenaren. Hij moest zelf iets doen, maar wat?

De volgende woensdagmorgen zo'n kwartier voordat de vuilniswagen verwacht werd laadde hij zes vuilniszakken op zijn kruiwagen en reed ermee de straat uit, de hoek om en een flink eind de Berkenlaan in. Daar zette hij zijn zakken bij de stoeprand. Hij voelde juist iets van een voldaan gevoel in zich opkomen toen er krachtig tegen een raam werd getikt. Vanuit de bovenverdieping van het huis waar hij voor stond werd hem een kwade blik toegeworpen. Een jonge vrouw wees op de zakken en gebaarde dat zij daarvan niet gediend was. Even voelde Wim zich weer de schooljongen die bij het voetballen met een wild schot de bal in een vijandige tuin had doen belanden. Maar was hij daarvoor vijfenzestig geworden? Wie dacht ze wel dat ze was? Als ze ruzie zocht kon ze die krijgen. Ruzie? Als er iets was wat Magda ten koste van alles trachtte te vermijden, was het ruzie. Hij zuchtte, laadde de zakken weer op de kruiwagen en kruide zonder om te kijken terug naar huis.
Plotseling realiseerde hij zich dat de vuilniswagen elk moment kon komen. Hij versnelde zijn gang. Eerst zette hij er stevig de pas in, maar daarna ging het in volle draf. Hij stoof luid hijgend de hoek om van de Hazelaarstraat en was net op tijd om te zien hoe, aan het andere uiteinde van de straat, de vuilniswagen uit het zicht verdween.

Donderdagmorgen zat Wim moedeloos op de bank. Wat kon hij nu nog doen? De gemeentereiniging had hem naar aanleiding van zijn klacht een folder gestuurd waarin vermeld stond wanneer de vuilniswagen verwacht mocht worden. Hij had nog twee keer gebeld, maar was niet verder gekomen dan het antwoordapparaat. Moest hij de vuilnisman misschien iets toestoppen?
Hij zag Magda terugkomen van de buren met het afvalemmertje uit de keuken. Leeg.
'Wat heeft dat te betekenen?' zei hij.
'Ja hoor eens,' zei ze, 'zo kan ik niet vooruit in de keuken en Mathilde heeft gezegd dat ik altijd mocht komen.'
'Wij kunnen onszelf wel redden,' zei Wim.
'Onszelf redden? Ik weet niet meer waar ik heen moet met de troep. Ik kan het schuurtje niet meer in want dat staat vol zakken. Ik zal maar niet vragen waar die allemaal vandaan komen. Ik ben het zat.'
Wim zei niets en liep de kamer uit, pakte zijn jas en trok de voordeur met kracht achter zich dicht.
Die middag zat hij in de bibliotheek achter een grote stapel boeken. Hij las alles wat er te vinden was over afvalproblematiek en recycling en over de voor- en nadelen van storten en verbranden.

Woensdag was Wim al vroeg in zijn schuurtje. Hij voelde zich schuldig omdat hij de vorige avond twee slaaptabletten in Magda's warme melk had gedaan. Maar hij kon haar nu niet gebruiken.
In de hoek van de schuur stond een grote stapel oude kranten. Daar moest hij maar mee beginnen. Hij droeg de keurig bij elkaar gebonden pakketjes twee aan twee naar de stoeprand en maakte er weer een stapel van. Daar omheen plaatste hij drie kapotte keukenstoelen en vier oude manden. Daarna droeg hij zijn zeven vuilniszakken naar de stoeprand en plaatste ze tussen en op de stoelen en kranten, zodat een manshoge piramide ontstond. Door ruimtes open te laten in de piramide zorgde hij voor voldoende luchttoevoer. Tenslotte nam hij de jerrycan benzine en goot hem leeg over de stapel. Even aanschouwde hij het tafereeltje en ging toen op het tuinhekje zitten.
Een minuut of tien later reed de vuilniswagen de straat in. Twee vuilnismannen gooiden een voor een de zakken in de langzaam rijdende wagen. Er werden geen zakken overgeslagen. Pas vlak voor hun huis bemerkte een van de vuilnismannen de piramide. Hij wenkte zijn oudere collega. Die wierp een blik op Wim en haalde een kaart uit zijn borstzak: 'Nummer 24? Helaas. We hebben onze instructies.'
'O, maar ik heb jullie ook helemaal niet nodig,' zei Wim.
Hij nam een doosje lucifers uit zijn zak, stak er een aan en wierp hem aan de voet van de piramide. Een luchtaanzuigende steekvlam deed de vuilnismannen achteruit springen.
'Die vent is getikt,' riep de jongste. De ander gebaarde aan de chauffeur dat hij de wagen weg moest zetten en trok een draagbare telefoon uit zijn broekzak.
Wim was ook een paar passen achteruit gegaan en keek nu, met zijn handen in de zij, naar de manshoge gele vlammen. Man, man, wat fikte dat. Hij had zich in tijden niet zo goed gevoeld. Wel moest hij na een tijdje constateren dat de volledige verbranding die hij had nagestreefd niet was bereikt. Dikke roetwolken stegen op.
De wolken bleven niet onopgemerkt. Van alle kanten kwamen buren aangelopen. In de verte hoorde hij sirenes. Ze zijn er snel bij, dacht hij. Er waren blijkbaar toch nog mensen met plichtsbesef. Dat deed hem goed.
Even later was een vijftal brandweerlieden in de weer met het blussen van de huiselijke vuilverbranding. Ook de politie was gearriveerd. Een agent stapte op hem toe.
'Gaat u mee naar het bureau?'
'Een oude man meenemen, dat kunnen jullie,' riep Wim, 'maar een paar vuilniszakken, ho maar. '
Met zachte dwang duwden twee agenten hem in de politieauto. Met de sirene aan baande de wagen zich een weg door de nieuwsgierige buren. Wim wierp nog even een blik op zijn huis en zag nog juist hoe Magda een slaperig hoofd uit het slaapkamerraam stak. Hij had haar nog wat uit te leggen, dat wel.

