


|
 |
De Brug naar de wolken
Dennis
Rijnvis
Jacksonville, 1950
Toen zijn felrode bovenwerk met de gekrulde sierbogen voor
het eerst opdoemde in ons gezichtsveld, dachten we dat de brug over St. Johns River uit
een andere wereld kwam dat god hem tijdelijk tevoorschijn had gehaald om ons een
preek van juffrouw Scarlton te besparen en de treiterige kinderen uit West de mond te
snoeren.
Moeder Christus, riep Paulie. Zijn vader spuwde iedere dag het ene na het
andere verboden woord uit. Paulie sloeg de kreten op in zijn hoofd, maar het waren er zo
veel dat ze soms in de war raakten daarbinnen.
Jezus Christus, verbeterde ik hem. Ondertussen keek ik dankbaar naar het
glanzende houten brugdek dat drie te-laat-komers een lange hardlooptocht heen en terug
naar de dam had geschonken.
Jerome zei niets. Hij was voor ons uit gerend, de brug op, en hing zo ver als hij kon over
de reling om een zwerm karpers te begroeten met klodders spuug. Gewoonlijk deden we dat
vanaf de waterkant en we waren niet de enige: schoolkinderen spuugden nu eenmaal om het
verst (ik gokte dat zeker de helft van al het water in St. Johns River bestond uit
speeksel).
De vissen wisten niet beter. Ze zwommen altijd onverstoorbaar om onze fluimen heen. Maar
Jerome - die met 12 jaar veruit de oudste van ons drie was - had bedacht dat er in het
midden van de rivier andere vissen woonden.
Kijk, deze denken dat het eten is, riep hij. En hij wees naar zijn witte
speeksel in het water.
De kennismaking met de nieuwe vissen eiste al onze aandacht op. Pas toen de eerste gons
van de kerkklok over het water klonk, schrokken we op. Ik haalde diep adem en betwijfelde
of zelfs mijn favoriete honkballer Joe DiMaggio snel genoeg was om in acht klokslagen het
schoolplein aan het einde van de drukke dorpsstraat aan de overkant te bereiken, langs
uitzwenkende wagens vol turf, dwars door groepjes schippers en lossers die kwaad
geldbedragen naar elkaar schreeuwden en voorbijrennende kinderen tussendoor vervloekten.
Iedereen die tussen de acht en de tien was, kreeg les in
lokaal 4: op houten banken, tussen bruine, met oude landkaarten behangen muren; in een
ruimte die we haatten omdat er altijd een snauwende stem doorheen schalde. En
verafschuwden vanwege de kinderen uit West die vanaf voorste rij hatelijk naar ons
grijnsden.
Twee minuten over negen, zei juf Scarlton toen we binnenkwamen. Nu moet
ik zeker blij zijn omdat jullie bijna op tijd zijn gekomen?
De juf begreep maar weinig van kinderen die aan de oostelijke oever van de rivier woonden.
Na een half jaar van in de haast verzonnen smoesjes en uitvluchten, wist ze eigenlijk
alleen dat we op de eerste dag van de week altijd minstens een kwartier te laat
binnenkwamen.
Proberen jullie soms om jullie goede voornemens voor het nieuwe jaar na te
komen?
Niemand in Oost hield zich bezig met onzinnigheden als nieuwjaargeloftes. Mijn oma zei dat
je toch geen toekomst had als je vader op zondag naar de haven ging om boten te lossen in
plaats van naar de kerk om te bidden.
Logisch dus dat Jerome die ochtend had gemaakte dat hij wegkwam toen hij mee moest naar de
haven. Zijn vader had naar bier gestonken, zoals na ieder weekeinde, en getierd en
gevloekt dat hij een echte zoon wilde, ééntje die zijn handen uit zijn mouwen stak. Na
een halfuur was het Jeromes moeder gelukt zijn aandacht af te leiden. Toen pas kon
Jerome via de achterdeur naar buiten glippen om naar school te gaan. Een record.
