Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Reis naar de begeerte
(romanfragment)

Kris Peeraer

Mehmets patroon wilde dat we zijn oudste club onder handen namen, in Suleymaniye, een wijk met geschiedenis. Pal in het midden was de moskee van Suleyman de Wetgever, verlicht heerser van een strikt gecentraliseerd bestuur, beschermer van wezen en weduwen, een man die zich met alles en nog wat bemoeide, tot en met de marktprijs van basisgoederen, de kwaliteit van yoghurt, de temperatuur van de hamams en het productieproces van toortsen. Samen met zijn vader Selim de Grimme, zijn grootvader Beyazit II en zijn overgrootvader Mehmet II, de veroveraar van Constantinopel, zorgde hij voor de machtigste jaren van het Osmaanse rijk… gebiedsuitbreiding, architectuur, Allah, mooie vrouwen, familiemoord op ongewenste kandidaten voor de troon, kalligrafie, alles wat een stel sultans nodig had om te schitteren in despotisme, de executie van veertigduizend alewieten op een infame zestiende eeuwse nacht incluis, bevolen door de Grimme. De aanhangers van het huis van Ali, Mohammeds schoonzoon en neef, namen het niet zo nauw met de religieuze voorschriften, ze lieten ook toe dat vrouwen aan de zijde van hun mannen baden in hun moskeeën en waren veelal van Koerdische afstamming, allemaal zaken die hen wel vaker tot zondebok veroordeelden.

De club lag vlakbij de moskee, boven op één van de bulten van de stad, een buurt die gereed was voor de sloophamer. Er was nauwelijks plaats voor straten in die wijk en de kasseien lagen er bij als in het bos van Wallers. 't Was opletten om niet over de koppen te struikelen. Vooral als het regende, werden ze gevaarlijk glad. Rijkdom was er met geen vergrootglas te vinden. De daken hadden er niet eens goten. Het stroomde beken van die bult als het regende. Helemaal bovenaan stond de moskee te verstikken. Vanbinnen was de grote, holle ruimte met rode en witte strepen op de bogen onder de koepel, het werk van architect Mimar Sinan. Geen wonder dat de rest van de wijk armtierig was gebleven. Tonnen geld waren in dit huis gestort, zeven jaar inkomen van de provincie Egypte, een vijfde van de veroveringsbuit van Rhodos en 34 jaar opbrengst van de andere Egeïsche-Zee eilanden. De echo van al die dure, mooi onderhouden leegte werd gebroken door dik tapijt van bidvakjes-design. Er was plaats voor wel duizend gelovigen, telde ik uit, netjes gerijd. De koepel was beschilderd met een rozet en korantekst. De tuinmuren rond het gebouw rezen uit de bult. Er was daar nauwelijks plaats voor wat groen, 't leek wel een burcht waartegen schamele huizen stonden aangebouwd. Beneden, de heuvel af, was de oude bazaar met z'n gewriemel. Koelies versleepten er alles wat de markt te bieden had, sommigen zag je niet eens meer lopen, ze gingen met hun kin tegen de keien gebukt onder hun waar.
    Zoals de meeste huizen in de buurt was ook de club helemaal in middeleeuws hout. Mehmets patroon had er zijn jongste neef geposteerd, een pukkelkop van onze leeftijd. Mehmet moest tijdelijk bij hem in dienst. De speelkamer was de enige ruimte die niet rot was. Onder het dak woonde een hasjverkoper, een vent met maar één principe, hasj moest van goede kwaliteit zijn. Aan vrienden, vrouwen en manieren stelde hij niet dezelfde eisen. Mehmet ging soms ook bij hem langs, meestal op vraag van de clubgasten. Die dealer was van Boersa, bezuiden Istanboel, de eerste hoofdstad van de Osmanen. Hij trok ernaar toe als hij aan bevoorraden toe was. De hennep groeide er in de bergen. Hij bracht de pollen mee, fijn poeier dat nog moest worden gekneed.
    De bouwvallige staat van de huizen zorgde voor leegstand in de buurt. Vensters stonden open en in sommige zijgevels waren zelfs gaten. Zo kon de hasjdealer binnen op verschillende plaatsen via krakkemikkige ladders en trappen. Behalve de ratten, muizen en katten kende niemand er de weg zoals hij.
    De club van Suleymaniye was de smerigste die we al hadden gezien, we konden er de vuiligheid meten in centimeters. Het neefje van Mehmets patroon had niet de minste zin voor hygiëne en bovendien was hij een gluurder. Die pukkelkop geilde op Marcia. Hij was van de gevaarlijke soort, veel te onstuimig, iemand die zijn tasj overal tegenaan sloeg. We lieten hem weten dat we de schoonmaak aankonden zonder zijn gezelschap.

