


|
 |
Een mond vol onzuiverheid,
de schepping volgens Dieter Lesage
Peter de Graeve
De Franse filosoof Jean-François Lyotard meende dat de legitimatie van de
kennis een van de grootste filosofische problemen van het postindustriële tijdperk
vormde. De analyse van dit vraagstuk vindt men onder andere in zijn boek uit 1979, La
condition postmoderne. Deze publicatie was zowat het officiële startschot van het
Europese postmodernisme, hoewel meerdere auteurs die vandaag als postmodern bekend staan,
Derrida, Vattimo, Rorty, Eco, Baudrillard, of zelfs een Levinas, toen al een decennium, of
langer, aan het werk waren.
Al deze filosofen hebben op hun terrein hoge toppen bereikt, dat staat
buiten kijf. Mede onder hun invloed kreeg het maatschappijkritisch gehalte van de
hedendaagse wijsbegeerte een voorheen ongekende scherpte. Wie vandaag, in hun gevolg, de
postmoderne wereld met deconstructieve tred tegemoet stapt, kan zich verheugen op een
wijsgerige tocht vol klemmen en valkuilen, avontuur verzekerd. Maar of de epigonen van het
postmoderne denken er evenveel van terechtbrengen als hun vereerde leermeesters is zeer de
vraag.
Sommige postmoderne auteurs van de tweede generatie hebben de gewoonte ontwikkeld om
belangrijke conceptendissensus, deconstructie, differentie, alteriteit,
schriftuurvan hun voorgangers over te nemen zonder ze op hun filosofische, laat
staan hun maatschappelijke waarde te onderzoeken. Zo kon het postmodernisme niet alleen
uitgroeien tot iets louter modieus, maarwat erger islijkt ook de door Lyotard
gestelde eis tot legitimatie van de kennis alvast wat het eigen denken betreft onder de
mat geveegd. Hieronder volgt een onderzoek van enkele postmoderne themas in twee
essaybundels van de filosoof Dieter Lesage, met name het racisme en het nationalisme, en
van hun politiek-filosofische implicaties1. Met dit
onderzoek wil ik het probleem van de legitimatie ter discussie stellen in een denken (laat
ik het op mijn beurt deconstructivisme noemen) dat het leven bijzonder
zorgeloos en, zo valt te vrezen, gedachteloos tegemoet kijkt.
1. DE SLUIER, EEN FILOSOFISCHE LUIER
In zijn stukken richt Dieter Lesage zich tegen de zogenaamd
multiculturele ideologie van de zogenaamde democratische samenlevingen2.
Zogenààmd, inderdaad, want volgens Lesage houdt de multiculturalist er in feite
een identitaire logica op na, die hem, zonder dat hij dit beseft, in het
vaarwater brengt van het nationalistische streven naar identitaire ficties3 en identitaire fixaties. De
multiculturalistische tegenreactie tegen het racisme, zo meent Lesage, blijft
gevangen in de volksnationalistische retoriek van de culturele identiteit, waarvan het
separatistisch racisme een radicalisering is4. Anders
gezegd, het multiculturalisme is niet meer dan een zachte bocht in de rechte lijn van het
separatistisch racisme; de multiculturalist kan, net als de racist en de nationalist, maar
niet begrijpen dat definitieve identiteit voordurend wordt uitgesteld; een
uitstel, dat de cultuur in staat stelt een soort fantasie te worden, waarin
identiteit slechts als een voorlopig uitstel van cultuur wordt beschouwd.5 Een en ander verklaart volgens Lesage waarom de
retoriek van de culturele identiteit het opkomen voor het recht op culturele identiteit al
te gemakkelijk identificeert met het recht om zichzelf te zijn en aldus cultuur verwart
met een manier om zichzelf te zijn. Cultuur is daarentegen juist een manier om niet zichzelf
te zijn.6 Wat deze cryptische omschrijvingen van de niet-identiteit
precies om het lijf hebben, hoop ik te kunnen verklaren in wat volgt.
Mensen die onoplettend in de val lopen van de identiteit, waarop níemand eigenlijk
geacht wordt te letten, aangezien ze strikt genomen niet bestaat: ziedaar het
pathologische stramien van Lesages identiteitskritiek. Op de even bladzijden vindt hij de
duivel van de identiteit telkens opnieuw uit, om hem op de oneven bladzijden wild te lijf
te kunnen gaan. Lesage verzekert mij ervan dat de ander niet bestaat, en ik moet
zeggen dat ik hem daarin moeiteloos volg: de Japanner, de Chinees, de
Apache
Ze bestaan niet. Ook de Arabier, de Franstalige en de
Waal zijn in zekere zin constructies.7 Maar ondanks alle
fraaie intenties heeft Lesage het zelf voortdurend over de volksnationalist, de
multiculturalist, de racist, de intellectueel, het feminisme, het
Westen, of voert hij (als het zo uitkomt) de Vlaming of de maghrebijnse
jongere ten tonele. De logica blijkt dus enkel identitair te zijn als ànderen
dan Lesage haar hanteren.
Lesages inschatting van het anti-racisme vormt een van de speerpunten
in zijn strijd tegen het identiteitsdenken. Identitair (en vaak racistisch) kan men de
houding noemen die gefixeerd is op wat dè Arabier of dè islamiet zoal
denkt, beraamt of doet. Een pragmatische definitie die ik, zoals gezegd, kan volgen. Maar
wat te doen met Arabieren die zichzelf Arabier of islamiet voelen? Zitten zij niet op hun
beurt in een identitaire knoop? Lesage heeft voor dit netelige vraagstuk een elegante
oplossing bedacht. Het essay Moslimmeisje met megafoon (dat overwegend Franse
toestanden bespreekt) neemt de lastige zoektocht naar identiteit in de zopas beschreven
cultuur van het voortdurende uitstel van de definitieve identiteit (de
Europese laatmoderne samenleving, zeg maar) onder de loep. Kan het zijn dat migranten die
uit een oriëntale context komen in de Islam op zoek gaan naar een vorm van identiteit?
