Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Een ballon van wijsheid

Boris Todoroff

Op 3 november 1985, op een zonnige herfstdag, werd Koen in ‘t Veld aangereden door een auto. De aanrijding gebeurde in het Vlaams-Brabantse Lubbeek. De zon stond laag en verblindde de bestuurster van de auto, die frontaal op Koen inreed.
Een politieman, die vlakbij woonde, kwam naar buiten gesneld, gealarmeerd door het geluid van gierende remmen. Hij noteerde in zijn proces-verbaal:
‘In ‘t Veld bracht instinctief zijn voeten samen, drukte zijn beide handen op de voorbumper, en zich kort en krachtig afduwend maakte hij een sprong over de wagen. Hij viel op het asfalt, net achter de kofferruimte.
Bestuurster stapte uit, en zag in ‘t Veld op zijn zij liggen. Ze was in shock, overtuigd dat ze hem had doodgereden. De heer in ‘t Veld kreunde alleen maar, en krabbelde langzaam overeind. Hij maakte een bizar geluid, dat leek op gegrom. Buren kwamen aangesneld; ik riep de ambulance op, en Koen in ‘t Veld werd in het universitair ziekenhuis opgenomen.
Ik belde meteen de reporter van de plaatselijke krant, die de aanrijding daags nadien in de regionale bladzijden liet opnemen.’

Alles wat Koen ooit gedaan heeft, staat in het kader van de aanrijding van november 1985: zijn val was zijn verheffing; hij maakte een sprong in de hoogte die hem tegen de grond smakte en dichter bij zijn eigen wezen bracht.
In zijn proces-verbaal noteerde de agent over Koen: ‘ondanks de vrije val lijkt geverbaliseerde helder van verstand’.
In het ziekenhuis werd Koen grondig onderzocht: hij had niks gebroken; maar hoewel hij op het eerste zicht ongedeerd was, inwendig was hij er heel slecht aan toe. Aangezien hij op zijn linkerzij was neergekomen, waren het spierweefsel en de zenuwen geraakt ter hoogte van de ribbenkast; hij leed aan een pijnlijke inwendige bloeding.
Maar niemand die dat zag:
- de bedienden van het ziekenfonds (bij wie hij aangifte deed van het ongeval) dachten dat hij een schrammetje had opgelopen door uit te glijden op de keukenvloer en hechtten geen geloof aan zijn wonderbaarlijke sprong
- hij kon met moeite lopen; maar de loketbediende van datzelfde ziekenfonds weigerde hem krukken te geven (ze waren bestemd voor mensen die ‘echt ziek’ waren, zei de bediende)
- zijn huisarts wees Koen de deur.
- idem dito Koens vader: toen Koens vrienden zijn opengescheurde jeans toonden (de lap stof van het onderbeen was weggeschroeid toen hij over het asfalt gleed), zei hij: ‘Dat heeft hij er zelf afgeknipt.’
- na zijn ontslag uit het ziekenhuis begaf Koen zich naar het huis van de bestuurster. Hij werd door vrienden haar huis binnengedragen en zei:
‘Vrouw, ziedaar, ik leef nog. U treft geen schuld.’
De vrouw weende en stampvoette; ook zij geloofde niet wat ze zag.

Toen Koen zich thuis op bed uitstrekte, stroomde alle energie uit hem weg. Hij lag er roerloos, vrijwel ademloos. Dat duurde drie dagen lang, tijdens dewelke men een gegrom hoorde dat uit de diepten van zijn borstkas opsteeg. Een bevreemdende, beangstigende melodie.
Toen gebeurde de tweede opstanding, volgend op de eerste, wonderlijke opstanding in een Lubbeekse straat. Een ooggetuige vertelt:
‘De derde dag, toen we bij zijn bed waakten, vroeg hij om water. Zijn stem klonk ongemeen helder, en zo luid dat we erdoor opgeschrikt werden. Jan snelde naar de benedenverdieping en draaide gehaast de waterkraan open. Bart liep op Koen toe en wilde hem moed inspreken; maar Koen zei enkel:
‘Ik zal u zeggen: kleur is belangrijk.’
En hij stond op, en keek ons aan alsof hij ons niet herkende. Zijn ogen stonden glazig.
Op een dag zei hij:
‘Elke dag overnacht ik in de lichtblauwe wolk die je daar ziet’.
En hij wees naar een spinnenweb tegen het plafond, in de hoek van de kamer.
Of:
‘Mijn ouderlijke huis is met een kraan versleept naar Rupelmonde.’
Het huis stond nog altijd in Lubbeek.
Wanneer hij gestommel in de gang hoorde, zei hij:
‘Daar gaan we weer.’
(Vermoedelijk aanzag hij de trapgang als het voorgeborchte van de hel; er verscheen een grimas van diepe angst op zijn gezicht.)
Op een zondag, net voor tien uur ‘s avonds, ging hij plotseling weer in bed liggen, duffelde zich in een oude versleten kamerjas en bleef minutenlang voor zich uit staren. Toen stond hij op, en zei:
‘Genoeg. We gaan ervoor.’
En sindsdien was hij - uiterlijk - weerom de oude.’

