Ik studeerde geschiedenis maar
ontwikkelde in mijn vrije tijd een passie voor fotografie. Mijn moeder was een maniak op
het gebied van verandering. Er ging geen week voorbij of ze kwam wel met iets nieuws
aanzetten. Een jas, een bureaustoel, een tapijt of een vitrinekast.
Moeder kocht als een bezetene en deed de dingen met een zelfde snelheid
weer van de hand. Ze was gedreven in het vullen van leemtes en het volstouwen van hiaten
in haar leven. Het dreef mij als kind tot de rand van waanzin.
Niets wat los zat had voor mijn moeder een eeuwigheidswaarde. Misschien
dat ik me daarom op de fotografie gestort had. Het medium bij uitstek om het heden vast te
leggen en daardoor het verleden te archiveren en eventueel om een mogelijke losbandigheid
van de toekomst te elimineren.
Een paar jaar later liet ik mijn studie varen en trad als fotograaf in dienst bij een
populair weekblad. Zo verdiende ik mijn eerste geld met mijn obsessie.
Ik stortte me met veel overgave op mijn werk en probeerde onderwijl
collega's zo veel mogelijk te mijden. Nog altijd had ik een probleem met woorden. Ik wilde
ze niet horen en ik wilde ze niet spreken. Maar niet altijd had je de dingen in de hand en
zo kwam het toch geregeld voor dat ik in een conversatie terecht kwam. Men vond mij
sympathiek. En men vond dat ik veel talent had. Ja, en dan praatte men graag met je.
Een Einzelgänger noemden ze mij ook. Ik vond het allemaal
best. Laat ze maar vinden, dacht ik. Ik had op die momenten toch niets zinnigs te zeggen
en dat beviel me wel.
Maar zo kwam het dat men soms wel eens naar mijn familie-
omstandigheden vroeg en dan kwam vroeg of later mijn moeder ter sprake. En wat moest ik
dan doen? Een grote mond opzetten? Weglopen?
Ik haalde op zulke momenten maar mijn schouders op en zei dat mijn
moeder in het verleden leefde en dat het verleden voor mij één grote waas was, een
drijfzand van herinneringen.
En hoe meer foto's ik maakte, hoe meer ik haar ging vergeten. Met iedere klik van de
sluiter verdween haar gezicht meer en meer in de nevel.
Ik was goed in mijn werk. Ik was heel goed. En men wist het.
Oktober jongstleden mocht ik de prijs ontvangen voor beste dramatische
persfoto van het afgelopen jaar.
Het was een kiek van een jongetje dat drijfnat en kleumend op de pier
van Scheveningen stond. Een deken om hem heen gewikkeld. Zijn natte piekhaar in de wind.
Naast hem lag zijn vader, onder een zwart stuk plastic. Het jongetje
was tijdens een wandeling op de pier te water geraakt en zijn vader was hem achterna
gesprongen. Hij kon zich bijtijds vastgrijpen aan een stuk drifthout. Maar zijn vader was
jammerlijk verdronken.
En ik was daar, ik was er bijtijds om het leed in de val te laten
lopen. Mijn fototoestel klikte en met iedere seconde werden de tranen van het jongetje
opgevangen.
Afijn, prijs, applaus, een rijkelijk bedekte buffettafel. Veel
journalisten. Ik boog diep en niet zonder reden.
Ik had me die dag losgevochten van moeder. En met nog meer souplesse
deed ik mijn werk. Tourde kriskras door het land en legde alles vast wat dreigde te
vervagen. Geen verandering was op handen of ik legde de gebeurtenis vast. Ik smeedde er
als het ware een raamwerk omheen. De werkelijkheid: als een rat in de val.
En dit alles werd ten toon gesteld. Want, ja, musea en galerieën
begonnen belangstelling te tonen. Ze klopten aan bij mij en toonden mij hun lege,
smachtende muren.
Weet je, fotografie als kunst is niet eenzijdig. Je gaat als
fotograaf een dialoog aan met het object en legt de verlegenheid vast die direct volgt op
het moment dat je het in al zijn naaktheid hebt betrapt. Dat is niet zo gemakkelijk,
eerlijk gezegd, maar je kunt de zaak forceren als je wilt. Het is daarom ook dat ik zeg
dat je misschien wel bij slechts toeval het bewuste vastlegt maar dat je dat toeval bij
beslissing kunt uitlokken.
Toen ik op een avond thuis kwam zag ik dat er iemand ingesproken had op mijn voice-mail.
Er ging een rilling door me heen toen ik de stem hoorde. Ik herkende hem meteen. Het was
Jack, mijn oude buurman. Hij schraapte zijn keel en zei me dat hij het vervelend vond dat
ik het van hem moest horen, maar als hij het niet zei, wie zou het dan moeten doen? De
huisarts? De politie?
Ze hadden moeder gevonden, in haar slaapkamer, op bed. De stank had ertoe geleid dat de
GGD gewaarschuwd was. Hoe lang ze daar precies gelegen had, wist Jack niet. En de
doodsoorzaak moest nog worden vastgesteld. Een natuurlijke dood, verzekerde hij me, dat
kon niet anders.
Ik dacht lang na. Van alles schoot er door mijn hoofd. Morgen zou ik gaan lunchen met de
hoofdredacteur. Ik had geen brood meer in huis. Binnenkort zou er een monteur langskomen
om naar de cv te kijken.
Ik ging op bed zitten, schopte mijn schoenen uit en ging languit liggen.
Morgen zou ik naar haar huis gaan, wist ik opeens. Lunch afzeggen,
fototoestel mee en dan onmiddellijk naar huis.