Helemaal niet, zo blijkt.
Om te beginnen bestaat de Islam volgens Lesage niet; wat hem er overigens niet van
weerhoudt te verkondigen dat Islam [zonder lidwoord, PDG] de manier is waarop de
maghrebijnse jongere het gevoel, niet door de Franse samenleving te worden aanvaard,
assumeert om aldus op een alternatieve manier respect af te dwingen. Identiteit, niet als
een gegeven essentie, maar als een complex van strategieën, een geheel van
tactieken.8 Hier wordt de maghrebijnse jongere
in de Franse samenleving ten tonele gevoerd. Maar een identitair denken?
Nergens te bespeuren
Wat de maghrebijnse jongere als voorbeeldig niet-identitaire
mens gaat zoeken in de moskee, is een strategie om niet in val van de identiteit te
trappen. Een niet-niet-identiteit als het ware.
Toch heeft ook de islamitische niet-niet-identiteit weldegelijk een identitaire functie.
Lesage: Hier wordt de onwaardige identiteit van werkloze ingeruild voor de waardiger
identiteit van islamiet: van maatschappelijk overbodig wordt de gelovige geestelijk
noodzakelijk. De erkenning door God komt in de plaats van de miskenning door de
samenleving. Bovendien wordt de haat jegens de Franse maatschappij bezworen.9 De waardige islamitische identiteit moet hier niet als
identiteit, maar wellicht als de fantasierijke cultuur van het uitstel van
definitieve identiteit worden beschouwd. En ook God zal in de
geschiedenis van de mensheid wel nooit iets met identitaire logicas te maken hebben
gehad
In zijn conclusie van dit essay over het islamiet-zijn in Europa lanceert
Lesage dan ook een plechtige oproep tot scheiding van identiteit en staat: Staten
horen geen identiteiten op te leggen, maar het samenleven van identiteiten mogelijk te
maken.10 Le nouveau Martin Luther King est arrivé. I
have a nightmare
Maar er is meer. Zoals de titel van genoemd essay laat vermoeden, heeft
Lesage een uitgesproken mening over het fenomeen moslimmeisje. Dit kan
doorgaan voor het voorlopige hoogtepunt in de postmoderne doorbraak van de
niet-identitaire cultuur. Volgens Lesage leggen meisjes die de hoofddoek opspelden met
deze simpele geste immers een identiteit àf. Filosoferen kan heel eenvoudig zijn.
De meisjes stellen zich door middel van de hoofddoek teweer tegen de identiteit die de
Westerse samenleving hen wil opleggen. Deze strategie van de hoofddoek, zoals
Lesage het noemt, moet dan ook begrepen worden als de manier waarop de moslimmeisjes in
hun verhouding tot de Westerse cultuur de alteriteit aanvaarden waarop zij zich
vastgepind weten.11 Dit is erg subtiel verwoord
Nog maar pas hebben de meisjes deze niet-niet-identiteit verworven, of ze tonen zich al
meteen (uiteraard door zich niet meteen te tonen) begaafder dan hun
niet-identitaire mannelijke collegas (v/m), doordat ze zich tegen een mogelijke
vermenging van de mannelijke islamitische identiteit met hun moslimmeisje-zijn verzetten.
Ze leveren dus, dankzij de filosofische praktijk van de hoofddoek, een kritiek in het
kwadraat op de vloek van de identiteit. Moslimmeisjes aller landen, verbergt u!
Op basis van deze analyse meent Lesage dat de hoofddoekdracht een feministische
geste par excellence is.12 Het bewijs luidt als
volgt: Waar de hoofddoek, zoals ook wel eens gebeurt, louter ten behoeve van de
identiteit gedragen wordt, zonder specifiek religieuze inhoud, wordt het gebruik hoe dan
ook niet lang volgehouden. Let vooral op de formulering: zoals ook wel eens
gebeurt
louter ten behoeve van de identiteit
niet specifiek
religieus. Dit is erg subtiel gedacht! Niet de feministische moslimmeisjes zoeken een
identiteit: wij, in het Westen, of beter nog, in het zogenaamde feministische
Westen, zien die dracht als een archaïsch gebruik dat vrouwen wordt
opgedrongen in een gesloten mannenmaatschappij.13
(Als iets wringt in Lesages logica wordt er een zogenaamd voor getikt, en
klaar is kees: het feministische moslimmeisje, het zogenaamd feministische Westen.)
Hun vlijmscherpe kritiek op de identitaire logica leidt er uiteindelijk toe dat deze
meisjes zich veel islamitischer gedragen dan hun broersdie zich in sommige
gevallen aan druggebruik, vandalisme en andere vormen van delinquentie te buiten
gaan. (De zopas geconstateerde waardige identiteit van de mannelijke
islamiet blijkt bij nader inzien niet altijd even waardig te zijn.) De
hoofddoek, meent Lesage deze fenomenologische studie te mogen besluiten, is
een handige manier om de paranoïde gedachte [over de vrouw] van de broers en mannen te
bezweren.14 Plotsklaps is het niet langer een daad
van feminisme, maar een bezwerend ritueel
Maar er is nog meer. In een eerder gepubliceerd essay over het wel en
wee van moslimmeisjes, Het sprookje van de gesluierde vrouw, was de hele kwestie
door Lesage al eens diepgaand onderzocht. De hoofddoek, zo luidt het daar, draait rond seks.
