


|
 |
Het kussen van Jadviga
- fragmenten
Pál Závada
(vertaling Anikó Daróczi
/ Ellen Hennink)
'Het kussen van Jadviga
is geschreven in dagboekvorm en gaat over vervreemding, over geheimzinnige
familierelaties. Toch is deze roman niet alleen een kroniek over ontbinding, er zijn
openingen naar de dimensies van verborgen schuilplaatsen van de moraal, schuilplaatsen die
zelfs tijdens de grote leugens die op deze levens hun tragische invloed hebben, onderdak
bieden aan schitterende zuiverheid en schoonheid van de geest. Deze ambivalentie, die haar
oorsprong heeft in de kwetsbaarheid van de menselijke natuur, speelt een grote rol in de
gehele roman en wekt de indruk van spelingen van het lot.
De plaats waar het verhaal zich afspeelt, is ook in politiek opzicht
onrustig: wij zijn in het Karpatenbekken, in een Slovaakse gemeenschap in Hongarije.
De vorm van de roman is uitermate intrigerend en men begrijpt pas
achteraf hoe hij in elkaar zit, waarbij men de neiging heeft om hem te herlezen. Als basis
hebben wij het dagboek van Ondris, de man van Jadviga, waarin Jadviga na zijn dood begint
te schrijven - aan hem. Intussen wordt het dagboek ook gelezen door Misu, de wat
kinderlijk gebleven volwassen zoon, die al lezend de ingewikkelde verhoudingen ontdekt,
ook dat hij een buitenechtelijke zoon van Jadviga is. Wij hebben steeds meer het gevoel
een oermythe te lezen, terwijl de personages echter steeds realistischer worden. Na de
dood van Jadviga besluit Misu om 'orde te scheppen' in het dagboek, hij haalt de bladen
los en vermengt de stukken, zodat wij afwisselend de overpeinzingen van Jadviga en Ondris
kunnen lezen, en soms in voetnoten en aantekeningen de commentaren van Misu.
Het verhaal overspant een periode van honderd jaar, vanaf de geboorte
van Jadviga tot de (waarschijnlijke) dood van Misu, wiens verhaal zich uit de voetnoten
ontwikkelt tot zijn eigen dagboek - de aantekeningen van een oude, licht achterlijke man -
tot ook deze stem, die van de laatste, gedoemde nakomeling, wegsterft, en de lezer
tenslotte alleen maar witte, lege dagboekbladen voor zich ziet.
Jadviga schrijft in het dagboek
van Ondris (1)
En nu kom ik toch maar bij u op
bezoek, in uw dagboek.
Ik open het boek met de stoffen omslag van vervaagd indigoblauw, alsof
ik een zeer vaak gewassen overhemd op uw borst openknoopte, en de tekens zou beginnen te
lezen die u op uw lichaam en op uw gezicht droeg: 'Zacinam tuto kniezecku. Ik, András
Osztatní, begin met dit notitieboek op 15 februari 1915, een dag voor mijn huwelijk.'
U streel ik en u volg ik met mijn vingers tussen de lichtpaarse lijnen.
Een hele tijd ben ik alleen met mijn ogen over uw regels gegleden, maar nu heb ik het
gevoel dat u toelaat dat ik u met mijn hand betast, en zelfs met mijn pen op uw lichaam -
uw dagboek - krabbel. En omdat ik destijds met mijn nagels geen tekens van de zelfs nu nog
levende momenten op uw huid achterliet, doe ik het nu op deze manier. En als ik het boek
dichtdoe, leg ik er mijn hoofd op, zoals ik het ooit op uw borst legde.
Ik schrijf en lees in uw dagboek als ik tegen u wil spreken, als ik
ernaar verlang om uw stem te horen, als ik de bewegingen van uw pols wil zien waarmee u de
pen op het papier laat krassen, en uw gezicht wanneer u peinzend opkijkt, of uw jonge
gedaante die u op deze bladzijden als erfenis achterliet (ik vind het zelfs niet erg als u
in de armen van andere vrouwen bent), of ons beiden zoals u ons toen zag.