Nou, zeggen jullie nog iets, of blijven jullie naar de grond kijken?.
Natuurlijk hielden we onze monden dicht over de brug; straks had god hem weer weggehaald
en dan hadden de kinderen uit West pas echt een reden om ons uit te lachen.
Onze jongens hadden de stad Pusan veroverd, juf Scarlton had
het in de lunchpauze op de radio gehoord. Ze zei dat we de lieve heer op onze blote
knieën mochten bedanken voor het goede nieuws: iedereen zette een blij gezicht op. Alleen
Jerome staarde afwezig naar buiten, reikhalzend om een glimp van de brug, of alleen een
rode sierboog op te vangen. Misschien dacht de juf dat hij een communist was, want ze riep
hem kwaad naar voren en pakte de lange stok die naast het bord stond.
Maar net toen Jerome aarzelend uit zijn stoel kwam en de juf zei dat hij Korea op de
wereldkaart moest aanwijzen, rinkelde hoofdmeester Johnson op de gang met de schoolbel.
Jerome was er niet gerust op en ging er als een haas vandoor.
De meest zuidelijke kadepaaltjes die langs St. Johns River
stonden, waren bruinverroest en uitgevreten door het zeewater; ik had er nog nooit een
schip aan vast zien liggen. Fossielen, noemde mijn vader ze. Wat dat precies betekende,
wist ik niet, maar het moest iets belangrijks zijn: geen havenmeester haalde het in zijn
hoofd fossielen los te schroeven en te vervangen.
Mijn vader zei dat de oude paaltjes nog uit de gouden tijden kwamen, toen de haven
uitpuilde en de schepen tot ver in de St. Johns lagen. Ze gaven de mensen in Oost
hoop.
Maar toen we Jerome op de weg naar huis weer tegenkwamen, zittend op een fossiel, keek hij
eerder teleurgesteld.
Paulie had alleen maar oog voor de grote rode staanders van de brug die voor ons over het
water hing en begreep niets van zijn chagrijnige gezicht.
Kijk dan Jer, hij is er nog, riep hij. Hij is er nog steeds!.
Maar ik zag schaduwen in de mist over de brugleuning hangen en herkende de wollen mutsen
van de kinderen uit West.
Die brug is van ons, zei Jerome. Als zij hem inpikken, mag ie van mij zo
weer verdwijnen.
Langzaam drong het tot ons door dat we het cadeau uit de hemel met heel Jacksonville
moesten delen, zelfs met de Westerlingen die aan de andere kant van de stad woonden en
eigenlijk helemaal geen brug nodig hadden.
Toen we eenmaal langzaam over het houten dek sloften, verzamelde ik speeksel in mijn mond.
Ik slikte ik het snel door toen de Westerlingen ons grijnzend tegemoet kwamen. Het was
stom om te spugen op een brug waar je zelf overheen liep. We moesten gewoon naar de
overkant, alsof er niets aan de hand was, alsof we het nog even leuk vonden als die
ochtend.
Ik nam me voor om de smalende gezichten te negeren, maar toen ik toch keek, zagen ze er
verbaasd uit. Achter me klonk gestommel en toen ik omkeek, klauterde Jerome op een van de
ijzeren relingen. Hij ging glimlachend staan, als een artiest op een podium.
Pas op, je valt in het water. Je kunt daar niet lopen, riep Paulie bezorgd.
Ik dacht aan de zwemlessen van juffrouw Scarlton en de stok met de ijzeren haak waarmee ze
je aan je nek boven water hield.
Tuurlijk wel, zei Jerome. Als je op de grond staat, kun je toch ook over
een smalle streep lopen. Je moet alleen niet bang zijn. En ik ben niet bang. En met
triomfantelijke passen begon hij te lopen. Zelfs de kinderen uit West zetten grote ogen
op.
Hoe doe je dat, vroeg Paulie bewonderend.