Ook hier wordt het dragen ervan gepresenteerd als de feministische geste par
excellence.15 Achter de hoofddoek zit vooral een
briljante tactische manoeuvre om de oversekste cultuur van de snel bergaf hollende
Westerse samenleving een stap voor te blijven. Het moslimmeisje moet in de publieke ruimte
(de straat, de school) tegen de male gaze die er op een prominente manier in
tegenwoordig is beschermd worden.16 Het vreemde van
de zaak is dat het overduidelijke verband tussen hoofddoek en seks door niemand eerder is
opgemerkt: We kunnen niet anders dan vaststellen dat de inzet van het
hoofddoekdebatschoolmeisjes en seksin het debat op een opvallende manier
verzwegen wordt.17
Het verschil met Lesages eerder genoemd essay is, dat het moslimmeisje ter bescherming
tegen die male gaze de hoofddoek hier nog niet zelf heeft opgespeld, maar dit laat
doen door haar bezorgde vader. Dat die ouderlijke bezorgdheid verdiend is, acht Lesage
bewezen aangezien er voor sommigen niets lustvollers is dan een voorbijtrekkende
groep schoolmeisjes.18
Ook dit ouderlijke gebaar lijkt perfect te passen in de
postmoderne logica van de niet-identitaire cultuur. Daarenboven zijn het hier zowaar de vaders
die feministisch handeleniets waarvan het zogenaamd feministische Westen niet eens
had durven dromen. De Westerse vader, meer bepaald de Vlaamse huisvader,19 is in zijn hart stikjaloers op de feministisch-islamitische
pater familias. Ook de Vlaming zou zijn dochter het liefst beschermen, maar is daar
niet toe in staat, met als gevolg dat hij, uit frustratie, racistisch tekeer gaat tegen
de sluier. Menselijk toch? Lesage heeft onmiskenbaar een groot talent voor het
verzoenen van westerse syllogismen met oosterse fabels.
Uit dit alles valt deze conclusie te halen: De tegenstanders van de hoofddoek zijn
ultraconservatieven die zichzelf progressief wanen omdat ze tegen een gebruik zijn waarvan
ze denken dat het alleen maar archaïsch is en niets met onze tijd te maken heeft.20 Wat te bezweren was.
Nu dit probleem voorgoed van de baan is, blijft er nog één detail te regelen. Als het
waar is dat de islamitische hoofddoek vooral door zorgzame vaders aan hun schoolgaande
meisjes wordt opgelegd om deze laatste tegen de blikken van vieze mannetjes te beschermen,
wat zouden volwassen vrouwen dan onder zon ding doen? Zijn zij soms niet
feministisch genoeg om nee (laat staan ja) te zeggen? Meer zelfs,
hoe komen islamitische bejaarden ertoe zich met de hoofddoek te tooien? Moeten
tachtigjarigen tegen de Western male gaze in bescherming worden genomen? En hebben,
tenslotte, ook de mannelijke moskee-gangers onder hun boernoesen soms te klagen van dit
alziend seksistisch oog? Die male gazedat noem ik nog eens kijken.
Misschien komt het gebruik van hoofddoeken en boernoesen toch een klein beetje voort uit
het menselijke, al te menselijke verlangen om zich te tooien met identiteitmaar
vermoedelijk ziet Lesage dit als een erg grove idee, die uit zijn fantastische
niet-identitaire logica geband moet worden.
Lesage schijnt over identiteit dingen te weten die
in een simpel hoofd als het mijne niet opkomen. Spijtig dat hij die wetenschap achter de
hand houdt. In zijn geschriften zal je immers nergens lezen wat identiteit voor iets is: zó
wijs is Lesage nu ook weer niet, dat hij zou hebben doorgrond wat de scherpste geesten in
drie opeenvolgende millennia nooit te pakken kregen. Wat Dieter Lesage wel weet en
verkondigt, is, dat identiteit niet bestaateen stelling die al in het antieke
Alexandrië de schoolgaande jeugd op maandagochtenden wist te verbluffen. Het punt is dit:
ofschoon niemand enig idee zou mogen hebben van wat identiteit
betekent (omdat ze, zoals gezegd, eigenlijk niet bestaat) zijn er in onze cultuur in het
beste geval onnadenkende geesten, zoals de multiculturalisten, in het slechtste geval boze
krachten, zoals de nationalisten en de racisten, die beweren dit wel te weten.
Lesage beroept zich op een kennis inzake deze occulte krachten. Hij kent en bezweert het
Boze. Lesage is een postmoderne magiër, een farmakos-medicijnman. In moderne taal: een
priester.
2. DECONSTRUCTIEVE GULHEID
Cultuurfilosoof Dieter Lesage houdt zijn scherpzinnige blikken niet
enkel op beschavingen en religies, maar ook op de politiek gericht. Op dit laatste terrein
heeft hij zich overigens veel actiever ingezet dan in de kwestie van de
moslim-vrouwelijkheid (om begrijpelijke redenen). Die politieke activiteiten worden
uitvoerig beschreven in Inleiding in zwartwerk, het auto-biografisch essay dat zijn
tweede boek, Zwarte Gedachten, inleidt. Lesages engagement heeft in zijn tijd menig
politiek hart diep verontrust. De bundel Onzuivere Gedachten, die werd gepubliceerd
toen Lesage reeds halftijds in dienst was van de ondervoorzitter van het Vlaams Parlement,
Kathy Lindekens, begon met een open Brief aan de Minister-President van Vlaanderen.
