In het doodtij tussen negen
en half tien, als de ruimte
tussen her en der vervlakt,
van gummi, scharlaken wordt -
beweegt een zachte damesspin
als zwevend in de kalme wind.
Maak ik het lichte blikkeren
van mijn zilveren spinsels op.
Later, als mijn liefde slapen,
vind ik de gave, taaie draden
naar het midden terug, de
middelen, het perspectief.
Nachtelijks naar een wreed,
steels doorvlogen weefsel
blijven streven - wachten,
spinnen, mijn ogen open,
mijn klauwen en bek dicht,
waken. Alles klaar