Ik zei het toch: ik ben niet bang. En dan kun je overal overheen lopen. Over de
brugleuning, of over een touw of de wolken.
Echt, over wolken? En ook over water, vroeg Paulie weer.
Nee sukkel, dat kan alleen Jezus', zei Jerome die met een sprongetje in het gras
naast de brug landde.
Ik keek naar de kinderen uit West die nog steeds stomverbaasd waren en bedankte de brug
zachtjes. Soms was lopen over een brugreling bijna hetzelfde als een pad maken in de zee.
Als de zeewind de eerste zomerdagen meebracht en onze
woonkamer aanvoelde als een brandende oven, sleepte mijn moeder het meubilair naar buiten.
Het werd vakantie. We aten pas als het donker werd, omdat de zon de pasta op onze borden
anders versmolt in een vieze, geelbruine drab. Maar eigenlijk had ik nooit tijd om aan
tafel te schuiven, want Paulie en ik speelden lange partijen slagbal om honkbalplaatjes
tegen de andere kinderen uit de straat en in de schemering was het een koud kunstje om een
bal die eigenlijk uit je handen was gesprongen, snel weer op te rapen en daarna heel hard
vangbal te roepen.
Ons honkbalseizoen eindigde altijd met de stem van mijn
moeder.
Opstaan!
Ongeduldig trok ze mijn kussen onder mijn hoofd vandaan. Ik wreef de slaap uit mijn ogen
en keek verlangend naar de stapel honkbalplaatjes die aan mijn voeteneinde lag.
Nee, daar heb je geen tijd meer voor, zei mijn moeder streng. Snel. Kam
je haren en pak wat eten. Je hebt geluk dat die brug er staat, want anders was je te laat
gekomen op de eerste schooldag.
Toen pas besefte ik dat ik hem was vergeten.
Ik holde zo hard als ik kon over het pad langs de oever, maar
toen de rivier die vreemde kronkeling maakte waardoor je plotseling oog in oog kwam te
staan met de brug, struikelde ik bijna over mijn eigen benen.
Zes weken had ik hem niet gezien en ik schrok toen ik zag hoe hij eraan toe was. De
felrode kleur waaraan je zijn bovenwerk al van veraf herkende, was flets en vaag geworden;
op de ijzeren relingen waarin je voor de vakantie nog je gezicht kon zien, zaten
roestplekken. Het houten dek was op sommige plaatsen gaan rotten en maakte een piepend
geluid als je er overheen liep.
God had zijn handen van de brug af getrokken, hem laten verroesten en verrotten. Ik kon
niet begrijpen waarom. Na schooltijd gluurde ik onder het dek: tussen het hout en het
laatste stukje van de oever was een kleine ruimte. Mijn moeder zei dat zondige mensen daar
s avonds iets deden dat verboden was. Ik wilde ze wegjagen en zeggen dat ze de brug
kapot maakten met hun geheime spelletjes, dat god het heus wel gezien had in de hemel.
Maar in drie weken ontdekte ik één keer een visser die verbaasd omhoog keek en zijn
middelvinger opstak toen ik begon te schreeuwen.
Niet alleen de brug was veranderd, maar ook de mensen die er
ieder morgen overheen liepen. Paulie en ik spraken Jerome in geen maanden. Hij zat
eindelijk in de klas van hoofdmeester Johnson en daar vond iedereen het juist knap als je
te laat kwam. Zelfs de kinderen uit West praatten vol ontzag over Jerome; hij had geen
brug meer nodig en zeker geen vrienden die vier jaar jonger waren.
Maar ik miste hem soms en bedacht dat de brug die langzaam verder aftakelde, misschien ook
weer verlangde naar iemand die op zijn relingen balanceerde en zo de aandacht van iedereen
trok.
Op zaterdag bracht ik mijn vader een zakje met brood in de
haven. Op de terugweg zag ik Jerome, hij spande een dik scheepstouw tussen twee fossielen.
