


|
 |
Martha
Angelo Perrotti
Martha trekt de deur van haar appartement achter zich dicht. Het ruikt muf
in de gang, denkt ze. Ze snuift diep. Het ruikt muf hier, zegt ze zachtjes. Ze neemt de
lift naar beneden. Op de benedenverdieping komt ze een jonge vrouw tegen, haar onderbuur.
De jonge vrouw lacht haar valse tanden bloot. Wat een mooie dag vandaag, vindt u ook niet,
mevrouw Martens, zegt ze. Ze lacht nog eens. Wat een mooie dag, zegt ze.
Martha kijkt de jonge vrouw niet aan. Het ruikt weer in de gang, zegt ze. De laatste tijd
ruikt het altijd in de gang. Het ruikt zo muf hier.
Een echt mooie dag, vindt u ook niet mevrouw Martens, zegt de jonge vrouw.
Martha mompelt iets onverstaanbaars. Ze loopt de gang uit en trekt de buitendeur met een
smak achter zich dicht. Een mooie dag, een mooie dag, het is veel te warm voor de tijd van
het jaar, zegt ze zachtjes.
Op de stoep komt ze haar bovenbuur tegen, een kale vijftiger.
Goede middag, mevrouw Martens, zegt de bovenbuur. Mooi weertje vandaag, is het niet,
mevrouw Martens. Mooi weertje, toch.
Het ruikt weer in de gang, zegt Martha. Ik hou daar niet van. Ze schudt haar hoofd. Daar
hou ik niet van, zegt ze.
Ach mevrouw Martens, de hele wereld stinkt, zegt de bovenbuur. De hele wereld is om zeep.
De hele wereld stinkt, mevrouw Martens. Hij glimlacht. Maar toch een mooi weertje vandaag,
is het niet, mevrouw Martens. Toch een mooi weertje.
Het ruikt in de gang, zegt Martha en ze stapt verder.
Op de hoek van de straat neemt Martha de tram. Het is druk in de tram. Een jonge kerel
staat op en biedt Martha zijn plaats aan. Martha glimlacht flauwtjes naar de kerel. Als ze
zit, snuift ze diep. Die van boven heeft gelijk, denkt ze. De hele wereld stinkt. Die van
boven heeft gelijk, denkt ze.
Aan het station stapt Martha uit. Ze stapt over op een bus. De bus rijdt niet dadelijk
door, hij blijft staan, met de deuren open. Martha gaat voorin zitten. Er is niet veel
volk op de bus en er stapt niemand meer op. Martha snuift diep. Ze glimlacht. Hier ruikt
het niet muf, denkt ze. Die deuren staan al een tijdje open. Dat moesten ze vaker doen,
denkt ze. De hele wereld zou frisser ruiken als alles op tijd verlucht werd. Als alles
regelmatig verlucht werd.
De bus verlaat de stad. Martha staart de hele rit door het raam. Drie dorpen verder stapt
ze uit. Lekker frisse buitenlucht, zegt ze hardop, als de bus verder rijdt. Lekker frisse
buitenlucht, zegt ze nog eens. Wat luider.
Martha loopt een doodlopende straat in. Aan de overkant van de straat steekt een vrouw
haar hand op. Dag Martha, roept de vrouw. Dag Martha. Lekker zonnetje vandaag, roept ze.
Lekker zonnetje vandaag.
Veel te warm voor de tijd van het jaar, roept Martha terug en ze loopt verder. Aan het
voorlaatste huis van de straat belt ze aan.
Ik kom, hoort ze Jacobina roepen. Ik kom. Even geduld.
Martha kijkt naar haar handen. Sinds wanneer heb ik die vlekken op mijn handen, denkt ze.
Die had ik vroeger toch niet.
Ik kom, roept Jacobina nog eens.
Sinds wanneer heb ik die vlekken, vraagt Martha zich af
Een vrouw, ongeveer even oud als Martha, opent de deur. Dag Martha, zegt ze. Ze glimlacht.
Fijn dat je gekomen bent, zegt ze. Dag Jacobina, zegt Martha.
Mooi weer vandaag voor een uitstapje. Mooi weer vandaag, zegt Jacobina. Je hebt geluk met
het weer, zegt ze. Je hebt echt geluk, Martha.
Mooi weer, mooi weer, zegt Martha. Het is gewoon te warm voor de tijd van het jaar. Alles
is ontregeld. Er zijn geen seizoenen meer. De hele wereld staat op zijn kop. Alles is
ontregeld. Kom binnen, zegt Jacobina. Kom binnen. Ik zal koffie zetten. Ik heb ook nog
cake. Zelf gebakken appelcake. Kom binnen, zegt ze.