Maar innerlijk was hij dat niet.
Dagenlang sprak hij van een lieflijke tuin, gelegen in een paradijselijk landschap met glooiende heuvels. In die tuin liep een groene tuinman, die vier draadjes op de grond uitspreidde. Elke dag legde hij ze verder uit elkaar. Dat deed hij drie dagen lang. Maar de vierde dag draaide hij zich stilzwijgend om, wuifde met een wit gehandschoende hand, en verdween.
Koen sprak van gevederde eieren die rondtolden op de eettafel.
Hij was, zei hij, dagenlang in Dinant geweest en verkende de stad, en was ‘s morgens, met de auto, teruggereden naar Lubbeek. In feite had hij Lubbeek geen ogenblik verlaten.
Hij herkende ons, maar vertelde verhalen over ons die geen steek hielden. Zo zei hij ooit, mij aanwijzend: ‘Geloof hem niet, hij raaskalt maar wat.’
Hij sprak de taal der verlichten, die een werkelijkheid zien die de onze overstijgt; maar soms verbeelden ze zich die werkelijkheid en ze spreken lastertaal en beschimpen hun beste vrienden. En dus, toen Koen, mij aanwijzend en niet bijkomend van het lachen zei: ‘Ziedaar een gestoorde’, lachte ik hartelijk mee.
Ik antwoordde: ‘De lach is het zout der aarde; hij is de grondstof waaruit onze treurige wereld is opgebouwd.’

Na die miraculeuze sprong en zijn tweede opstanding, had Koen nog drie jaar te leven. Hij schilderde zonnen: op papier, op de wanden van zijn kamer, op de jassen van zijn bezoekers, op de stoepen van de stad.
Hij liep altijd scheef (hij had de aanwijzingen van de kinesitherapeut verkeerd opgevolgd en op het verkeerde been gesteund tijdens zijn revalidatie). Op foto’s uit die tijd staat hij kaarsrecht en fier, maar ingewijden weten dat hij telkens poseerde met een stoel achter zich, en dat zijn vrienden (onzichtbaar op de foto) hem aan zijn middel vasthielden.
Mensen kwamen hem opzoeken. Hij ontving hen in zijn tekenkamer, temidden van zijn papier dat geurde naar de verf. Ze spraken met hem.
Na afloop zeiden ze dat Koen hen hielp hun problemen te verwoorden en verwerken, hen als een moeder koesterde, als een vader berispte. Wie echter de kamer binnenkeek tijdens het consult, merkte dat Koen zich als een kind van de bezoeker had afgekeerd en was beginnen tekenen en hen volledig vergat.