Hoe spijtig dat u mij dit boek niet eerder in handen gaf! Dat u mij uw
geheim pas toevertrouwde toen u het roepen had gehoord, dat ik me voorstel als het geluid
van een scheepshoorn. Waarom mocht ik uw dagboek pas onder uit de kist halen toen u al
heengegaan was?
Immers, het zou ons zo vaak hebben kunnen helpen om de weg tot elkaar
te vinden als wij meer van elkaar hadden begrepen, en de dingen tot ons hadden laten
doordringen die zich verbergen in de diepten van een ander wezen dat wij nooit helemaal
kunnen leren kennen, dingen die er met geweld niet uit te krijgen zijn, en die, als wij ze
stiekem willen bespieden, een vervormd beeld geven, wat bovendien oneerlijk zou zijn.
Ik voelde me beschaamd toen ik, tamelijk lang geleden, iets in die kist
zoekend dit boekje vond en ik 'Vandaag mag ik Jadviga eindelijk voor het altaar leiden'
voor mijn ogen zag, en het niet onmiddellijk dichtdeed, maar het doorlas tot het einde van
de eerste bladzijde.
Evenzo beschaamd vroeg u om vergiffenis, omdat u mij met geweld tot een
bekentenis had willen brengen in de eerste tijd van ons huwelijk. Ik begon erover op een
intiem ogenblik, maar u viel mij ongeduldig aan: 'Vooruit! Wanneer, hoe, met wie?' Ik kon
niet antwoorden en ik had het gevoel dat het vermogen tot een eerlijke bekentenis voor
altijd onmogelijk was geworden. Nu pas zal ik er misschien, al schrijvend, toe in staat
zijn.
En hoe vaak betuigde u mij uw grote spijt dat u mij uiteindelijk tegen
mijn wil lichamelijk tot uw vrouw had gemaakt! Maar ik zal mij altijd blijven schamen dat
u er tevergeefs voor geboet heeft, want ik kon u nooit van ganser harte vergeven. Veel
dingen heb ik gedaan uit gekwetstheid over die daad, uit koppigheid, en niet alleen omdat
ik geleid werd door een innerlijke stem, die trouwens op zich al genoeg zou zijn geweest
om ze te laten gebeuren.
Het zou ons misschien hebben geholpen, als wij het aangedurfd hadden om
de landschappen te betreden waar u als jonge man ronddwaalde terwijl u op deze bladzijden
schreef, en als ik niet nu pas op de weide van uw geheimen was geraakt. Want om elkaar op
deze manier te ontmoeten en samen te leven in onze innerlijke landschappen is ons nooit
gelukt.
*
Oorspronkelijk volgde dit niet hier, maar het werd hier
geplaatst:
Misu is al in de voormiddag naar buiten
gegaan, eindelijk zit hij eens niet de hele dag thuis te treuren, hij is naar de mensen
van het spoor (misschien gaat hij ook langs bij Marci op de boerderij*),
en ik ben rustig alleen met u gebleven.
Waar moet ik dan beginnen?
Lieve moj Milyí, het eerste wat ik u toevertrouw is dat oude geheim,
en ik weet niet of het gemakkelijker zou zijn geweest als u had geweten dat ik, tot op het
moment dat hij zo onverwacht in de mooiste tijd van zijn scheppende leven heengegaan was,
een man liefhad: mijn voogd, uw vader, György Osztatní.
Als u zou willen weten sinds wanneer en hoe, zou ik zeggen: sinds het
begin van de tijd en met elk deeltje van mijn hart en ziel. Op de vraag, wat de reden was
voor deze genegenheid, zou u misschien zeggen dat het een kinderlijke gehechtheid was aan
mijn lief Vadertje (ook ik noemde hem zo), het was liefde en dankbaarheid die het gisten
van de eenzame verbeelding van een naar gevoelens hunkerende bakvis tot een
onwaarschijnlijk dwepen met een ideaal liet groeien, denkend dat dit verliefdheid was. Aan
het begin was het zeker zo. Maar misschien was het nooit alleen dat.
