Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Nooit meer klagen

Christophe Vekeman

1.
Eenieder zou in mijn plaats barstensvol zitten met zelfmedelijden, al was het maar omdat dit gevoel mij geheel en al onbekend is. ‘t Is namelijk mijn overtuiging dat ik het verdien te worden gehaat, te worden gestraft, beschimpt, veracht en misprezen. Zo is dat. Zo weerzinwekkend ben ik. Ja, enkel hierdoor al lijkt mij ‘t bewijs van mijn nietswaardigheid geleverd : mijn overtuiging staaft zichzelf.
Eenieder zou in mijn plaats met eender wie willen ruilen wat verleden, heden of toekomst betreft, maar gesteld dat dit al mogelijk was, ik zou er radicaal voor bedanken; zozeer ben ik ervan doordrongen geen recht op een beter lot te bezitten, dat ik er niet eens behoefte aan heb.
Wat mij tegenstaat in anderen, is hun voortdurende hang naar geluk, die mij telkens weer aan het hoofdschudden brengt. Kunnen zij werkelijk dan niet bevatten hoe vergeefs hun doelloze streven is ? Zijn zij dan zo blind en stompzinnig ?
Ziedaar waarom ik ondanks alles, als om mijn kleinzieligheid te bekronen, mezelf toch superieur waan.
Wie lager vallen wil dan ik, zal eerst zeer diep moeten graven.

Mij treft verbazing als iemand mijn gezelschap dermate op prijs schijnt te stellen dat hij mij opzoekt of m’n telefoontoestel aan het rinkelen brengt. Nooit kom ik erachter wat er precies van mij wordt verlangd en algauw maakt mijn verbazing plaats voor achterdocht. Wat hopen zij die mij bezoeken te vinden in mijn aanwezigheid ? Alleen al ‘t feit dat ik hun drijfveren niet eens begrijp, sluit elke vorm van communicatie bij voorbaat uit.
Dat ik interessant zou wezen en boeiend als conversatiegenoot, kan ik onmogelijk aannemen, want pratend put ik mij uit in clichés en overigens zwijg ik liever. Bron, lijkt mij dit, van heel veel ellende : gesteld dat ik waarachtig iets te zeggen had, iets dat het formuleren waard was, men zou mij aanstaren met open mond en opgetrokken wenkbrauwen, ontzet, meteen vertrekkensklaar blijkend om nooit meer weer te keren. Ik heb echter niets te zeggen. Ik ben even eenzaam als een genie, maar jammer genoeg niet even verstandig.
Veel meer schiet er niet op dan mensen te minachten omdat zij zich niet te goed voor mij voelen. Wie hunkert naar mijn vriendschap moet van het allerlaagste allooi zijn. Met zo’n bezoekers kan je me dunkt niet anders dan : ermee opgescheept zitten.
Ik ben bang, nee, als de dood voor dat soort mensen, zoals kinderen soms van blaffende hondjes.
Opluchting is slechts dan mijn deel wanneer ik afscheid neem, de hoorn neerleg of de deur sluit en deze trouwens doorgaans meteen, van de weeromstuit zeg maar, hoewel misschien ook uit een stiekeme neiging tot onbeschoftheid, met een luide klik in het slot draai, zoals brutale romanpersonages wel plegen te doen wanneer d’r zo-even een dame is binnengekomen.
De vergelijking houdt geen steek. Nooit komt bij mij een vrouw over de vloer en zo ja, dan lijkt zij op Jeroen Brouwers, - dat doet zij althans in mijn ogen.
Een vrouw die zich spontaan verwaardigt om haar blik op mij te richten, haalt wat mij betreft zichzelf neer, vanzelfsprekend en automatisch, tot de goorste onaantrekkelijkheid. Een oogverblindende maagd van een onmiskenbare schoonheid waarop zelfs ik niets aanmerken kan, hoeft toevallig mij maar uit te kiezen om aan te vragen hoe laat of het is opdat ik haar bits als een hoer betitel, - al dan niet luidop. Zo weinig respect breng ik op voor mezelf.
Tot mijn verdediging of troost kan ik niets aanwenden, gebeurtenissen of omstandigheden in mijn jeugd staan geheel los van mijn persoonlijkheid : ik ben wie ik ben niet geworden, maar integendeel altijd geweest. Tot overmaat van zelfhaat is alles mijn eigen schuld, ja. Ik kan niemand met de vinger wijzen of opzadelen met wroeging door hem te tonen welke gevolgen zijn gedrag jegens mij maar liefst heeft gehad. Hoe graag had ik pakweg mijn ouders met verwijten kunnen overstelpen, - maar neen ! Niets daarvan !
Mijn ouders zouden trouwens sowieso wel beter weten.
Ik ben een ramp die enkel zichzelf treft.