Een greep uit zijn uitspraken en handelingen van de drie laatste jaren van zijn leven (gebaseerd op de getuigenissen van vrienden):
Hij was bij de banketbakker en zei:
‘Mij hoor je niet klagen. Maar ik heb wel trek in zo’n gebakje - dat daar.’
De serveerster boog zich voorover om het gebakje te pakken, maar Koen pakte haar hand vast en zei:
‘Wie zegt dat ik dat gebakje gevraagd heb? Ik zei enkel: ‘ik heb trek’. Ik heb trouwens geen geld om het te betalen.’
En hij kreeg gratis het gebakje.
Een ander getuigenis:
Sinds zijn ziekte - en doordat hij moeilijk uit de voeten kon - had hij vervoer nodig. Spontaan kwam iedereen zijn diensten aanbieden. En telkens liet Koen zich gewillig in de auto hijsen, en hij bekeek het dashboard, de accessoires en de zetels met kinderlijke opwinding.
‘O, dàt is mooi’, riep hij, ‘en dat, en dat..., o, kijk eens!’
De bestuurder was er zo door geflatteerd dat hij het niet kon laten Koen telkens opnieuw uit te nodigen voor een ritje. En zo kwam het dat Koen nooit zonder vervoer viel.
Alles wat Koen verlangde, kreeg hij:
Hij was de leukste reisgezel ooit. Je kwam bij hem langs en je zei:
‘Heb je zin om naar Wenen te gaan?’
‘Ja’, zei hij, ‘waarom niet?’
En verder hoefde je niets af te spreken. Je ging gewoon, en hij ging mee.
Geen sores met agenda’s, afspraken of geldzaken. Je wist dat je hem moest onderhouden. Maar wie zou niet betalen voor een reisgezel die altijd goedgeluimd is en tevreden is met drie wortels en twee potjes yoghurt per dag?
In de stad werd hij overal getrakteerd. Hij hoefde daar niet eens moeite voor te doen:
We zaten in ons stamcafé, en elke dag zagen we Koen, nou ja, voorbijhinken. En iemand ging buiten en zwaaide en riep:
‘Zin in een pintje?’
‘Water is ook goed’, zei hij.
Hij zag er zo ellendig uit, en zo arm en zo luizig (hij droeg nog altijd zijn gescheurde jeans, en trok ‘s avonds zijn pyjama over zijn kleren, en wandelde, aldus gekleed, door de straten van Lubbeek) dat we niets verkeerds konden doen: ook al gaf je hem helemaal niets, nog altijd gaf hij je het gevoel dat je hem iets gaf.
Een professor aan een katholieke universiteit vertelt:
We organiseerden een symposium rond godsverlangen. Koen kwam, tijdens de pauze, naast me zitten, en vroeg me zonder omwegen:
‘Gelooft u in God?’
‘Tja’, zei ik.
‘Hebt u hem gezien of ervaren? Want u spreekt over hem alsof u er alles van afweet’
Sindsdien weet ik dat ik spreek over datgene wat ik niet weet.
Ik belde meteen de secretaresse op en vroeg haar zijn inschrijvingsgeld terug te storten. ‘Hij heeft meer bijgedragen tot de ware godsdienst dan honderden geleerden’, zei ik. Maar de secretaresse reageerde verbaasd:
‘Ik heb hem gratis binnengelaten’, zei ze, ‘zo’n aardige man!’

Koen was altijd een fervent wandelaar geweest en een groot natuurminnaar. Hij hield van urenlange boswandelingen. Nu hij hinkte, was dat onmogelijk geworden. Maar hij stond erop naar buiten te komen, en kroop op zijn buik tot bij het paadje in de buurt dat op het bos uitmondde. Daar hebben zijn vrienden hem dikwijls gevonden.
Op een dag vonden ze een briefje op zijn bureau: Koen was vertrokken. Het was 3 november 1988, precies drie jaar na de aanrijding; Koen was toen drieëndertig jaar oud.
Na lang zoeken vonden zijn vrienden hem in het bos, in een open plek, aan een driesprong, vredig slapend op een kokosmatje, in een zelf opgetrokken tentje. De zonnen die hij aan de binnenkant van de zeilen had geschilderd, keken hem glimlachend aan. Zijn vrienden bleven nietsvermoedend met elkaar praten voor de tent.
En toen, plotseling (zo zegt een getuige):
‘Plotseling werd het muisstil: de vogels zwegen, ook het verkeer in de verte (aangewaaid door een forse wind van op de steenweg) leek op te houden. Het tentzeil scheurde en een seconde later stortte het hele tentje in. Traag hoor, heel traag: eerst drong het niet tot ons door.
Iemand riep: ‘Koen!’ En we begrepen dat hij kon verstikken onder de zeilen.
We pakten de zeilen op en sleurden ze weg, maar Koen was onvindbaar. We schudden ze voorzichtig uit: hij lag in een van de zeilen, netjes opgerold, alsof een of andere kracht hem behoedzaam in een soort lijkwade had gewikkeld en ons zei: ‘Kijk, dat is hem, en draag er zorg voor, zoals ook ik voor hem heb gezorgd, zijn leven lang.’
Als je zijn gezicht bekeek, zag je van de ene kant dat het vredig was; maar als je het van de andere kant bekeek, schrok je: er was pijn, ontzettende pijn op te lezen.
We brachten hem naar het universitair ziekenhuis.
De dokter van dienst - dezelfde die hem na die aanrijding had onderzocht - grapte:
‘Is-ie daar weer, onze miraculeuze vriend?’
Zwijgend onderzocht hij Koen. Toen schudde hij langzaam het hoofd.
‘Nee’, zei hij, ‘dit keer redt hij het niet.’
Koen kreunde.
‘Waar ga je heen?’, vroegen we hem.
‘Gaan?’, vroeg hij.
‘Waar ga je heen?’
Koen antwoordde, traag, afgemeten: ‘Het regent dat het giet.’’