Op witte donderdag zag ik de hasjdealer tussen twee huizen hangen. Het was nog vroeg, we hadden onze omelet nog niet zolang gegeten. Mehmet was weer naar huis vertrokken. Hij wilde z'n bed in. Ik was net een venster aan het wassen met onverdunde ammoniak, de enige manier om er terug doorkijk van te maken. Mijn ogen waren rooddoorlopen van het scherp in de lucht. De hasjman wenkte me. Ik liep de trap op naar boven, naar de zolder. Achter een stapel rommel kwam ik bij zijn deur. Binnen had hij een bed, enkele planken met een matras erop, een stoel en een koffer. Meer stond er niet. Zelf kwam hij binnengekropen langs een opening waarin een paneel paste. Of ik wilde roken, moest hij weten. Het was een mooie ochtend, alles spic en span, een lenteschoonmaak aan de gang. Hij wikkelde een plastic velletje vol pollen in krantenpapier en stak het in brand. Het vuur was al gauw weg en de krant verkoold. Met zijn brede hak stampte hij op wat er van het zaakje restte, de zolder daverde ervan. "Geniet van het uitzicht," zei hij en wees naar het dakvenster. Je kon er langs de Suleymaniye moskee over de stad kijken tot aan de brug over de Bosporus.
    Hij haalde het mica papiertje van onder zijn plateauzool en pelde het van de platgestampte portie hasj af. Die was dun en okerkleurig. "Je gaat wat meemaken," gniffelde hij en maakte er een sigaret mee. "In heel Anatolië is geen beter gerief te vinden. Hier, neem mee naar je vriendin," porde hij me. Zelf deed hij eerst twee trekken. Ik kroop zo snel ik kon zijn zolder af. Die joint brandde als een droge takkenbos.
    De wereld leek wel gespoeld nadien. Alles zag er nieuw uit vanaf Suleymaniye en dat had niet alleen te maken met de vensters die we hadden gewassen. Ik merkte dat Marcia's haar ging zweven. De zwaartekracht viel haar van het lijf. Haar armen volgden, ze waren overal. Ik hield mijn hart vast en keek voortdurend naar de zee. Ruimte moest ik hebben. Die houten keet kon me worden gestolen, ik verloor mezelf erin, handen, ogen, oren... alles raakte zoek. De wereld krabde zich met de grootste ijver. Het vonkte. Overdagse sterrenschoten vlogen over het water. Boten maakten gekleurde krassen op de zeespiegel. Het gaf mijn ogen extra werk. Die schoonmaak leek plots onzin, net als al de rest. 't Bracht me aan het lachen, zomaar. Ik wist niet eens hoeveel tijd er voorbijging. 't Was sterk spul, ik ging er helemaal open van, na mijn ogen ook mijn neusgaten, als ik ze al terugvond. Toen ik Marcia's hand nam, voelde ik haar bloed, het stroomde door mijn vingertoppen. We zochten de moskee op. Door de koepel waaide de soundtrack van een horde Mongolische ruiters, geruis dat aanzwol en dan stierf. Wat we al niet hoorden. En tussendoor de lachopstoten. We moesten weg toen de gelovigen kwamen bidden. In de gokkamer rook het nog volop naar hasj, een geur als een deken, lekker warm en intiem. Ik liep mijn eigen emmer omver op de pokertafel, midden erop, hoe ik daar kwam weet ik niet meer. 't Maakte niks uit, die tafel kreeg die dag eens wat anders te zien dan kaarten, dobbelstenen en glazen. Marcia's billen schoven erover, zo werd ze nog eens extra geboend, de patroon en zijn neefje konden tevreden zijn. 't Was net of we de erfzonde opnieuw bedreven, Zoethout Sanregret en ik. Daarna waren de hallucinaties weg. We liepen naar buiten en gingen eten. Honger hadden we, als leeggelopen paarden. We namen elk twee gerechten in het eethuis vlabij. Ik had prinsesbonen en aubergine met gehakt. Er kwam rijst bij en een fles water en op 't eind twee ruiten baklava van bladerdeeg met ertussen okkernoten en overgoten met suikerstroop en rozenwater.
    Over de kasseien van Wallers slenterden we de bult af naar Beyazit, waar de universiteit was en de Grijze Wolven het tegen Dev Sol opnamen. Ze smeten met stenen en vuurden ideologieën naar elkaar, rechts, links, averechts. Er werd af en toe ook met scherp geschoten. Een pokerkennis van Mehmet had het ondervonden, een man van Beyoloe. Hij was toevallig tussen twee groepen terechtgekomen en door een kogel getroffen. Nadien moest hij nooit meer gokken in deze wereld en het was ook allerminst zeker of hij in Allah's verblijf een wijk zou vinden die met Beyoloe was te vergelijken, betaaldames, pokerclubs en oude Amerikaanse sleeën incluis. Mehmet hield sindsdien van het leger en de generaals, zelfs van de politie. Ze knuppelden steeds meer manifestaties uiteen en hadden daarom geen tijd om illegale goktenten binnen te vallen. 't Benaderde zijn ideaal in een tijd dat het land naar de kloten ging met regeringswissels en inflatie. De prijs van het brood was sinds nieuwjaar al drie keer opgeslagen.
    We reden het laatste stuk met de trolleybus en strompelden de trappen op naar onze kamer. Daar vielen we in een slaap die alles wegveegde.