Als kind al wou ik schrijver worden, naar het me voorstaat zelfs van toen ik nog eens niet kon lezen.
Hoezo dit ? Vanwaar mijn betreffende plannen dan ?
Begreep ik toen reeds intuïtief dat het schrijverschap, hetwelke dan ook, nog nooit iemand iets anders opgeleverd heeft dan de meest miezerige misère, of is die wetenschap mij op een goede dag misschien door deze of gene bij wijze van goedbedoelde waarschuwing in ‘t kleuteroor gefluisterd : ‘Dit kan je niet vroeg genoeg weten, jongen…’
Hoe dan ook leerde ik schrijven met het oog op scheppen, expressie en kunst. Dat ik letterlijk niet het minste talent bleek te hebben, ontmoedigde mij geenszins. Bij opvallend gebrek aan zogenaamde ‘knobbel’, hoe klein, hoe elementair van omvang ook, vermocht ik mij op school niet één enkele vreemde taal eigen te maken : teken aan de wand, natuurlijk. Kijkend naar een Angelsaksische film, weet ik mij trouwens nog steeds volmaakt afhankelijk van de geboden ondertiteling ; vraagt een Fransman mij de weg, ik dien mijn toevlucht te nemen tot een paniekerig gebarenspel waaruit ik algauw ook zelf niet meer wijs raak. ‘Do you speak English ?’ vraagt zo’n Frans dan soms.
Mijn moedertaal beheers ik zoals een jonge man zijn geslachtsdeel : soms doet dit weliswaar wat hij zegt, maar vaker nog gaat het met hem op de loop.
Schrijver en mens vallen samen bij mij : allebei zijn ze mislukt. Dat ooit een uitgever zich bereid heeft getoond een roman van mij op de markt te brengen, mag een zo groot mysterie heten dat ik er zelf naderhand een wijds opgezet complot achter ben beginnen vermoeden, een complot tot meerder leedvermaak omtrent mijn nietig persoontje. Dit vermoeden groeide nog toen elk tijdschrift en dagblad mijn aantoonbaar onbelangrijke boek met een heuse recensie vereerde : de toon van deze recensies sprak het bestaansrecht ervan uiteindelijk tegen.
Mijn boek werd het niet waard bevonden om er woorden aan vuil te maken, zo schreef men.
In het beste geval werd ik een stokoude puber genoemd die zichzelf al te lang overleefd had. Andere citaten horen eigenlijk thuis op de schutting en wil ik hier dus niet aanhalen. Waarom zou ik ? Ornithologie voor beginners werd gekraakt als een windei, en daarmee is alles gezegd.
Maar nóg was het hiermee niet afgelopen, neen, echt, er zat nog meer in. Wat volgde waren interviews waarin ik schutterig moest toegeven dat ik geen lor te zeggen had bij gebrek aan ideeën en het vermogen om die onder woorden te brengen. Toen is gebleken : duw mij een microfoon voor de mond en ik spreek slechter nog dan ik schrijf. Ik schoot er zélf soms haast bij in de lach.
Aanvankelijk nochtans in volle ernst mijn kans grijpend die uitzicht bood op een schrijfcarrière, werd ik in een mum een curiosum dat net zo min in verband stond met Literatuur als Eddy Wally met Goede Muziek.
Alweer een vergelijking die mankend en wel de mist in gaat : Eddy Wally is steeds, decennialang, een waar succesnummer gebleven. Ik echter was een soort van running gag die bij de start al op zijn laatste beentjes liep. Men lachte om mij uit spotzucht en toen bleek dat dit mij geenszins deerde – natuurlijk niet, ik verdiende niet beter ! ik had het zelf gezocht ! – sloeg hun gegrinnik om in tandengeknars, en hun spotzucht in moede ergernis.
De grap was snel van mij af. Er is niets komisch aan mij of mijn lot.
Ook in die periode van dubieuze persoonlijke faam heeft niemand erover gepiekerd een exemplaar te kopen van mijn roman, zelfs niet uit nieuwsgierigheid : slechte boeken blijken minder opzienbarend en zeldzaam dan baarlijke dwaze monsters als ik. Ofwel ligt de verklaring hierin dat kermisgangers wél de olifantman wensen te zien, maar liever toch niet zijn fecaliën.
Je merkt dat ik ondanks alles en ook nu nog probeer om indruk te maken : fecaliën !
Maar misschien probeer ik dit net wel in de zekerheid dat imponeren me toch niet lukt. Want wie, welbeschouwd, zou mijn droeve poging hiertoe niet doorzien ?
Iedereen weet : hoe hij zich ook draait of keert, een drol blijft toch altijd een drol.