Ik dacht aan de mensen van de Dela die moesten
worden ingelicht. Ik dacht aan het huis dat ontruimd moest worden. En natuurlijk de
begrafenis.
Ik had daar allemaal geen zin in. Ik belde Jack en vroeg hem of hij die
zaken op zich wilde nemen. Hij kende mijn moeder immers beter dan ik, vermoedde ik. Jack
stelde mij gerust. Alles zou wel goed komen. Ik bedankte hem en zei dat ik de volgende dag
even langs zou komen.
Ik nam al vroeg de trein. Ik had een boek meegenomen en las het verhaal The oval
portrait van Edgar Allan Poe.
Ik staarde door het raam naar buiten en nam het voorbij schietende
landschap in me op. Een enkele keer richtte ik mijn camera naar buiten en deed alsof ik
afdrukte.
Om 11.00 's ochtends kwam ik in de Edelweissstraat aan. Ik
belde aan bij Jack. Hij liet me binnen en bood me een kop koffie aan.
Na wat koetjes en kalfjes kwamen de formaliteiten. Jack zou Joopie
koopt alles bellen en het huis laten ontruimen. Ik zou de zorgverzekeraar bellen en
zeggen dat ze alles met mijn buurman moesten doorspreken.
'Wat voor bloemen wil ze hebben,' vroeg Jack me.
Ik haalde mijn schouders op.
'Anjers denk ik,' zei ik tenslotte maar. 'Ze had altijd anjers in
huis.'
Jack knikte.
'Dat dacht ik ook.'
'Zoek maar een mooie kist uit. En zet er maar een mooie steen boven op.
Alles wat je extra moet betalen krijg je van mij weer terug.'
Jack zei me dat ik me niet zoveel zorgen hoefde te maken.
'Kom je op de begrafenis?'
De vraag had serieus geklonken.
'Nee,' zei ik. 'Ik denk het niet. Ik kan het niet uitstaan, het idee
dat ze aan mijn voeten ligt te rotten. As tot as, stof tot stof. Lichaam tot pulp.'
Jack knikte maar zei niets.
Ik opende de voordeur en liep naar binnen. Een misselijk
makende walm kwam me tegemoet. Jack had me hiervoor gewaarschuwd. Maar op deze geur kun je
je eenvoudigweg niet voorbereiden.
Ik liep de woonkamer in. Er stond niets wat mij nog aan het verleden
herinnerde. Alles was nieuw en stond provisorisch in de kamer. Tijd om alles een plek te
geven had ze zich niet gegund. Niet passende meubelen. Allerhande prullaria. Niets.
Ik draaide me om en liep naar boven. Met iedere stap omhoog werd de
beklemming van het huis groter en groter. Ik kreeg het benauwd en niet alleen door de
stank die in het huis hing.
Ik liep op mijn schreden de slaapkamer in. Alle ramen waren open gezet.
Een nette kamer, je kon niets anders zeggen. Een mij onbekend
schilderij aan de muur. Een klerenkast, wat porseleinen beeldjes. Op het nachtkastje naast
de wekker stond een glas water met haar gebit er nog in.
Proost, dacht ik en liep naar het raam. Buiten stond Jack de haag te
snoeien.
Toen wendde ik me tot het bed. Er hing een waas van etherische stilte
overheen.
Je kon duidelijk zien waar ze gelegen had. Haar afdruk stond nog in de
dekens. Bovendien had het lichaamsvocht een donkere plek in de stof gebeten. Een roerloos
figuur staarde mij aan.
Ik pakte mijn fototoestel en drukte af.
Dat was het dan. En wat had ik nu eigenlijk? Een afdruk van een afdruk.
Niets meer.
Ik snoof enkele malen diep, hopende op dat vleugje verloren
herinneringen. Ik dacht, als ik op haar plaats ga liggen, droom ik de dromen die zij heeft
gehad.
Ik ging voorzichtig op de rand van het bed zitten en legde mijn hand op
het silhouet naast me. Hier moest haar hart hebben gezeten. Maar ik voelde niets. Niets
behalve de plakkerige dekens aan mijn hand.
Zielig toch, zo'n heel leven. En uiteindelijk paste het allemaal op
één kiek.
Ik trok de voordeur achter me dicht en liep de straat op. Ik keek nog eenmaal om naar het
huis achter me. Naar het slaapkamerraam dat nog altijd wijd open stond. Ik voelde mijn
handen die nog kleverig waren. Maar wat zijn wij mensen anders dan de slijmlaag aan het
oppervlak van de aarde?
De dood jaagt me op, dacht ik, maar ik ben er nog.
Ik keek op mijn horloge. Zeker! Ik hield het een ogenblik tegen mijn
oor.
'Er is nog tijd!' zei ik hard op en begaf me op weg.
'Alles goed,' vroeg Jack boven de haag uit.
'Ik ga naar huis, Jack,' zei ik. 'Ik voel me niet goed.'
'Dat is God,' zei Jack ernstig en wees omhoog. 'Het zuur in je maag.
Vergeet dat niet, jongen.'
Ik liep gauw verder, mijn tranen bedwingend. Ik had mezelf daarboven
gezien, in de slaapkamer, op bed. Zoals ik daar had gelegen, als een lijk. Erg fotogeniek.
Ik schudde de gedachte van me af. Mijn eigen dood wordt me ingegeven door ijdelheid.
Ik richtte mijn telelens tot de hemel.
'Momentfotografie, mijnheer?' riep ik. 'Voor in het album, voor later,
als herinnering!'
Maar
er kwam geen antwoord.