Koen overleed na drie dagen coma. Hij werd naar de koelafdeling gebracht in de kelderverdieping. Op vraag van zijn vrienden en nabestaanden werd de lade waarin zijn stoffelijk overschot lag dag in dag uit bewaakt door twee politiemannen.
Hij was al twee keer als bij wonder aan de dood ontsnapt. Misschien lukte het hem ook een derde keer. En dus namen zijn vrienden hun voorzorgen, en ze wilden dat het officieel bekend zou raken indien hij plots uit die lade tevoorschijn kwam. Wat een triomf op de dood dat was geweest! En een kaakslag voor hen die niet in hem geloven.
Helaas, Koen was in die lade, en bleef er.

Zijn laatste geschreven woorden bevinden zich op de briefomslag die hij op de eettafel legde voor hij het bos introk. Op die omslag:
1. de plattegrond van het bos en de plek waar hij zijn tent ging opslaan
2. de boodschap: ‘ik ga het bos in’
3. het woord: ‘Ciao’.
‘Ciao’: vier lettertekens, een eenvoudig, éénlettergreperig woord, naar het beeld van zijn eenvoud, en zijn zekerheid dat we elkaar in het hiernamaals terugzien.
Koen heeft geen traktaten, geen toespraken, geen preken nagelaten. Enkel dat ene kattebelletje vooraleer hij verdween, en wat losse krabbels. Maar er bestaan een aantal gedichten die, afgaande op hun teneur en hun raadselachtigheid, best van Koen afkomstig konden zijn.

Enkele voorbeelden:
    De langste reis leidt niet
    naar de bronnen van de Nijl
    naar de oorsprong van Timboektoe

Naar men vermoedt is het volgende gedicht geschreven na een kerstwandeling:
    Draai de want om
    je hebt een omgekeerd insect
    de voering binnenstebuiten gekeerd.

    Dit zei Koen tot een man die slaaf was van zijn ego:
    Een kozak zonder kazak
    loopt
    blootshoofds

(Naar mijn gevoel aldus te lezen: ontdoe je van je hoofddeksel, jij, kozak, en pas daarna kun je ook je kleren uittrekken.)
Naar verluidt veroorzaakte de volgende spreuk een plotselinge verlichting bij een van zijn leerlingen:
    In kazematten
    hangen zelden
    kokosmatten

Ten slotte, een gedicht dat Koen neerpende in Brussel, na een bezoek aan het huishoudsalon:
    Verder word ik gedreven
    de onbekende grot in
    alle gore platen
    zijn holle vaten
    waardoorheen ik
    spoel

(Koen - subtiel verwijzend naar bepaalde mythen, volgens dewelke de ziel neerdaalt in de materie en een dolend leven leidt op deze aarde - beschrijft hoe zijn ziel de gevangene is van de materie.

