Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Arthur Rimbaud
(vertaling: Paul Claes)

Hurken

Het is al laat wanneer een weeïg maaggebrom
Frater Milotus uit het zolderraam doet blikken.
Hij voelt de zon, die blinkt als een geschuurde kom,
Met een migrainescheut zijn daze ogen prikken

En keert zijn patersbuik tussen de lakens om.
Hij weet zich uit zijn grauwe deken los te wrikken,
Zakt neer, zijn buik tegen zijn knieën, al net zo
Verschrikt als grijsaards die zich in hun pruim verslikken,
Want met één hand moet hij zich aan zijn witte po
Vastklemmen om zijn nachthemd hoger op te schikken!

Zo zit hij neergehurkt van kou te rillen, met
Zijn tenen opgekruld, terwijl de zon haar gele
Pasteideeg tegen de papieren ruitjes plet.
De kokkerd van de knul, waar lakglans op komt spelen,
Snuift in de stralen als een vlezig kalkskelet.

De knul stooft bij het haardvuur met verkrampte armen,
Bek op zijn buik: zijn dijen schroeien in de gloed,
Hij voelt zijn broek verzengen, zijn pijp niet meer warmen.
Daar roert zich iets dat aan een vogel denken doet,
Onder zijn buik zo vreedzaam als een stapel darmen!

Rondom ligt een boel suffe meubelen te slapen
Op vieze vodden met hun buik plat in het vuil.
Schabellen, vreemde padden, zijn bijeengekropen
In donkere hoeken. Kasten met een cantormuil
Staan in hun slaap van honger gruwelijk te gapen.

De weemakende warmte vult de smalle cel.
De knul zijn hersens zitten volgepropt met lappen.
Hij hoort de haartjes groeien in zijn klamme vel
En laat zich nu en dan een gek gehik ontsnappen
Bij zijn gewaggel op die wankele schabel...

En 's avonds in de manestralen, die zijn kont
En haar contouren met een zoom van licht omlijnen,
Zit daar een schim gehurkt tegen een achtergrond
Van sneeuw, die rozig is gekleurd als rozemarijnen...
Een rare neus volgt Venus aan het hemelrond.


Accroupissements

Bien tard, quand il se sent l'estomac écoeré,
Le frère Milotus, un oeil à la lucarne
D'où le soleil, clair comme un chaudron récuré,
Lui darde une migraine et fait son regard darne,
Déplace dans les draps son ventre de curé.

Il se démène sous sa couverture grise
Et descend, ses genoux à son ventre tremblant,
Effaré comme un vieux qui mangerait sa prise,
Car il lui faut, le poing à l'anse d'un pot blanc,
À ses reins largement retrousser sa chemise!

Or, il s'est accroupi, frileux, les doigts de pied
Repliés, grelottant au clair soleil qui plaque
Des jaunes de brioche aux vitres de papier;
Et le nez du bonhomme où s'allume la laque
Renifle aux rayons, tel qu'un charnel polypier.

Le bonhomme mijote au feu, bras tordus, lippe
Au ventre; il sent glisser ses cuisses dans le feu,
Et ses chausses roussir, et s'éteindre sa pipe;
Quelque chose comme un oiseau remue un peu
À son ventre serein comme un monceau de tripe!

Autour dort un fouillis de meubles abrutis
Dans des haillons de crasse et sur de sales ventres;
Des escabeaux, crapauds étranges, sont blottis
Aux coins noirs: des buffets ont des gueules de chantres
Qu'entrouvre un sommeil plein d'horribles appétits.

L'écoeurante chaleur gorge la chambre étroite;
Le cerveau du bonhomme est bourré de chiffons:
Il écoute les poils pousser dans sa peau moite,
Et, parfois, en hoquets fort gravement bouffons
S'échappe, secouant son escabeau qui boite...

Et le soir, au rayons de lune, qui lui font
Aux contours du cul des bavures de lumière,
Une ombre avec détails s'accroupit, sur un fond
De neige rose ainsi qu'une rose trémière...
Fantasque, un nez poursuit Venus au ciel profond.

© Arthur Rimbaud, © Paul Claes