Martha gaat in de bank zitten. Ze snuift diep. Haar gezicht betrekt.
Hoe was de rit naar hier, vraagt Jacobina.
Ging wel, zegt Martha. Ze snuift weer diep. Weer betrekt haar gezicht.
Had je een vlotte verbinding, vraagt Jacobina. Je hebt toch niet te lang op de bus moeten
wachten, vraagt ze.
Martha schudt haar hoofd. Ik heb een goede reis gehad, zegt ze. Ik kon dadelijk
overstappen. En er was weinig volk op de bus.
Ik ga even het koffiezetapparaat opzetten, zegt Jacobina. Ik heb ook nog cake. Je hebt
toch zin in cake, vraagt ze. Zelf gebakken appelcake.
Martha knikt. Ze snuift diep. Haar gezicht betrekt.
Jacobina gaat naar de keuken. Heb je Guy nog gezien, de laatste tijd, roept ze vanuit de
keuken.
Martha antwoordt niet.
Heb je Guy nog gezien, de laatste tijd, roept Jacobina weer.
Martha hijst zich moeizaam uit de bank. Die wil ik niet meer zien, zegt ze zachtjes.
Wat zei je, vraagt Jacobina. Ze staat ondertussen terug in de woonkamer.
Ik zei, die wil ik niet meer zien, zegt Martha.
Hoelang is het geleden dat je hem gezien hebt, vraagt Jacobina.
Ik wil hem niet meer zien, zegt Martha.
Hoelang is het geleden?
Nooit meer wil ik hem zien.
Hoelang is het geleden?
Sinds ik daar weg ben, heb ik hem nog drie keer gezien, zegt Martha.
Mis je hem niet, vraagt Jacobina.
Missen, zegt Martha. Missen, herhaalt ze. Wie zou zo iemand missen, zegt ze.
Hoelang zijn jullie getrouwd geweest, vraagt Jacobina.
Veel te lang, zegt Martha.
Hoelang, vraagt Jacobina.
Veel, veel te lang.
Veertig jaar, vraagt Jacobina.
Zevenendertig, zegt Martha. Ze-ven-en-der-tig jaar,
zegt ze.
Zevenendertig jaar, zegt Jacobina. Ze fronst haar voorhoofd.
Zevenendertig jaar heb ik het bij dat beest
uitgehouden, zegt Martha. Overdrijf je niet, zegt Jacobina.
Ze-ven-en-der-tig jaar heb ik het bij dat beest
uitgehouden.
Zo erg was het toch ook niet, zegt Jacobina.
Ik zou willen weten wat jij in mijn plaats had gedaan,
zegt Martha.
Kom, kom, zo erg was het toch ook niet, zegt Jacobina.
Jij had het nog geen jaar bij hem uitgehouden.
Vroeger klaagde je nooit over hem.
We waren nog geen jaar getrouwd toen hij me voor de
eerste keer sloeg.
Dat heb je me nog nooit verteld, zegt Jacobina.
Ik heb je zovéél nog niet verteld, zegt Martha.
Zullen we straks ergens naartoe gaan, zegt Jacobina.
Zullen we straks het dorp ingaan, zegt ze. We kunnen ook naar Rhenilde gaan.
We waren nog geen jaar getrouwd toen hij me voor de
eerste keer sloeg.
Zullen we het dorp ingaan, zegt Jacobina. We kunnen ook
naar Rhenilde gaan, zegt ze.
Ik heb geen zin, zegt Martha. Ik ga niet zo lang
blijven, zegt ze.
Blijf je niet voor het avondeten, vraagt Jacobina.
Dan ben ik te laat terug, zegt Martha.
Te laat, zegt Jacobina. Te laat? Had je nog iets
gepland voor vandaag, vraagt ze.
Ik wil nog voor nieuwe gordijnen gaan kijken, zegt
Martha.
De vorige keer zei je dat je appartement helemaal in
orde was, zegt Jacobina.
De gordijnen zijn niet van mij, zegt Martha. Die hingen
er al. Ze staan me niet aan. Ik wil absoluut andere.
Ik zou er nog even mee wachten, zegt Jacobina.
Binnenkort zijn er koopjes. Zou je er niet even mee wachten.
Ik wil nieuwe gordijnen, zegt Martha.