Wat zeg je ? Overdrijf ik ? Ongetwijfeld overdrijf ik ! Hoe meer ik overdrijf, des te waarheidsgetrouwer mijn woorden : ik ben hysterisch zoals een geraamte morsdood is. Als baby huilde ik de stad wakker terwijl ik niets eens honger had, of toch weigerde te worden gevoed.


2.
‘t Is zomer nu, de mensen zweten. Ik ook, ik stink. Terwijl ik hier in de brandende zon op een terrasje bier zit te drinken verbeeld ik mij dat de walmende wolk van stank die ik afscheid mij als een reusachtige parasol overhuift.
Ik verkeer in een relatief goede stemming : dit is mijn tweede glas pas, maar ik weet dat er nog heel wat zullen volgen, - en naar elk daarvan kijk ik uit ! Ik drink vaak veel, teveel, en niet enkel bier maar ook distillaten. Waarom niet ? Katers prefereer ik nog boven de dronkenschap zelf, mijn gezondheid is me geen zorg en ‘t zootje ongeregeld dat ik heb aan gedachten mag gerust verloren gaan voor mijn part. ‘t Voornaamste is dat drank mij kalmeert.
Hé !
Achter mijn rug ontwaar ik tweestemmig gegiechel : meisjes maken zich vrolijk om mij.
Terstond ben ik bij de pinken.
Doorgaans ben ik een stille genieter die net doet of hij niets in de gaten heeft, maar heden voel ik zowaar de drang om voluit te gaan (het warme weer ? het feit dat na twee glazen bier iedereen –en ook ik- in topvorm is ? of is het omdat ik vannacht mezelf heb beschreven en dientengevolge vermoed, of zelfs mij onbewust heb voorgenomen, dat ik tot eigen schade en schande ook over wat komen gaat minutieus verslag zal uitbrengen ?).
Hoe dan ook draai ik mij om, kijk over m’n schouder en glimlach de meisjes instemmend toe. Aanvankelijk teleurgesteld dat zij mij nu pas blijken op te merken (maar waarom giechelden zij dan ?) maakt de verontwaardigde blik in hun ogen meteen veel goed, of opent die toch een hoop perspectieven.
En inderdaad, wanneer ik uitdagend hen aan blijf staren, almaar die glimlach op mijn gezicht, mijn tanden geel en vuil en bloot, beweegt een van de meisjes haar kin naar voor en snauwt plots : ‘Wat scheelt er ? Wat moet je ?’
Verrukt stel ik vast dat haar tong is begiftigd met het meest cassante van alle accenten : zij spreekt verdikke Hollands (ik meen zelfs Amsterdams) !
Mijn glimlach verbreedt zich nu nog, zij het ditmaal onwillekeurig : net als clitoridectomie met Afghanistan, associeer ik castratie met Nederland.
‘Ik moet niets,’ verklaar ik lijzig, terwijl ik beide meiden afwisselend opneem. Ik heb me klaarblijkelijk niet vergist, mijn gehoor heeft mij niet bedrogen : de twee zijn blond, rijzig, ook hun hoofden zijn groot en hun monden spreken van wilskracht, prooizucht en eigenmacht : Hollands, ongetwijfeld. Als ik niet wist dat alle Nederlandsen lijken op mekaar, misschien dat ik hen voor zussen zou houden, - tweelingzusjes, zelfs. Nu wijst eigenlijk niets daarop, al moeten zij wél ongeveer van dezelfde leeftijd zijn, wat wil zeggen : tien jaar jonger dan ik.
Ik vestig mijn blik op hun borsten.
‘Hou op, man, ga weg, kijk voor je !’