Die verwijzing blijkt duidelijk uit het derde vers: ‘alle gore platen’. Waarom dit vers niet lezen als een cryptogram: ‘alle gore platen’ = ‘alle-gorie Plato’? Als we het vers zo lezen, wordt duidelijk dat de ‘onbekende grot’ in het tweede vers verwijst naar de wereld van schijn en materie die slechts een afschaduwing is van de zonnige, echte werkelijkheid.
Toch blijft de uitdrukking ‘gore platen’ dubbelzinnig, en wel omdat ze verwijst én naar Plato én naar de aluminium platen die de bekleding vormen van vaatwasmachines.
Dus de betekenis van dit gedicht is wellicht:
1. ik ben afgezakt in de materie, en ben erin gevangen;
2. inderdaad, ik ben net zoals iemand die in een vaatwasmachine zit;
3. met dit verschil dat ik weet dat ik in een vaatwasmachine zit;
4. zodat ik op een dieper niveau onaangeraakt en rein in dat misleidende decor van het leven beweeg: ‘waardoorheen ik spoel’.
Kortom, ook al was hij ‘de gevangene van de materie’, Koen hervond en behield zijn geestelijke, oorspronkelijke reinheid. Hij ‘spoelde’ door alles heen, zoals een schoon kledingstuk dat bij vergissing in de wasautomaat is gestopt.)

Koen zou – net voor zijn tentje in het bos instortte - aan drie toevallige voorbijgangers een aantal geheime woorden hebben toevertrouwd.
Eén van die voorbijgangers (een Leuvense verpleegster) vertelt:
‘Hij wachtte tot we alledrie voor zijn tent stonden, en nodigde ons één voor één uit binnen te komen. Hij lag uitgestrekt op zijn kokosmat. Ik moest me buigen, mijn oor aan zijn mond leggen; er weerklonk één enkel woord. Door een eenvoudige knik gaf hij me te kennen dat het volstond.’
Deze ooggetuige hoorde, zo beweert ze, het woord tsjut. Men veronderstelt dat dit woord niet ‘zwijg’ of ‘stilte’ betekent, maar: tsjit. Voortgaande op de beweringen van de twee andere voorbijgangers kan men het woord tsjit in verband brengen met het Sanskrietwoord chit: ‘bewust’.
Om kort te gaan, het is heel waarschijnlijk dat Koen - met zijn Lubbeeks accent – aan de drie voorbijgangers heeft gezegd: sat (dat door de tweede persoon verkeerdelijk werd begrepen als saté), tsjut (wat chit betekende), en alla, alla (althans, zo begreep het de derde persoon; maar algemeen interpreteert men dat als ananda).
Een Koen-kenner schrijft:
‘Uit dit alles blijkt zonneklaar dat Koen die drie voorbijgangers, in wie we gerechtigd zijn de magiërs van het kerstverhaal te herkennen, de wijze spreuk van de hindoemeesters heeft willen inprenten: ‘al-bewust-zijn’.
Inderdaad, uit de verwarrende puzzel van Koens woorden komt dit hemelse Woord tevoorschijn: ‘sat-chit-ananda’: ‘al-bewust-zijn’. Onwillekeurig dringt zich de gelijkenis op met de geboorte- en sterfverhalen van de spirituele meesters Christus, Krishna en anderen. Maar de openbaring van de hoogste wijsheid vindt ditmaal niet plaats aan de oevers van de Ganges, noch onder de boddhiboom, laat staan in het Heilig Land, maar aan de rand van een slijkerig modderpad in een onooglijk bos.
Lubbeek, het Bethlehem van het noorden! De Haspengouwse heuvels zijn de bergen Gilead!
O wonder der openbaring! Dat het grote inzicht zich vermomt als een futiele uitspraak op een godvergeten plek! En waarom juist kies je een wijze van spreken uit die bij uitstek op de lachspieren werkt? Zoals een paddestoel (schimmel uit schimmel) oprijst uit een vermolmde boomschors, in een verdorven biotoop, net zo rijst soms de openbaring tevoorschijn daar waar alles vervallen, verrot en verloren lijkt. Dat bos stelde niets voor. Het was kaprijk.
Koen stierf wel, maar hij blijft eeuwig voortleven.
Ach, wanneer zal het wonder de openbaring door allen begroet worden, en zal de hele wereld Koens boodschap aannemen, tot heil van alle volken?

