|
Uit het dagboek van Marcus van Vaernewijck (1566-68)
Peter Theunynck
1.
Een weinig Kortrijks aan de
Sint-Lievenspoort
en het begon te regenen kazuifels, beelden.
Het rijmde op plavuizen van de plaaster.
Het Lam Gods maakte zich klein in zijn dorp.
Van woede het water werd wit: het
sneeuwde.
Vlokken vol kostbare woorden daalden
uit hemelramen, dansten de cel uit
van het geduld, juichten te voorbarig.
Aan de rand beefde het riet van geleerden.
Karpers beten zich in psalmen vast, eenden
zwaar van missalen zonken naar de bodem,
kwamen als herdoopten boven.
Op de Leie dreven gebeden naast geboden.
Platbodems trokken er een streep door.
Graan werd aangestoken, boeren kregen
het mond- en klauwzeer van de nieuwe leer.
2..
Toen spande de nacht zijn zwarte paarden.
Ze hinnikten, spogen vuur en ijzer over
uitgespeelde torens. Mannen en vrouwen
zweefden aan touwen, lichter met de dag.
De armen van de galg verloren het hoofd
omdat het te oneffen afgehouwen was.
Vlammen aten smakelijk. Raven werden vet
betaald voor wat ze deden.
Angst droop af en likte van de lichtekooi
de kont. Galmende soldaten grinnikten
hun messen bloot. Alvas bastaardzoon
moest komen om de beesten in te tomen.
Van Vaernewijck bleef achter de gordijnen
schrijven geuzen, beeldenstormers
evenaasten zijn we allemaal. De geest
danst zich in mij van alle banden los.
(Leen Huet, Beroerde
tijden, in : De Morgen Boeken, 14.03.2001)
|