‘Wat ? Doe ik misschien iets verkeerds ?’ wil ik zogezegd weten, en wend aan onschuld ontsproten verbijstering voor. ‘Dat spijt me dan erg !’
Het meisje steekt een hand naar mij op. ‘Het is al goed,’ zegt ze, wellicht in de hoop dat daarmee de zaak zal zijn afgehandeld. Zij richt zich tot haar vriendin en wil door de draad van ‘t gesprek weer op te vatten doen of er niets is gebeurd ; ik kan niet verstaan wat zij zegt, maar zij praat op volkomen neutrale toon, ontspannen, het feit dat zij glimlacht bewijst dat ze mij verkiest te negeren. Haar vriendin maakt een grapje en zij proest het uit. Maar terwijl ze dit doet blikt ze mij aan, kijkt in mijn ogen en maakt zodoende een fout die ze vervolgens wil rechtzetten door meteen haar gezicht van mij af te keren.
‘O God !’ lacht ze, raakt haar vriendin bij de schouder aan en pikt in op ‘r grapje door op haar beurt haastig iets te beginnen vertellen.
Ikzelf zit nog steeds krampachtig en zeg gerust verkrampt met mijn kin in m’n nek gedraaid, mijn mond wijdopen, mijn hart bonst onder mijn lullige t-shirt dat ik gekocht heb, ooit, uit neurose, niet eens uit gebrek aan goede smaak (als dat niet zondig is !). Mijn idee was zo te blijven zitten, wachtend tot de meisjes, zwichtend, weer acht op mij zouden moeten slaan, maar natuurlijk zijn zij sterker dan ik en als de pijn in mijn nek te hevig is om zelfs door mij nog langer te worden verdragen, roep ik wanhopig uit : ‘Laat mij het goedmaken, alsjeblief, als ik jullie blijkbaar beledigd heb ! Wat drinken jullie op mijn kosten ?’
Meteen komt aan hun komedie een einde ; beiden tonen zich uiterst verstoord, zijn zelfs ronduit razend op mij. Deze keer, en voor het eerst, is het de vriendin die haar stem verheft, wat ik als een overwinning beschouw, een volgende stap in de goede richting. Zij schreeuwt mij toe dat ik ‘opsodemieteren’ moet, ze noemt mij een ‘eikel’, zegt dat ik een ‘eng kereltje’ ben.
Andere terraszitters schenken ons nu hun aandacht, sommigen nogal verveeld lijkend, anderen veeleer geamuseerd, enkelen merkbaar verontrust en ondubbelzinnig partij kiezend voor de beledigende partij, klaar om zich te moeien indien dat zo meteen wellicht nodig zal blijken. Vooralsnog grijpt niemand echt in, maar de strak op mij gerichte blikken en gelaatsuitdrukkingen van laatstgenoemden maken duidelijk dat er moet rekening worden gehouden met hen, wat ik dan ook doe : ik verontschuldig mij publiekelijk en leg de verklaring af dat ik heus niet kwaads in de zin heb. Hierbij plaats ik tien vingertoppen tegen mijn borst en steek ze vervolgens de hoogte in, als om te tonen dat ik niet gewapend ben.
Daarna kijk ik weer voor me, trek kop in kas en vestig mijn blik op mijn knieën in de wetenschap dat het op dit punt aanbeland nauwelijks nog fout kan lopen en de meisjes mij niet meer kunnen ontsnappen : of zij mijn spel nu mee willen spelen of niet, vermag helemaal niets te veranderen aan wat vaststaat dat er zal gebeuren. Ik hoef alleen maar te wachten. Ik bestel nog een biertje.