Koens bewonderaars noemen hem: ‘de heraut van het zonlicht’, ‘de lachende bazuin’, ‘de kristallen man’, ‘de parel der onwetendheid’, de ‘heuvel van bescheidenheid’.
Voor hen die hem niet alleen vereren maar een warm hart toedragen, heet hij gewoon: ‘vadertje Koen’. Hij is de ‘steunpilaar’ en dan weer: de ‘zachte rots’. Mannen noemen hem bij voorkeur ‘moeder’, ‘zuster’ of ‘vloeibaar ochtendlicht’. Persoonlijk heb ik nooit aan Koen kunnen denken zonder dat spontaan dit woord in me opkwam: ‘zonnekind’, en soms ook: ‘wonderkind’.
Ja, ook ikzelf behoor tot zijn vroegste bewonderaars.
Ik had via vrienden gehoord van Koen. Maar hij leek me een fantast en een charlatan.
Tot ik op een zonnige novemberdag in 1990, twee jaar na zijn overlijden, zijn biografie las in een Brussels park, tijdens de lunchpauze. Om mij heen speelden kinderen; mannen in versleten kostuums en vrouwen in lange djellabahs zaten op de banken of struinden langs de fonteinen.
Ik doorbladerde lusteloos Koens biografie, en plotseling voer een schok door me heen. Ik besefte: ‘Koens leven is het ware leven. Mijn leven is slechts een farce zolang ik niet in Koens voetsporen treed.’
De week nadien bekwam ik een jaar onbetaald verlof. Ik bracht mijn vrouw op de hoogte van mijn plannen:
‘Ik wil leven zoals Koen’, zei ik, ‘een kuis, vrolijk leven leiden. Ik wil hem nabootsen tot in de kleinste details, tot ik zozeer op hem gelijk dat ik hem word.’
Mijn vrouw antwoordde, verrassend toeschietelijk:
‘Dat kan, maar dan moet je wel consequent zijn.’
‘Ja, natuurlijk’, zei ik.
‘Het houdt in’, vervolgde ze, ‘dat onze wegen voortaan scheiden.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat we Koens geboden onderhouden. Ik verlaat dit huis, en ik neem de kinderen mee.’
Ik slikte even.
‘Het kan niet anders’, zei ze, ‘Koen wil dat, en als Koen dat wil...’
‘Dan moet dat.’
Beslissende, bevrijdende - smartelijke, hartverscheurende woorden!
Diezelfde avond nog pakte ze mijn spullen in en zette me aan de deur.

Ik meende dat ik op korte termijn Koen kon worden. Maar er stonden mij heel wat beproevingen te wachten: mijn vrouw hokte samen met een archivaris van het Koenfonds. Ze brak haar belofte van kuisheid. Mijn kinderen zie ik nooit meer. De rechter, die ze aan mijn vrouw toewees, keek me bestraffend aan:
‘Jij, onevenwichtige’, zei hij, ‘ga heen, en laat je gemalin en je kroost met rust.’
Maar ik grijp liever terug op de bladzijden uit mijn dagboek. Dit schreef ik, zittend in een stadspark, ruim tien jaar na mijn plotselinge bekering:
‘Terugblikkend op de afgelopen tien jaren, beginnend bij de grote verlichting in een Brussels park, tot nu, in datzelfde park, overvalt mij een grenzeloze bitterheid: ik heb handenvol geld afgestaan aan het Koenfonds voor de uitgave van zijn jaarlijkse Koenalbums – waartoe, waarom? Toen ik onlangs ben gaan aankloppen bij het Koenfonds, op zoek naar dekens, heeft de conciërge mij smakelijk uitgelachen. Van Koens biografie die ik heb samengesteld op basis van honderden gesprekken met familieleden en ooggetuigen wil niemand weten.
Waar is Koen? Wat biedt hij mij, tenzij ontbering en mislukking?
Ik ben naïef en arrogant geweest. Naïef, omdat ik alles heb geslikt wat me over hem verteld werd, hoe tegenstrijdig of absurd het ook was; en arrogant: ik heb me als Koens biograaf opgeworpen, terwijl ik nog altijd niets van hem afweet.’
Voor de bank stond een kartonnen doos waarin ik Koens biografieën had bewaard. Maar de biografieën had ik allang verbrand in de gietijzeren vuilnisbakken in het park; en het karton gebruikte ik sinds kort om mijn verkleumde voeten in te warmen.
Het begon te regenen. En de doos lag op de grond: de doos ontbond tot wakke, doorregende slierten karton… Ik bromde en gromde, alsof ik inwendig afgestorven was. Ik voelde me net een zombie, een aflijvige levende.
Toen kwam ik plotseling overeind, en met een uiterste krachtinspanning begaf ik me blootsvoets naar Lubbeek. Urenlang stapte ik. Als een roofdier gleed ik langs de bermen van de autosnelweg Brussel-Leuven, mij voortdoend als een wandelaar stapte ik doorheen de velden en weiden die me nog van Lubbeek scheidden.
Daar liet ik me neervallen in het magische bos waar Koen zijn laatste momenten had doorgebracht. Ik wist dat ergens in de buurt nog een stukje van zijn tentzeil lag; ik zocht op de tast tot ik tenslotte, onder een hoop krakende takken, een lapje gladde stof vond: een restant van het tentzeil.
Ik streelde het als was het een tweede huid, een gummihandschoen. En soms drukte ik het tegen mijn wangen, en bleek het precies de vorm van mijn hoofd aan te nemen, en ik moest er zelf om lachen dat het voor mijn ogen en mijn mond hing als een plastic masker.