Voor de zoveelste keer keek hij zijn cel rond. Dat er onder het politiebureau in hun wijk nog cellen waren, daar had je als oppassend burger helemaal geen idee van. Men had het niet nodig gevonden om de deur af te sluiten. En hoewel hij dat een beetje jammer vond, vond hij het toch ook wel prettig dat hij blijkbaar nog steeds een betrouwbare indruk maakte. Ze dachten natuurlijk dat hij een beetje in de war was. In de war, wie was hier nu in de war? Hij begon zich weer kwaad te maken. Dat kon hij beter niet doen.
Hij was, nadat hij naar het politiebureau was gebracht, eerst uitvoerig ondervraagd door een gezette inspecteur die ook proces-verbaal had opgemaakt. Daarna had hij een kopje koffie gekregen en was de inspecteur naar de gemeentereiniging vertrokken om ‘de zaak vuilniszak’, zoals hij het had genoemd, op te helderen. Hij had Magda mogen bellen. Ze had het redelijk goed opgenomen en had hem opgedragen goed voor zichzelf te zorgen en geen gekke dingen meer te doen. Geen slecht advies. In een cel had je de tijd om eens rustig over alles na te denken. Hoe zat het alweer? Balans, daar ging het om.

'Meneer Van Dijk,' zei de inspecteur een uur later, 'ik denk dat we de zaak hebben opgelost. wilt u mij maar volgen?' Wim liep achter de inspecteur aan naar diens kamer.
'Ze hebben het bij de gemeentereiniging even nagekeken. Het blijkt dat u enkele weken geleden een onjuist gevulde vuilniszak heeft aangeboden. Dat wil zeggen dat er dingen in zaten die er niet in horen: glas, blik, tuinafval, batterijen. Of dat er iets met de zak zelf aan de hand was: niet goed dichtgebonden of stuk of zoiets. U begrijpt het. Zo'n zak wordt niet meegenomen. De aanbieder ontvangt volgens de laatste regels een schrijven met een aanduiding van de overtreding én een acceptgiro. Zolang de boete niet is betaald, wordt er geen vuil opgehaald. '
'Maar. . . ' zei Wim.
'Ik weet wat u wilt zeggen,' hernam de inspecteur, 'u heeft nooit een schrijven gehad. En dat is ook zo. Een fout van de computer. Zo wist u natuurlijk niet dat u iets fout had gedaan, en dat was het begin van alle ellende. Wat ze bij de gemeentereiniging niet begrepen, was dat die fout niet eerder aan het licht is gekomen. Er zijn blijkbaar nog een paar andere gezinnen in uw buurt waarbij geen vuil meer werd opgehaald zonder dat ze een schrijven hadden ontvangen, maar die mensen hebben niet geklaagd. Heel vreemd. '
Wim zweeg.
'Alles is opgelost,' zei de inspecteur. 'De gemeentereiniging stuurt u nu geen schrijven meer en geeft u ook geen boete, omdat het toch ook een beetje hun fout was. Meneer Van Dijk, u kunt gaan, maar dat soort taferelen als vanmorgen wil ik niet meer meemaken. ' Hij schudde hem de hand en leidde hem naar de deur.

De volgende woensdagmorgen stond Wim zich in zijn onderbroek te scheren. Zijn vuilniszak stond sinds de vorige avond keurig bij de stoeprand. Daar reed de vuilniswagen de straat in. Een voor een verdwenen de zakken in de wagen. Hopla, daar ging de zak van de buren, en nu waren zij aan de beurt. Wim draaide zich om en liet zich moeizaam zakken tot in kleermakerszit. Hij schikte zijn buik, verwijderde een stofje uit zijn navel, glimlachte en sloot de ogen.

©  Peter Eijgenhuijsen