Hierin balt de filosoof de vuist tegen de cultuurnationalist par excellence,
Luc Van den Brande.21 Deze toppoliticus heeft zich naar het
schijnt over de brief behoorlijk boos gemaakthet onomstotelijke bewijs dat
Van den Brande, zoals Lesage met verve poneert, niet weet wat goede filosofie is. Dieter
Lesage komt in de Inleiding in zwartwerk tot het besluit dat het gevecht met Van
den Brande hem uiteindelijk zijn ereplaats in de politieke coulissen heeft gekost: Kathy
Lindekens vond zijn idee om een halftijdse carrière voltijds te maken immers niet
aantrekkelijk. Hij moest dus wel gaan, de eer aan zichzelf houdend. Maar Dieter
Lesage is geen man van rancunes: nu de schok stilaan is verteerd en de zwarte herinnering
tot haar natuurlijke muisgrijze proportie is teruggekeerd, gaat hij er prat op dat hij, de
filosoof in de regenton, bijna de hele Vlaamse regering liet vallenen niet de hele
Vlaamse regering hèm
22 De megalomanie van een bonobo
in het grote bonsai-bos.
Een goede inleiding in Lesages politieke filosofie biedt het stuk Mandela
is een Belg. Dit essay vormt een antwoord op de politieke denkbeelden van de Vlaamse
filosoof Ludo Abicht. Lesage voelt zich door Abicht onheus behandeld. Deze oude vos laat
zich immers verleiden tot het maken van bedenkelijke associaties, en voor de
rest mag de strategie van Abicht duidelijk zijn: hij schetst het beeld van een
tegenstander die hij nooit benoemt, waarvan hij de argumenten nooit citeert, die hij naar
believen parafraseert, of die hij zelf verzonnen argumenten of gedachten toedicht, om die
tegenstrever vervolgens des te gemakkelijker onderuit te kunnen halen.23 Dit laatste verwijt slaat op het feit dat Abicht van
oordeel is dat sommige van die Nieuwe Belgen er niet voor terugdeinzen om de
argumenten van het racistische Vlaams Blok in de mond van democratische
cultuurnationalisten (zoals hijzelf) te leggen. Heel gemeen vindt Lesage die kritiek. Want
weet u, in Onzuivere Gedachten heeft hij alleen geschreven dat
in het
Vlaanderen van de Minister-President [=Van den Brande] bij elk communautair incident
hardop wordt gedroomd van Vlaanderen-Wallonië. Wat men dan met Brussel-Bruxelles moet
aanvangen wordt daarbij in het midden gelaten, alhoewel sommigen daar heel duidelijk over
zijn. Brussel zou altijd al een Vlaamse stad geweest zijn, ligt bovendien midden in Vlaams
territorium en moet daarom ook opnieuw een Vlaamse stad worden. Deze waanzinnige gedachte
complimenteert zichzelf vervolgens om haar realisme omdat ze Franstalige Brusselaars
faciliteiten wil toekennen. Het realisme vindt men echter niet in de valse, leugenachtige
nostalgie, noch in de utopie die zij moet legitimeren. Het Vlaanderen van de
Minister-President lijkt wel patent te hebben op [sic] de paradoxale figuur van de
nostalgische utopie. Een gesubsidieerde verheerlijking van een vergaan verleden moet
dienen tot algemene mobilisatie voor een utopie binnen handbereik.24
Er staat dus: in het Vlaanderen van de Minister-President (
) zijn sommigen
daar heel duidelijk over
Nergens zegt wijsneus Lesage met zoveel woorden dat Van den
Brande zelf ervan droomt Brussel te annexeren of de Franstaligen faciliteiten toe
te kennen. En wie is ook zo dom dat hij niet begrijpt dat met sommigen hier
het Vlaams Blok wordt bedoeld?! Abicht heeft gelijk. Dit is stemmingmakerij. De geile
oude-mannendroom, de annexatie van Brussel, is een windei, dat Lesage ongestraft onder de
democratische deken denkt uit te kunnen smeren.
Wat er met Brussel dan wel dient te gebeuren, daarover heeft politiek filosoof Lesage zo
zijn ideetjes. Hij heeft voor dit probleem een institutionele oplossing bedacht,
namelijk Brussel denken als een gemeenschap: Welke wending zou het debat over
de staatsstructuur kunnen krijgen indien we het institutionele concept zouden lanceren van
de twee- of meertalige "Brusselse Gemeenschap" (
)?25
Een bijzonder vermakelijke wending, zo blijkt. Om te beginnen is het erg fijn dat de
Brusselaars eindelijk zullen kunnen kiezen tussen tweetaligheid of meertaligheid.
Eerlijk gezegd, hing de massale tweetaligheid van de eentalige Franstalige iederéén op
de duur een klein beetje de meertalige keel uit.
Lesage stapelt de blokjes op elkaar, vertrekkend vanuit de vaststelling van het feit dat
Brussel een meertalige stad is geworden. (Welke grootstad niet?) Vandaar dat suggestieve
twee- of meertalig
Maar de institutionalisering van de
revolutionaire meertaligheid is nog maar pas begonnen, of er is nog slechts sprake van
twéétaligheid: De verkiezingslijsten bij de Brusselse parlementaire en
gemeentelijke verkiezingen moeten tweetalig zijn. Bij federale en Europese verkiezingen
zouden dergelijke tweetalige (Brusselse) lijsten toegelaten moeten zijn.26 Exit meertaligheid.
En exit grondwet. Geen constitutionele bescherming meer voor de toch al meertalige
Nederlandstalige, vermits de notie van "pariteit" die thans de
samenstelling van de Brusselse (en de federale) regering bepaalt, alleen zin heeft binnen
de context van een dualistisch en etnisch gedacht gemeenschapsconcept.27 Trouwens, vraagt de pientere filosoof, waarom zouden
"Franstaligen" [bemerk de niet-identitaire aanhalingstekens, PDG] per definitie
niet in staat zijn om de rechten van Nederlandstaligen [met gebrek aan niet-identiteit,
PDG] te respecteren en te waarborgen (en vice versa)?28.