’s Anderendaags nam ik het tentzeil vast bij de vier uiteinden en knoopte ze samen; ik pakte een elastiekje, wond het om de knoop en blies dit lapje stof weer leven in.
Het lapje werd eerst een zakje - en toen ik het verder opblies, werd het een mooie ballon die ik opgewonden tegen mijn slapen drukte.
Wonderlijk genoeg hadden de ballon en ik dezelfde hartslag, hetzelfde ademhalingsritme. Ik liet hem rondtollen op mijn wijsvinger. Ik begreep ineens dat de ballon de aardbol voorstelde, het universum, en de hele werkelijkheid. Elk plekje van die ballon was de hele ballon; want als ik hem ergens doorprikte, waar ook, ontplofte hij ... en was geen ballon meer.
Het duizelde me.
In een flits zag ik de ballon als een verzameling van miljarden puntjes die in een veld van leegte leken te zweven. Op dat vlak waren de ballon en ik dezelfde; we waren in essentie aan elkaar gelijk.
Ik keek naar mezelf, maar zag me niet; enkel bladeren, boomstammen, knoestige wortels die uit de grond staken, paddestoelen en een enkele ranonkelstruik. Mijn lichaam bezat noch vastheid, noch kleur noch dikte: mijn voettippen waren bladeren, mijn benen boomstammen, mijn romp wilde struiken, mijn hoofd was een spinnenweb dat tussen de zondoorstraalde takken hing.
Neem een glazen fles gevuld met water. Hou deze fles tegen het licht. Wat ziet u? Het glas is het water, en omgekeerd, zonder onderscheid.
Daarom was ik alles wat ik zag: de groeven in het tentzeil waren de nerven van een blad en de rimpels en fronsen in mijn eigen voorhoofd. De kleinste oneffenheid in de grond kon ik terugvinden op mijn eigen huid, in mijn wangkuiltjes, in de rimpels om mijn nek, mijn polsen.
Uiteraard was mijn buik (die al wat uitzette) gelijk aan het kleine heuveltje waarop ik stond. En diezelfde buik van mij was een krater op de maan en een puistje op het oppervlak van het heelal.

Ik hamerde de stutpalen van mijn hut in precies dezelfde gaten waar Koen de haringen van zijn tent had ingeklopt.
Toen ik takken aan elkaar sjorde met wissen, wierp ik toevallig een blik op de ballon die op de grond lag - en het leek alsof hij straalde van voldoening.
De ballon glimlachte. Hij beduidde mij:
‘Keer je om, en handel en wees in deze wereld.’
Ik had eindelijk Koens geheim doorgrond.

Luister, vrienden, en lees dit voor aan wie het niet begrijpt:
    Doe de was
    de inkopen
    poets je huis
    stof je meubels af

    Stap op de bus
    loop een winkel binnen
    ik ben de bediende
    de koper en het kassagerinkel