Als na meer dan een uur de meisjes vertrekken blijf ik nog zolang zitten tot zij uit het zicht dreigen te verdwijnen ; alvorens hen achterna te gaan kijk ik in triomf het terras nog ‘ns rond, geef een norse vent die mij gadeslaat een walgelijk vette knipoog en grijns uitvoerig.
Hoewel ik geen tijd te verliezen heb (ik zie de twee nog net in de verte) kan ik me d’r vervolgens toch niet van weerhouden om met het oog op de blikken in mijn rug te doen of ik een weinig mank : ik houd mijn rechterknie zo goed als gestrekt en de voet daaronder sleept over de grond. Nochtans vorder ik relatief snel, ‘t is niet de eerste keer dat ik tot trekkebenen mijn toevlucht neem, ik ben er als het ware bedreven in, - niet één lichamelijk gebrek is in staat om zoveel minachting en afschuw te wekken als dit, weet ik. ‘Mankepoot’ is dan ook een scheldwoord zoals er niet erg veel bestaan : rolstoelzitters verdienen compassie, blinden het meeste respect, de eenoog wordt zelfs een koning genoemd. De mankepoot op zijn beurt is per definitie een dégénéré. (Hetzelfde geldt voor de ‘schele’.)
Ik heb in totaal vijf glazen gedronken, maar steeds nog verkeer ik in topvorm en zodra ik het terras voldoende ver achter mij heb gelaten opdat ik me terug toestaan kan normaal te lopen, volg ik de meisjes op weinig meer dan enkele meters afstand. Stoppen zij om elkaar op iets ‘leuks !’ te wijzen –een etalage, gevel of in een fontein spelende vogel- dan blijf ook ik ter plekke staan drentelen, mijn blik schuin omlaag op hun schoeisel gericht, - de ene draagt onder haar rokje kniehoge lederen laarzen, de hitte ten spijt ; haar vriendin heeft ‘s ochtends gekozen voor vrij zwaar aandoende hoewel scherp uitlopende hakken en een wirwar van allerlei gespen en bandjes die zich langs haar enkels omhoog slingeren tot net onder ‘t punt waar haar kuiten beginnen te welven.
Zo gaat er ruim een kwartier voorbij aan almaar stappen en stoppen en tenslotte duurt het zo lang eer zij mij opmerken dat ik me schijnbaar met recht verlustigen kan aan de volgende fantasie : uiteraard hebben zij allang in de gaten dat ik hen volg, zij wisten al wat ik van plan was nog voordat zij het terras verlieten ; zelfs hebben zij terwijl ik het niet kon laten te manken met opzet even gedraald, bang dat ik hen zou ontsnappen ; zij wachten enkel een goede gelegenheid af om mekaar verongelijkt aan te stompen, hun machtige kinnen op mij gericht, en daarna genadeloos toe te slaan.
En ja, dermate blijkt de realiteit m’n verbeelding gunstig gezind dat wanneer de twee zich eindelijk bewust worden van mijn koppigheid en volhoudingsvermogen, wij ons in een steeg bevinden, weliswaar vlakbij het drukke centrum, maar zelf stil en bovenal leeg, - allicht zijn het mijn voetstappen geweest die de ene opeens deden omkijken.
Hé !
Langzamerhand in de buurt van extase jut ik mezelf (en hopelijk ook hen, die ik in gedachten ‘slechte actrices’ en ‘wrede komediantes’ noem) nog meer op door te spelen dat ik mij spijtig betrapt voel. Ik slaag er zelfs in mij in te prenten dat ik bang moet zijn, en inderdaad werkelijk angstig te wezen. Ik zei al dat ik in topvorm ben.
Ik roep : ‘Vergeef mij als ik jullie lastigval ! Dat is immers echt mijn bedoeling niet !’ en stap vervolgens op de meisjes af, die (quasi-?)verbouwereerd op mij neer staan te kijken, want al zijn zij dan ondanks hun hakken op zich niet groter dan ik, mijn rug is gekromd en mijn hoofd is gebogen. Van onder m’n wenkbrauwen kijk ik naar hen op en als ik hen dicht genoeg ben genaderd, zij staan zij aan zij, steek ik in een weids en vrijpostig gebaar mijn armen uit, een linker- zowel als een rechterschouder rakend, - althans een enkel ogenblik lang.