Ja, verdorie, waarom ook niet eigenlijk? Het antwoord volgt prompt, en wordt
institutioneel gesuggereerd met de vaststelling van vermoedelijk alweer een feit, namelijk
dat homoseksuelen lang niet altijd de beste verdedigers zijn van de rechten van
homoseksuelen en dat heteros ook voor homos kunnen opkomen zodat
bijgevolg ook niet kan worden uitgesloten dat Franstaligen de rechten van
Nederlandstaligen respecteren en verdedigen en vice versa.29
Ik heb niets tegen deze logica. Zo meen ik te weten dat fabrieksarbeiders lang niet altijd
de beste verdedigers zijn van de rechten van fabrieksarbeiders en dat ook een overzeese
Board of Directors de belangen van de arbeidersklasse ter harte kan nemen. Het mag niet
worden uitgesloten dat marktkramers voor het bestaansrecht van shopping-centers kunnen
opkomen, of dat macrobiotici het recht van Engelse Lords om op vossen te jagen respecteren
en verdedigen, en vice versa. Tenslotte kan ook de stedeling, in zijn betonnen doos, voor
het recht van de villabewoner om in de eigen tuin een eigen zwembad te graven een respect
opbrengen, dat gemiddeld anderhalve meter diep is. En vice versa. Jawel, dat kan.
Alles kan.
Zijn institutionele concept van een Brusselse Gemeenschap haalt Lesage
uit de vaststelling dat er thans in Brussel stemmen opgaan om het gewest als één
gemeenschap te beschouwen van mensen die verschillende talen spreken en verschillende
geschiedenissen hebben.30 Uit welke hemel die stemmen
zijn neergedaald wordt er in dit kerstverhaal niet bij verteld. En of het volstaat dat
mensen dan verschillende talen spreken en verschillende geschiedenissen hebben, om hen als
één gemeenschap te beschouwen, is evenmin een commentaar waard. Wat indien sommige
Brusselaars andere stemmen menen te horen dan die welke Lesage registreert? Moet er in dat
geval geen superstem opgaan, die het Brussels gewest als één gemeenschap beschouwt, weze
het thans de gemeenschap van allen die verschillende meningen hebben over wat als één
gemeenschap kan worden beschouwd? Ik heb geen al te verfijnd gehoor, en kan het dus niet
weten; het is alleen jammer dat de expert ter zake hier enigszins op de vlakte blijft.
Dat dit bouwwerk verborgen gebreken vertoont, werd door zijn Bouwheer in al zn
wijsheid voorzien. Om het overwicht van de Franstalige meertaligheid op de Vlaamse
enigszins te verzachten, doet Dieter Lesage twee suggesties, die, zoals ik vermoed, twee
opeenvolgende stappen in zijn institutionele revolutie vertegenwoordigen. Dit is de ene.
Het Vlaamse karakter van de Brusselse Gemeenschap zou in elk geval al versterkt
kunnen worden door de aanhechting van de zes faciliteitengemeenten bij Brussel en de
toekenning van een volwaardig tweetalig statuut aan deze gemeenten. Volwaardigheid
is een zeer schone deugd. Hier is de andere. Een eventuele verdere uitbreiding van
het Brussels Gewest tot, zeg maar, de huidige (telefoon)zone 02 zou het evenwicht van
Nederlandstaligen en Franstaligen in de Brusselse Gemeenschap nog meer ten goede
komen.31 Evenwichtof hoe heette dat ding ook
weer, pariteit, was dat niet het toppunt van een dualistisch en etnisch
denken?
Hoe dan ook, die zone 02, dat heb ik even voor u nagekeken: ze
bestaat uit twee steden, Halle en Vilvoorde, achttien fusiegemeenten (waaronder Zaventem
en Tervuren), naast de zes bestaande faciliteitengemeenten. De grootsheid van een politiek
filosoof herken je aan de gulheid waarmee hij andermans gave en goed wegschenkt. Ruim
denken. Dit alles moet volgens de brave Vlaming Lesage gebeuren zonder de
Franstaligen het leven nodeloos zuur te maken. Laat ik er zelf aan toevoegen (ik ben
zeker dat Lesage mij hierin onvoorwaardelijk steunt): en vice versa. Onze brave
korporaal rondt zijn sermoen af met de mededeling dat een dergelijke uitbreiding van
het Brussels Gewest inderdaad ook economisch buitengewoon steekhoudend is.32 Exit institutionele logica. Als het geld maar rolt. En
zolang er mensen zijn van goede wil.
Die institutionele voorkeur voor economisch buitengewoon
steekhoudende meertalige gemeenschappen komt voort uit Lesages niet-identitaire
afkeer voor het volk, in zn zachte multiculturele of harde racistische
vorm. De filosoof Lesage deconstrueert de volkeren der aarde. Dit gebeurt onder
meer in Pedofiele gedachten, een evangelisch traktaat dat hem werd ingefluisterd in
Die Dagen, ten tijde van de Witte Mars.
Uit de stilzwijgende optocht van de mensenzee tijdens de Witte Mars leidt Lesage met
empirische scherpzinnigheid deze waarheid af: het volk bestaat niet. Een volk
bestaat immers slechts zolang het niets wil. Zodra het iets wil, valt het volk
uiteen. Zodra een bevolkingsgroep iets wil, is de kans immers groot dat er een
andere bevolkingsgroep komt, die iets anders wil. Met een volk dat spreekt en zijn wil
uitdrukt, gebeurt dus het volgende: het zwijgen heeft plaatsgemaakt voor taal en dus
voor de dissensus. (
) Taal is niet, zoals een concurrerend spreekwoord beweert,
datgene wat de eenheid van een volk uitmaakt, nee, taal is datgene waardoor het volk als
eenheid verdwijnt.33 Ziedaar de spits-technologische
ontmanteling van het concept volk. Volk-zijn is zo absurd. Laten wij
ont-volken.