Hij trok zijn groene, met modder besmeurde laarzen uit, stroopte zijn vuile sokken van
zijn voeten en klom op een paaltje.
Ik bleef onopvallend achter hem staan en hield mijn mond.
Hoi Lorenzo, zei Jerome zonder zijn hoofd om te draaien. Voorzichtig zette hij
een voet op het touw. Daarna nog één. Hij wankelde geen moment. Met kleine, langzame
pasjes wandelde hij een meter boven de grond, maar het leek wel alsof hij gewoon over
straat liep.
Gaaf!, zei ik.
Heb je mijn vader gezien, vroeg Jerome.
Nee
Wanneer ga je weer over de brug lopen?
De brug is te makkelijk. Kijk, hier moet ik mijn schoenen uittrekken, anders glijd
ik weg.
Kun je niet over het water bij de brug lopen. Dom. Ik herstelde me snel.
Over de wolken bedoel ik.
Jerome sprong op de grond. Hij draaide zich om, glimlachte een beetje en schudde zijn
hoofd. Nog niet Lorenzo. Zijn gezicht zat vol met blauwe plekken. Hij moest
lang hebben geoefend op dat koordansen.
Het was op een zondagmiddag dat de hel losbrak bij Jerome thuis. Mijn vader was uit de
haven teruggewandeld langs zijn huis en had hem meegenomen.
Die jongen kan niet terug, hij moet vanavond maar hier blijven, hoorde ik hem
in de keuken tegen mijn moeder zeggen.
Jerome zelf stond nog in de deuropening. Hij aarzelde of hij naar binnen moest komen. Ik
wist niet of het wel zo verstandig was om iemand uit de hel uit te nodigen. Maar ja, dacht
ik, je kon iemand van wie je hoopte dat hij nog steeds je beste vriend was, ook niet op
straat laten staan.
Je mag wel bij mij op de kamer slapen, zei ik.
Jerome zei niets. Zijn neus en mond zaten onder het bloed. Ik vroeg me af of hij toch had
geprobeerd om over de wolken te lopen, maar ik hield mijn mond, want hij zag er niet uit
alsof hij wilde praten.
s Avonds laat kwam Jeromes vader aan de deur. Hij begon te vloeken en
schreeuwde dat hij zijn zoon terugwilde. Hij moet morgen vroeg werken. Jullie maken
een koordanser van hem, een stomme circusartiest!
Mijn vader zei dat hij eerst zijn roes moest uitslapen en stuurde hem terug naar de hel.
Toen ik in bed lag, wilde ik aan Jerome vragen hoe het eruit zag daar. Maar ik moest een
eeuwigheid wachten op zijn antwoord, dus ik deed mijn ogen heel even dicht.
Jeromes matras was leeg toen ik wakker werd. Snel
schudde ik de dekens van me af om naar wat kleren te zoeken: als zelfs Jerome al weg was,
moest de school al lang begonnen zijn.
Maar buiten was nog mistig en koud, er slenterde alleen een handjevol havenarbeiders over
straat. Ik wilde me omkeren en weer naar bed gaan, maar de laag hangende wolken brachten
me aan mijn verstand. Jerome had die natuurlijk ook gezien.
Als een bezetene rende ik over het oeverpad naar de brug die alleen nog maar een schaduw
was in de mist en er daardoor weer net zo mooi uitzag als vroeger. Het dek was leeg en
piepte nog steeds. De relingen voelden koud aan en ook het water was bedekt door een dikke
laag mist.
Eerst zag ik ze over het hoofd, maar ze stonden in het gras, vlak voor de brug. Twee
groene laarzen, de vieze sokken er netjes in gestopt. Ik lachte en keek naar de lucht,
maar daar was niets anders te zien dan wolken. Hij moest al bijna in de hemel zijn, dacht
ik.
Hee Jerome!, brulde ik naar boven. Waarom heb je me niet wakker gemaakt?
Dan had ik het ook kunnen zien.
Dennis Rijnvis
|
|