's Avonds begon de grote ruzie in Suleymaniye. Mehmet bleef er een hele week over doordraven. 't Was zo'n gedruis geweest dat de politie niet anders kon dan optreden.
    Het neefje van de patroon had Mehmet zijn vet gegeven en hem onbetrouwbaar genoemd. "Stuur die vreemde schoonmaakploeg naar huis," riep hij. Turken moest hij hebben, eigen volk. Wij waren twee lummels die onze afspraken niet nakwamen. In de vooravond was hij met enkele gokkers binnengekomen. Alles stond er nog, dweilen, sponzen, emmers en borstels, precies zoals we het hadden achtergelaten, de stoelen en de muren half gewassen, de tafel geboend en de ruiten vol ammoniak. Die wildeman in keurig pak vond het geen gezicht, al wist hij dat het in de club van zijn oom te Zeytinboernoe niet anders was geweest. 't Was nu eenmaal eigen aan onze werkwijze, grondig, bijna Duits. Hij had de ergste troep zelf moeten ruimen, dat stak hem nog het meest. Zijn handen werden er vuil van en hij kreeg spatten op zijn vest. Het zat hem die avond echt niet mee, hij verloor op de koop toe bij het spel. Ook daar kreeg Mehmet de schuld van, waarom niet, plek genoeg op zijn kerfstok. "Het rot van de wereld komt door je spitse kop naar buiten," schold het neefje. 't Zou hem gezind hebben zijn licht voorgoed uit te blazen. Alleen had Mehmet sommige bezoekers op zijn hand, gasten die hem goed kenden en vaak door hem waren bediend. Vanaf toen werd het een vuile partij poker, met dreigementen, messen en zelfs een pistool. Het ging er steeds lelijker aan toe rond die tafel. De hele buurt, of wat ervan restte, stond binnen de kortste keren op stelten.
    De politie kwam net op tijd. Voor een keer was Mehmet maar al te blij dat ze binnenvielen. Een van de agenten schoot zijn revolver leeg in de zoldering. Volgens Mehmet kon je daarna alleen nog het gesmoord gevloek van de hasjdealer horen. De oom van de heetgebakerde pukkelkop werd erbij gehaald. 't Was een vervelende aangelegenheid, dat besefte hij ook wel. De richtlijnen van de hoofdcommissaris van de stad waren duidelijk. Die halfduistere clubs waren hem een doorn in het oog, ze moesten dicht. Maar het politieke geweld eiste voorlopig alle aandacht van zijn mannen op en bovendien waren er te veel connecties tussen bazen en politie, te veel zwart geld en niet geregistreerde bijverdiensten, smokkel, vrouwen, drank en spelen, een uiterst ingewikkelde zaak. Niets doen kon echter niet. Daarom werden er boetes geïnd van de vechtjassen en ging die driftkikker van een neef een nacht achter de tralies.
    Veel erger was het dat de club dicht moest. Dat zorgde voor nieuw kabaal. Ze konden een mens zijn broodwinning toch niet afnemen. Omstreeks vier uur waren de agenten zo moe van het discussiëren dat ze een compromis aanvaardden, ze zouden het toilet verzegelen, ijzerdraad rond het hangslot draaien en er rode lak overheen gieten, dan konden ze de hoofdcommissaris melden dat er eindelijk wat werd gedaan, een razzia, midden in de nacht. De speelkamer zelf mocht openblijven, maar dat hoefden ze er hem niet bij te vertellen. 't Kostte Mehmets patroon wel een flinke bijdrage aan het uniformenkorps. Als blijk van goede wil liet hij zich bij het sluiten van de deal zelfs de resterende kaartjes voor het komende politiefeest aansmeren, allemaal aan volle prijs.
    Mehmet kwam weg zonder boete. Hij stoof regelrecht naar huis, begon op onze deur te bonken en beval ons alles te gaan opruimen. Hij was ondersteboven van wat gebeurd was. Zonder de gasten van die avond lag hij nu te creperen, dat drong steeds dieper tot hem door. 't Hielp niet dat we hem vroegen waar al die heisa om draaide, we konden de aanleiding zelf wel raden. Hij bleef wachten tot we in onze kleren staken en schopte ons toen naar buiten, vijf uur in de ochtend.
    "Moet dat nu echt?" vroeg Marcia, maar dat had ze beter niet gevraagd.
    "Fuck you! Go, clean. Me nearly dead."
    't Drong eindelijk helemaal door. Schoonmaken moesten we, schoonmaken, zo snel we konden.