Lesage redeneert hier als volgt. Zodra je iets zegt, heb je werkelijk iets
gezegden niet niets. Tegelijk kun je, zodra je iets hebt gezegd, niet beweren
dat je alles hebt gezegd, want door iets te zeggen, moet je wel verzwijgen
wat je zojuist níet hebt gezegd, toen je iets zei. Immers, door dit ene
iets te zeggen heb je de volledigheid van een mogelijk alles of de stille eenheid van
een mogelijk niets aan flarden gesproken. Zegt het je iets? Stel dat je op de
Prinsengracht een Nederlander hoort zeggen dat het een vreselijk weertje is, en dat jij
hem als Vlaming in zogenaamd Nederlands zou willen antwoorden dat je het daarmee niet eens
bent, dan valt op dát moment en op díe plaats de mogelijkheid van de Groot-Nederlandse
gedachte in duigen. Gelukkig ook de niet-mogelijkheid van die gedachte. Enfin, iets
is dan in ieder geval stuk gegaan. Denk hieraan als je nog eens de grote rivieren over
trekt. Als je geen Volk wil zijn, hou dan je mond, vooral over het weer. Wil je dat wel,
spreek dan gewoon een andere taal: dan gaat er vast een stem op die jullie als
één gemeenschap zal willen beschouwen.
3. POSTMODERNE EPIGONEN
Lesages adoratie voor de Franse filosoof Derrida is groot. Dit moge
naast de talloze referenties, vooral blijken uit het feit dat hij er een essay van
tientallen bladzijden voor over heeft om enkele Vlaamse wetenschappers de les te spellen
als deze, in hun poging om iets ten gunste van het democratische denken te ondernemen, op
Derridas oeuvre een scheve blik durven werpen (Pragmatiek als wetenschappelijke
karikatuur).34 Deze kroniek van een aangekondigde
kritiek begint met de bewering dat Lesage heel deze zaak erg pijnlijk, maar
onontkoombaar vindt.35 De heren in kwestie, Jan
Blommaert en Jef Verschueren, hebben namelijk de euvele moed getoond om Derrida te citeren
(en nog wel zonder hem te lezen, althans zo vermoedt Lesage), terwijl ze aan zijn
adres enkele voorzichtige verwijten formuleren.36 Na een
korte demonstratie correct wetenschappelijk citerenwaarvoor onze nederige
dank, put Lesage zich uit in, nu ja, dat weten we onderhand
Geváárlijk, deze epigonen, die denken hun meester te moeten beschermen tegen de
Niet-Ingewijden. Lesage is zo verstandig de term Onzuiveren hier niet te
gebruiken, maar we zullen nog zien dat hij het verstandig-zijn nooit lang volhoudt. De
formules die hij hanteert, klinken op het eerste gezicht beschaafd: Blommaert en
Verschueren kunnen niet langer geloofwaardig verwijzen; ze hebben het
verkeerd voor; Derrida heeft deze interpretatie niet verdiend; Lesage
kan met de pogingen tot kritiek alleen meewarig glimlachen; Jan Blommaert en
Jef Verschueren lanceren hypermetafysische aanvallen.37
Maar zijn conclusie klinkt als een banvloek: de auteurs doen aan intertextuele
homogeneïsering (een bijzonder gevaarlijke mutatie van het identiteitsvirus) en aan
wetenschappelijk primitivisme38. Jan en Jef,
wetenschappelijk primitieven.
Wat Lesage voor eigen gebruik uit het derridiaanse universum overneemt
is het denken van de differentie: bij Derrida een prachtige
sterrennevel, bij Lesage een dor maanlandschap. Zo wijst de Belgische filosoof op het feit
dat zijn langdurige bezinning op de themas cultuur en identiteit uitgaat van het
wijsgerige concept van de differentie: Een van de betekenissen van het Franse différer
is namelijk uitstellen. Datgene wat in cultuur als differentie voortdurend wordt
uitgesteld is de eigen identiteit.39 Eenmaal deze
betekenis van het werkwoord différer is aanvaard als het fundament van je
wereldbeeld, is alles uitstel, niet alleen de identiteit. Met dit begrip van
de differentie raak je snel in de problemen. Je moet namelijk vermijden om te zeggen dat
iets in staat is ietsmen name zichzelfte worden, want
dan is ditzelfde iets (volgens de logica die je net hebt ingevoerd) niet in staat gebleken
zichzelf uit te stellen of, wat hetzelfde is, het uitstel in zn uitgesteld-worden te
bevestigen. De grootheid van meester Derrida toont zich in de manier waarop hij deze
valkuilen meestal vermijdt, door ze voor zich uit te schuiven, en dus uit te
stellen.