Zij deinzen prompt naar achteren en als ik mijn ogen dichtknijp verwacht ik een loeiharde slag in mijn gezicht. Deze blijft uit.
Ik bedenk dat ik beter meteen op hun borsten gemikt had, open mijn ogen en ben al met al nog blij dat de meisjes tenminste niet weggevlucht zijn : zij staan mij amper een paar stappen verder argwanend te bekijken.
Waar wachten zij op ?
‘Luister,’ fluister ik laag en bijna samenzweerderig, ‘ik weet dat jullie niets van mij willen weten… en dat ik jullie met walg vervul… dat kan ook niet anders… Jullie zouden eigenlijk,’ zeg ik opeens veel luider, ‘de politie moeten roepen !’
‘Waar heb je ‘t over ? Wat wil je toch, man ?’
‘Maar waarom niet,’ zo ga ik misselijkmakend fijntjes verder, ‘het recht in eigen hand genomen ? Wat kan de politie dat jullie niet kunnen ? Jullie, Nederlandse teven… weten wel raad, nietwaar, met iemand als ik… Nietwaar ? Hé ?’ dring ik nu zwaar hijgend aan. ‘Is het niet ? Weten jullie dat niet ?’
Vol overgave klinkt mijn stem : ‘Ik ben zwak ! Een overjaarse puber die zichzelf heeft overleefd ! Ik heb een lesje nodig, dames !’
Meteen hierna en dit gezegd zijnde neem ik een aanloop als voor een mijlenverre sprong, doe twee enorme huppelpassen voorwaarts en zijg dan plots en zonder aarzelen neer op mijn knieën, - mijn broek wordt hierbij aan flarden gereten, pijn vlamt op tot hoog in mijn borst. Ik plaats ook mijn ellebogen tegen de grond, buig als een biddende islamiet en graai naar de meisjes hun schoenen en wil er mijn lippen op drukken, ze kussen en likken, mijn voorkeur gaat toch naar de laarzen uit.
De meisjes schoppen mij niet van zich af, - eerder lijken zij bang om onverhoeds hun voeten te verplaatsen en zodoende mijn vingers te pletten ; behoedzaam schuifelen zij achteruit.
‘Je mag alles doen… wat je wil…’ leg ik uit, ‘je dient er een goeie zaak mee… Ik kan wel wat hebben,’ voeg ik eraan toe, druk m’n gezicht tegen de grove rits van een gloeiend hete en daarom ook des te sterker naar leder geurende laars aan, wrijf het op en neer als een kopjes gevende hond en merk dan dat het meisje plotseling boven mij neerhurkt.
Ik hoop dat ze mij zal bezeiken.
Of mij dwingen zal haar te beffen terwijl haar vriendin mij straft met haar hakken.
Of desnoods dat ze beslissen zal mij niks te gunnen en elke hoop mijnerzijds kordaat de kop indrukt door eensklaps schaterend op te staan en arm in arm met haar vriendin met maaiende passen mij achter te laten aan mijn miserabele zelf. (Bij nader inzien is dit scenario misschien wel mijn favoriete : de vernedering is hier het grootst, zuiver en oprecht, want dient de meisjes niet tot seksueel genot, welk genot mij immers op zich compleet koud laat en een nadelige invloed heeft op het mijne.)
Wat er in werkelijkheid gebeurt is echter veel erger dan ik durven vrezen heb : ‘t gelaarsde meisje zit nog altijd gehurkt en streelt nu mijn haren, mijn oren en wangen ; spijts de klemtonen die zij plaatst, klinkt zij wrevelig noch streng, maar nieuwsgierig en zelfs bezorgd als zij vraagt : ‘Maar wat ís er toch met je ? Wat héb je toch ?’
‘Je mag met me doen wat je wil !’ expliceer ik opnieuw, knarsetandend en nu echt haast dol van wanhoop en je reinste ongeduld ten aanzien van iets dat waarschijnlijk nooit zal gebeuren, zoals ik stilaan besef. ‘Je mag je helemaal laten gaan, je kan je afreageren zonder dat dit consequenties heeft ! Grijp je kans toch, kutwijf !’ dring ik aan in een laatste poging, waarbij ik mezelf vanonder de ene wegrol en languit en uitnodigend wijdbeens vóór haar vriendin kom te liggen.
Deze kijkt niet naar mij. Ze vraagt op laconieke toon : ‘En ? Verloopt alles naar wens, Fia ? Vind je ‘m nog steeds helemáál jouw type ?’