De eerste minibusjes van de morgen scheurden over de boulevards. Tussendoor was het stil. Silhouetten van minaretten gaven vorm aan de stad. We hadden haar nooit zo stil geweten. Het monster leek getemd. Sloom van de slaap strompelden we naar Suleymaniye. Daar stelden we vast dat de club er niet uitzag en dat het enige kraantje in huis, in het toilet, onbereikbaar was. Welke idioot had in godsnaam de wc verzegeld? De hasjdealer verschafte uitleg. Hij zat er nog het meest mee. "Vijf kogelgaten in mijn vloer! Alsof die nog niet rot genoeg is. En niet eens een ander toilet in het gebouw. Een deftige burger als ik kan in het vervolg de straat op om te gaan zeiken," stond hij te duvelen.
    "Koop een po," raadde Marcia hem aan.
    't Was zijn eigen schuld. Zonder dat spul van hem was deze hele mistoestand nooit voorgevallen. We rommelden wat aan, het was onbegonnen werk om die troep weer schoon te krijgen. Er lag gebroken glas op de vloer, uit het plafond was kalk gevallen en de tafel zat onder de smurrie... fruitsap, thee, raki, tabak, kogelhulzen en doorweekte kaarten. We veegden alles bijeen in een hoek op de gang en gingen weer slapen.

Mehmet moest vanaf toen zelf voor water zorgen. Hij schafte zich een jerrycan aan en liep er dagelijks mee naar de kraantjes op het erf van de Suleymaniyemoskee, waar de gelovigen hun handen en gezicht wasten. De club werd de volgende maanden het drukst bezochte gokkershuis van de stad. Iedereen wilde zien waar de best verspreide roddel in Istanboels gokkerskringen zijn oorsprong vond. Het lakzegel werd veelvuldig gekeurd, het verhaal van die nacht keer op keer verteld. Er moesten extra sigaretten, geroosterde kikkererwten en rakiflessen worden geleverd en iedere bezoeker kreeg er de eerste dagen een gratis ticket voor het politiebal bovenop. 't Zou er vol gokkers zitten, wat de toenadering tussen de gemeenschappen van ordehandhavers en wetsovertreders alleen maar kon bevorderen. Mehmets patroon beschouwde zichzelf als de verzoener, een gokkersbaas met een groot hart. Hij zou samen met zijn mensen, de politieoversten en hun agenten deelnemen aan de tombola, het enige toegestane kansspel die dag. De eerste prijs was een motor. Hij werd gewonnen door een gokker, niemand die het echt verbaasde.
    Wij lieten ons niet meer zien in Suleymaniye, we wilden die jonge bruut van een patroon niet meer onder ogen komen. Ze hadden hem een vol jaar achter de tralies moeten steken. Mehmet vertelde dat de dealer Marcia's raad had opgevolgd. Hij had zich een po aangeschaft. Die verhuurde hij 's avonds aan de gokkers, op de gang. 't Kostte ze vijf lira per plasbeurt, afdingen hielp niet. Ze konden ook de straat op, zoals hij vlak na de ruzie. Het duurde niet lang of hij investeerde in een tweede po. Er bleef maar volk komen. Dat was goed voor zijn zaken. Hij sleet ze zijn hasj terwijl ze plasten.

©  Kris Peeraer