De epigoon daarentegen sukkelt er telkens weer in. Meer zelfs, hij is er bij voorbaat
ingetuind, aangezien hij zich met het differentiedenken van de meester identificeert om
voluit volgeling te kunnen zijn. Zo verslikt Lesage zich in die cultuur als
differentie: Geheel anders dan het culturele identiteitspathos dat zou willen,
moet cultuur namelijk gedacht worden als fantasie, als een manier om niet samen te
vallen met zichzelf, als een manier waarop elke momentane stolling van de eigen identiteit
opnieuw en voortdurend overschreden wordt.40
Momentane stolling? Wat is een momentane stolling? En wat is de momentane
stolling van identiteit? Of erger, de momentane stolling van een
eigen identiteit? Hoe kan iemand zon momentaan gestolde eigen identiteit
dan overschrijden? Is de identiteit tijdens die overschrijding dan miraculeus
opgelost, of leidt de overschrijding op haar beurt naar een nieuwe momentane stolling? Met
andere woorden, is er dan uitsluitend identiteit? Wat doe je met dit alles als je
denkt de differentie te denken? En wat te doen met het verheffen van deze mysterieuze
momentane stollingen tot culturele fantasie?
Mij hoor je niet zeggen dat het differentiedenken om wat voor redenen
ook nihilistisch zou zijn. Dit laatste is volgens Lesage immers hèt
scheldwoord waarmee de deconstructie wordt uitgekreten.41
Dit apologetisch gebaar is echter een tactische afleidingsmanoeuvre waarmee Lesage de
discussie over de differentie wil verplaatsen naar het terrein van de sociale,
culturele en vooral academische waardering, terwijl in de eerste plaats de geldigheid
van deze filosofie ter discussie staat. Door het begrip van de geldigheid als een probleem
van waardering af te doen (wat Lesage voortdurend doet, niet alleen in het artikel over
Blommaert en Verschueren) weigert hij in feite zijn basisconcepten aan een wijsgerig
onderzoek te onderwerpen. Ik vind dit een zorgwekkende tendens.
Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat een effectieve kritische bijdrage (want op een
gegeven ogenblik kun je het spreken over iets niet langer uitstellen, zoals is
gebleken uit de institutionele oplossing voor Brussel) bijzonder arbitrair
wordt. Twee voorbeelden om dit duidelijk te maken.
1.
In een van zijn aanvallen op het multiculturalisme formuleert Lesage een deconstructieve
kritiek op het exotisme. Hij schrijft: Het exotisme doet niets anders
dan het (cultureel) andere te adoreren als een andere culturele eigenheid, een andere
culturele identiteit. Dit betekent zoveel als dat exotisme een geïnverteerd soort
racisme is.42 Ik zie deze betekenis nergens anders
tot stand komen dan in het hoofd van Dieter Lesage. Wie kan beweren dat
exotici het anders-zijn reduceren tot een eigenheid die niet langer
respect opbrengt voor de absolute openheid (het uitstel) van de
alteriteit-àls-alteriteit, tenzij diegene die ervan uitgaat dat er zoiets bestaat als het
andere-àls-andere? Later in dezelfde tekst, wanneer de pijlen opnieuw op het
volksnationalisme gericht staan, poneert Lesage deze stelling: Terwijl in het oude
kolonialisme de gekoloniseerden onderworpen werden aan de cultuur van de koloniaal, worden
in het hedendaagse kolonialisme migranten onderworpen aan de cultuur van de autochtoon.
(
) Maar waar de kolonialen zich in den vreemde het recht aanmatigden om het leven te
leiden dat ze gewoon waren te leiden in hun land van herkomst, wordt vandaag aan migranten
dit recht ontzegd, en wel door diegenen die gisteren nog kolonialen waren.43 Diegenen die gisteren nog kolonialen waren
Een
mooi staaltje van essentialistisch denken.
2.
In het hierboven besproken essay over de islamitische niet-niet-identiteit
ontmaskert Lesage de roep om absolute helderheid, het verlangen naar zuiverheid en
niets dan zuiverheid [als] een gevaarlijk verlangen, omdat niets of niemand dat verlangen
volledig kan inlossen
44 Waarvan akte.
Nauwelijks enkele bladzijden verder, wanneer de poging ter sprake komt die de
maghrebijnse jongere onderneemt om uit het Westerse identiteitsdenken te ontsnappen,
vinden we deze leuke: de jonge islamitische gelovige legt zichzelf op er [=bepaalde
zones van de banlieue, PDG] niet te komen, of, indien hij niet anders kan, probeert [hij]
zich niet door die "onzuivere" ruimte te laten bepalen. De aandacht gaat nu
volop uit naar de innerlijke ruimte.45 Lesage
bespreekt in deze passus een auteur, Khosrokhavar, die hij waardeert omwille van zijn
omstandig en genuanceerd pleidooi om een aantal relatief recente fenomenen, die het
Frankrijk van vandaag verontrusten, zo goed mogelijk te bekijken.46
Een zekere genegenheid voor de auteur volstaat dus om kritische geluiden met betrekking
tot het gebruik van het begrip onzuiver te smoren. Een paar aanhalingstekens, en het
zaakje is zo weer op de graat. Iets anders onzuiver noemen, om de eigen innerlijke ruimte
(wat dit ook zij) te zuiveren heet in dit geval, zoals we al zagen, niet identiteitdrift
of essentiezucht, maar een complex van strategieën, een geheel van tactieken,
bedoeld ter glorieuze deconstructie van de identiteit.
Dit denken is eenzijdig en moralistisch. Lesage wil dat we voortdurend openstaan voor het
andere, in die zin, dat we moeten leren om onszelf voortdurend te betrappen op
een mogelijk, eventueel, virtueel, ideologisch eventjes niet openstaan voor
anderen die echter zelf in alle eeuwigheid, en geheel onbesproken, mogen doen
alsof zij volmaakte openheid zijn. De theologische achtergrond, maar ook de geniepige
totalitaire trekjes van dit denken zijn onmiskenbaar. Little Big Brother. Ik noem het turbo-alterisme.