Binnen twee weken zijn er koopjes, zegt Jacobina.
Martha zegt niets. Ze kijkt naar de pigmentvlekken op
haar handen. Twee weken nog, zegt Jacobina.
Sinds wanneer heb ik die vlekken, vraagt Martha zich
af. Ik wil niet op de koopjes wachten, zegt ze.
Je spaart anders wel een pak geld uit, zegt Jacobina.
Martha kijkt naar haar handen. Ik neem de eerstvolgende
bus terug, zegt ze.
Blijf je echt niet voor het avondeten, vraagt Jacobina.
Ik neem de eerstvolgende bus, zegt Martha.
De twee vrouwen drinken koffie en eten cake. Martha
kijkt na elke slok koffie op haar horloge. Je bent precies ongeduldig, zegt Jacobina.
Ik mag de bus zeker niet missen, zegt Martha. Anders
ben ik te laat.
Je kan toch blijven eten, zegt Jacobina. Gezellig.
Samen eten. Gezellig.
Gezellig, zegt Martha. Gezellig, gezellig. Vroeger was
het gezellig. Vroeger. Nu is niets meer gezellig. Ze drinkt haar kop koffie leeg en kijkt
op haar horloge. Ze staat op. Ik ben er eens vandoor, zegt ze.
Als je niet wil blijven, dan moet je maar gaan, zegt
Jacobina.Ze wandelt met Martha mee tot op de straat. Echt mooi weer vandaag, zegt ze. Je
hebt geluk met het weer, Martha. Je hebt echt geluk.
Martha moet niet lang op de bus wachten. Als ze op de
bus stapt, deinst ze achteruit. Ze snuift diep. Haar gezicht betrekt. Ze betaalt haar
buskaartje. Ze snuift nog eens diep en wil iets tegen de chauffeur zeggen, maar ze zegt
niets. De bus is leeg. Martha gaat helemaal achterin zitten. Het is te warm hier, denkt
ze. Je kan hier nog geen raam openzetten, denkt ze. Die schuiframen aan het plafond, daar
kan ik niet aan. Vroeger had je nog gewone raampjes in de bussen. Vroeger rook het overal
ook niet zo. Vroeger. Vroeger, denkt ze. Vroeger, fluistert ze. Vroeger.
Halverwege de rit stappen een man en een vrouw van
middelbare leeftijd op. Het koppel gaat voor Martha zitten. Wat een prachtige dag is het
toch vandaag, zegt de vrouw.
Een echt prachtige dag, zegt de man.
Veel te warm voor de tijd van het jaar, wil Martha
zeggen. Ze zegt niets. Ze gaan nog denken dat ik niet goed bij mijn hoofd ben, denkt ze.
Tegenwoordig moet je oppassen wat je tegen wie zegt. Vroeger, vroeger praatten de mensen
nog met elkaar. Vroeger. Vroeger.
Hopelijk is het morgen even mooi, zegt de vrouw voor
haar.
Ze hebben het toch voorspeld, zegt de man.
Je weet maar nooit tegenwoordig, zegt de vrouw.
Je weet maar nooit tegenwoordig, denkt Martha. De
wereld is om zeep. Er zijn geen seizoenen meer. Alles is ontregeld. De hele wereld staat
op zijn kop.
Martha stapt aan het station uit en neemt de tram. Op
de tram zijn alle raampjes open. Het tocht hier, denkt Martha. Morgen ben ik ziek. Morgen
ben ik snipverkouden. Alles staat hier open. Morgen ben ik ziek, daar ben ik zeker van.
Op de hoek van haar straat stapt Martha uit. Heel
langzaam loopt ze naar huis.
In de gang van het flatgebouw stapt de bovenbuur net
uit de lift. Bent u al terug, mevrouw Martens, vraagt de bovenbuur. Bent u al terug? Hebt
u van het zonnetje genoten, mevrouw Martens. Hebt u van het zonnetje genoten?
Martha snuift diep. Het ruikt hier in de gang, zegt ze.
Ze schudt haar hoofd. Het ruikt muf hier, zegt ze. De laatste tijd ruikt het hier altijd
muf.
Ik ga ook nog even van het zonnetje genieten, zegt de
bovenbuur. Mooi weertje toch, is het niet, mevrouw Martens. Een mooi weertje, toch.
Martha snuift diep. Het ruikt hier, zegt ze. Het ruikt muf hier. Ze schudt haar hoofd.
Daar hou ik niet van, zegt ze. Ze stapt in de lift.
|
|