    Lichten glijden op startbanen
    stijgen
    en verdwijnen

Ik leef nog steeds op dezelfde plek, zonder water noch elektriciteit. Ik voed me met bosvruchten en kruiden. Een wilde geit - die vlakbij huist, aan de zoom van het bos, vlakbij een weide - is schuchter op me toegelopen (op een milde lentedag) en is mijn vaste gezellin geworden. Ze bezorgt me melk die ik tot kaas strem.
In dit betoverd bos - paradijselijk overdag, hels ‘s nachts - heb ik visioenen van schoonheid ervaren, en ook nachtmerries, vervuld van de ergste verschrikkingen.
Ik wandelde (een van mijn eerste nachten, na mijn visioen van de werkelijkheid), mijn blik naar binnen gekeerd, pogend in mezelf toch enige vastheid te vinden, enige materie waarvan ik kon beweren: ‘Dit is ik’.
Maar slechts duisternis zag ik, en heel af en toe sombere takken en twijgen, en bijeengeharkte bladeren. Toen ik eindelijk licht zag, heen en weer wiebelend tussen de boomtakken, snelde ik erheen. Enkele jongeren zaten bij een barbecue.
Ik zei: ‘Vrees niet, ik offer mij op’, en ging op het roodgloeiende rooster liggen.
Ze sleurden me ervan weg en verzorgden mijn brandwonden.
‘We hebben vlees genoeg’, zeiden ze.
‘En brood?’
‘Dat zit in onze brooddozen voor het ontbijt.’
‘En worst, salami, paté?’
‘Dat hebben we ook.’
En treurend dat ik er nog altijd was, diep gekrenkt ging ik van hen heen.

Ben ik het bos, of stel ik me dat enkel voor? O, en dan, tijdens mijn diepzinnige overpeinzingen die uil boven mijn hoofd en diens roofzuchtige vluchten rond mijn hut, diens gesmak, diens akelige braakgeluiden!
O, Koen, breng tot rust mijn onrustig zoekend hart! Verhef me tot de sterren, nee, hoger nog, tot boven het firmament, tot voorbij het eeuwigdurend lied der hemelsferen!
Maar Koen zwijgt. Zijn gelaat lijkt voor altijd weggewist uit de ballon (ook wanneer ik hem bijlicht met een lucifer). Ik zie niets anders dan een dwaze, uitgezakte, gerimpelde ballon.
Vertwijfeling.
Toevallige voorbijgangers komen urenlang bij me neerzitten, bij het gezellige vuur dat ik elke avond ontsteek in de open plek van het bos. Steeds gaan ze heen met een van mijn kazen in de hand.
Sindsdien ging het van langsom beter: bezoekers stroomden toe. Op een dag kwam een aantal politiemannen op me toegelopen (verdwaald in dit gigantische bos). Ze toonden me foto’s van de aflijvige.
‘Is dit Koen?’, vroegen ze.
'Ja’, zei ik.
De kleinste zei:
‘Nee, jij lijkt op hem. Jij bent…’
‘Ach...’
(Monkelend, maar overlopend van geluk: Koen gaf me zijn lichaam, zijn lichaam was het mijne. We waren onherkenbaar een.)
En toen, die glorieuze dag dat Koens vader zijn wagen parkeerde voor mijn hut, het slijk van de velgen veegde en me op de rug klopte:
‘Mijn zoon, eindelijk heb ik je teruggevonden.’
En, meewarig, stil voor zich uit starend:
‘Ik dacht, om eerlijk te zijn, dat je overleden was.’
Toen, zijn bemodderde schoenen fixerend:
‘Het wordt tijd dat ik opstap. Ik moet er eens uit, naar zee. Dat was al langer gepland.’
En, om zich heen kijkend:
‘Je woont hier nog zo slecht niet.’
Hij wierp een goedkeurende blik naar mijn hut, stapte in de wagen en reed weg.
Vrede, rust, blije aanvaarding. Thuiskomst: hij die mij niet zag, heeft me eindelijk opgemerkt, begroet en omhelsd.

Vervuld van ontzag kijken de bezoekers naar de ballon die ik in de nok van mijn hut heb opgehangen en die ik elke avond nieuw leven inblaas.
O ballon van wijsheid! Wanneer ik mijn lippen aan jouw navelvormige mondstuk zet, gaat een rilling van geluk door je heen. Je kriept van welbehagen als ik je doe blozen en een glad, spannend huidje bezorg. Je gaf vorm aan mijn ziel, en ik verkwik je met mijn adem. Is dat geen faire ruil?
O uitverkorenen, kijk niet neer op mij, loutere naverteller van Koens inzichten. Luister naar een van mijn laatste gedichtjes, die ik pijprokend, geduldig wachtend op de datum van mijn verscheiden, heb neergeschreven op droge eikenbladeren:
Niets is wat het lijkt
Het regent, het regent pijpenstelen.

©  Boris Todoroff