Dit denken wordt gekenmerkt door een hardnekkig gebrek aan intellectuele eerlijkheid en
politieke moed. Het voert ons mee in zn eigen banaliteit en holle frasering. Zoals
in Lesages definitie van politiek die, zoals verwacht, in de differentie is
gefundeerd: Politiek moet de plek zijn waar de dissensus wordt besproken en de
realiteit stukje bij beetje wordt verbouwd, eerder dan de plek waar op een onbesproken,
zwijgend veronderstelde consensus luchtkastelen worden gebouwd.47
Het blijft een raadsel welke meerwaarde dit soort uitspraken aan de politiek verleent. Of
verder, in zijn definitie van staatshervormingen, die worden beschouwd als een
bewustwording van de Belgische realiteit [of] van de Belgische identiteit, zo men
absoluut wil. Die Belgische identiteit ligt in het ontbreken van een (bevlogen)
identiteit.48 Zo men absoluut wil? Maar het is Lesage
die dit wil! Alleen als het woord over zijn lippen rolt, is de identiteit niet
langer een identiteit.
Hoe sterk de intellectuele wortels van Lesages Nieuwe Belgicisme zijn, moge tenslotte
blijken uit dit citaat: Het is misschien omdat ik zon hartgrondige hekel heb
aan uw [=Van den Brandes] cultuurnationalistische retoriek dat u mij van België heeft
leren houden, met alle gebreken die dit land heeft. Als kind dweepte ik weliswaar een
beetje met Vlaanderen.49 Binnenkort, in een werkje
waarvoor ik zo vrij ben de titel Halve gedachten te suggereren, kan men zich aan
een deconstructie van premier Verhofstadt verwachten: Het is misschien omdat ik
zon hartgrondige hekel heb aan de neo-chauvinistische retoriek die u en uw
media-adviseur over het koninkrijk uitstorten, dat u mij weer van Vlaanderen heeft leren
houden, met alle identitaire gebreken die dit Volk heeft. Als dertiger dweepte ik
weliswaar een beetje met België. Ach, zolang deze brave Vlaming maar van zichzelf
houdt
Geachte heer Lesage, u begrijpt geen jota van het religieuze omdat u de
mens niet begrijpt, u begrijpt de politiek niet omdat u de religie niet begrijpt (dat hebt
u gemeen met andere kwezels), u begrijpt de filosofie niet omdat u de politiek niet
begrijpt en tenslotte zult u nooit weten wat de mens is omdat u geen snars begrijpt van de
dikke filosofische boeken die u leest. Zo zijn we rond: heerlijk.
Au nom du peuple: Laat het theater met rust, laat de literatuur met rust, laat de
kunst met rust, laat met uw klamme handjes de erotiek met rust, laat de Islam met rust en
laat ook de gedachtenis aan Nelson Mandela met rust. Laat België, laat Europa en laat de
wereld met rust. Ook zonder uw parochiale diepzinnigheden zullen ze het wel redden. En
laat tenslotte de filosofie met rust. Het maakt ons, filosofen, witheet van woede dat u
dit kwalijk riekende ondergedachtegoed wijsbegeerte durft te noemen. Houd u bezig met
Derrida en met de banlieue van Kuurne.
Als literator bent u een beunhaas en als essayist een klaploper. Uw politieke denken
bestaat uit de productie van ellenlange bladzijden nietszeggend gelul (m/v) over het
onheuse van zuiverheid en eigenheid. En uw filosofie is, somme toute, une belle
connerie (f/m). Uw bedenksels zijn zoals zovele dingen in dit land: ze leveren
niets op, en het volstaat te beseffen dat ze wellicht ook geen schade berokkenen om ze
eindeloos amusant te kunnen vinden. Nochtans hebben wij u niet nodig voor onze
vrolijkheid. En dat komt dan weer omdat we u volstrekt niet nodig hebbenvoor onze
ernst.
(1) Onzuivere gedachten, Antwerpen, Dedalus, 1996 en Zwarte
gedachten, Antwerpen, Dedalus, 1998.
(2) Onzuivere gedachten, blz. 71, 85, 93, 107, 127, 132; Zwarte
gedachten, blz. 14, 54, 59, 115 135.
(3) OG, blz. 71 en blz. 137.
(4) OG, blz. 107.
(5) OG, blz. 111.
(6) OG, blz. 111.
(7) OG, 101. Zie ook ZG, blz. 153.
(8) ZG, resp. blz. 147 en blz 137.
(9) ZG, blz. 137-38.
(10) ZG, blz. 159.
(11) ZG, blz. 143.
(12) ZG, blz. 143.
(13) ZG, blz. 143.
(14) ZG, blz. 142-143.
(15) OG, blz. 62.
(16) OG, blz. 65.
(17) OG, blz. 64.
(18) OG, blz. 64.
(19) OG, blz. 61-67.
(20) OG, blz. 64.
(21) ZG, blz. 9-15.
(22) ZG, blz. 12-14.
(23) ZG, blz. 46-47.
(24) OG, blz. 78.
(25) ZG, blz. 62-63.
(26) ZG, blz. 64.
(27) ZG, blz. 64. (Ik onderstreep.)
(28) ZG, blz. 64.
(29) ZG, blz. 65.
(30) ZG, blz. 62.
(31) ZG, blz. 65.
(32) ZG, blz. 65.
(33) ZG, blz. 120-122.
(34) OG, 41-60.
(35) OG, blz. 47.
(36) OG, blz. 51.
(37) OG, blz. 52-53.
(38) OG, blz. 55.
(39) OG, blz. 111.
(40) OG, blz. 111.
(41) ZG, 112.
(42) OG, blz. 71.
(43) OG, blz. 77.
(44) ZG, blz. 131.
(45) ZG, blz. 138.
(46) ZG, blz. 133-134.
(47) OG, 11.
(48) OG, 28.
(49) OG, blz. 11.
|
|