Hierop schijnt geen van beiden het volgende te kunnen begrijpen : dat mijn tranen geen verdriet of zelfbeklag tot uitdrukking brengen, maar hoogstens frustraties en bovenal woede, en gierende, gierende, gierende haat.


3.

Waar ik mij aan de hemelpoort op zal kunnen beroepen : ik ben geen seriemoordenaar. Ben ik nooit geweest en zal ik ook nooit worden. Toch niet in de praktijk.
Ed Kemper, Californisch killer die ‘t in het begin van de jaren zeventig vooral op vriendinnenparen gemunt had, zou in mijn plaats wel raad met de meisjes hebben geweten. Waarin ik fundamenteel verschil van hem –reden waarom de twee nog steeds leven- is dat Kemper zijn moeder van alles de schuld gaf, haar zelfs tenslotte onthoofdde en daarna d’r strottenhoofd uitsneed om ‘t in een afvalverwerkingsmachine te dumpen.
Ik op mijn beurt, zoals ik al zei, neem niemand iets kwalijk voor wiewat ik ben, laat iedereen dus in leven en vind voorts de dood nog te goed voor mijzelf.
Mijn leven ervaar ik niet als een kwelling, maar als een vanzelfsprekende straf. Dat m’n medemensen mijn beulen zijn, kan hun niet ten laste worden gelegd, - zulks is nu eenmaal hun functie en taak, die zij echter wél naar behoren dienen te vervullen.
Die meisjes zijn zwaar in gebreke gebleven, vind ik.
Ze zijn jong, natuurlijk, en moeten ‘t allemaal nog leren. Ze zullen wel moeten, zeg ik. Wat denken zij wel ? Hebben zij dan nooit gehoord van het feminisme ?
Lullig, ja, en misplaatst, nietwaar, deze laatste doelloze uitval.

Is ‘t trouwens sowieso wel terecht dat ik zeur en over die twee mijn beklag doe ? Of toont een en ander enkel het raffinement van mijn eeuwige lot aan, dat toch zijn slag weer heeft thuisgehaald, ontgoocheld en in de war als ik ben ?

Ik schrijf dit met geschramde knieën die aanvoelen of zij verbrijzeld zijn. Haal ik een nieuwe fles uit de kast, dan mank ik noodgedwongen.
Ontzettend dronken ben ik trouwens, en amper fysiek nog in staat om te schrijven.
Ik zie alles dubbel.

Zo-even heb ik het plan opgevat mijn verhaal naar een literair tijdschrift te sturen, ter publicatie, zoals dat heet. Voor ‘t eerst sinds lang zal ik het weer eens proberen, met alle nieuwe teleurstellingen tot gevolg, - uiteraard zal niet één blad het willen plaatsen.
Nu ja, indien wel, dan staat mij me dunkt pas echt de meeste ellende te wachten : snerende kritiek, beschimpingen, de volste lading…
Hé !
Niets wat ik doe, blijkt ooit vergeefs.

©  Christophe Vekeman