Ziet u, hoe weinig wij over onze ouders hebben gepraat! En ik wist
niet, ik wist werkelijk niet, mijn lief, wat u over hen wist. Hier lees ik pas wat u van
de oude Gregor hoorde, dat Vadertje misschien zou hebben kunnen trouwen met 'de dochter
van de schoolmeester Ponyiczky', mijn moeder. Dat ze dus elkaar hadden kunnen kiezen. Het
geheimzinnige is of er wel of geen hindernis in de weg stond voor de vrijheid van deze
keuze. Want ik zie dat het, net als voor mij, ook voor u een geheim bleef waarom de
liefdesverhouding van onze ouders verbroken moest worden. Want aan de ene kant blijkt uit
wat u schreef, net als uit die paar halve woorden die mijn voogd mij hierover zei, dat de
plotselinge verloving en het huwelijk van Vadertje György met mamovka Racskó door zijn
eigenzinnigheid kwam. Aan de andere kant weet ik niets over wat er tussen mijn vader en
moeder is gebeurd. Ik weet niet of zij naar elkaar verlangden, of dat ze erin berustten
tegen hun oorspronkelijke wil in, ik heb geen idee hoe hun levens maar een ogenblik met
elkaar verweven waren, net genoeg voor mij om te ontkiemen, en het gedaan was met hen
allebei.
Waar verheugden deze vier mensen zich op en wat stelde hen teleur, uw
ouders en de mijne, wat voelden ze toen zij op dezelfde dag elkaar eeuwige trouw
beloofden? En hebben uw vader en mijn moeder misschien ook iets anders gezworen, ver van
elkaar, en toch voor elkaar bestemd, in diezelfde minuut? Hoe kon immers, toen ik wees
werd, Vadertje György anders een trouwere vader voor mij worden dan voor zijn eigen
dochter? En hoe kon mijn moeder tientallen jaren na haar dood nog de dierbaarste plek in
zijn hart innemen? Hij heeft dit voor mij niet eens geheim gehouden. Weet u hier een
antwoord op?
Ik kan het niet benoemen, ik kan de kracht van dat gevoel alleen
vermoeden, het gevoel dat zegen en vloek tegelijk is, en dat zijn wortels plantte in onze
van elkaar gescheiden gehouden ouders, en zich voortgezet heeft in de verboden ontmoeting
van Vadertje en mij (en met mijn moeder die in mij belichaamd werd), om ten slotte rond u
en mij te groeien, ons nooit loslatend, maar ons voor altijd van elkaar gescheiden
houdend.
Weet u, op school dachten velen dat Vadertje mijn echte vader was. Maar
ik had zelf nooit het gevoel dat hij mijn vader was. Mamicska Anka, mijn voedster, en mijn
voogdes Juditmama, de domineesvrouw, hebben me sinds mijn vroege jeugd over mijn overleden
ouders verteld. Ik kwam pas later te weten, dat het de wil van Vadertje was dat ik over
hen hoorde praten, over Mária Ponyiczky en Endre Palkovits, ook al bleef er een sluier
van geheimen over hun ongelukkige lot hangen. En ik moest ook weten hoe ik mijn naam
gekregen had. Mijn moeder wilde mij namelijk Jadviga noemen - toch liet mijn vader de door
hem gekozen naam, Mária, als eerste inschrijven.
Vaak probeerde ik me de figuur van mijn moeder voor te stellen,
en achteraf leek het me alsof het herinneringen waren. Ik had van mijn moeder drie
fotografieën* en, zoals u weet, heb ik die nog steeds (zij was
hartverscheurend mooi als meisje en als jonge vrouw, en ik was niet de enige die dit
vond); ik heb een of twee omslagdoeken geërfd, tafelkleden, ik heb haar beddengoed
gekregen, en sinds mijn kindertijd tot de dag van vandaag slaap ik op het kussen dat zij
geborduurd heeft met witte guirlandes. En men vertelde mij een paar kleine onbetekenende
gebeurtenissen uit haar meisjesjaren, want gelukkig kenden mijn pleegmoeders haar. Voordat
mamicska Anka mijn voedster werd toen mijn moeder ziek was, was ze dienstmeisje geweest in
het huis van de oude schoolmeester, en Juditmama was de leidster van het evangelisch
meisjeskoor waarbij mijn moeder nog mandoline had gespeeld.
Voor het inslapen dacht ik het neuriën van mijn moeder te horen,
terwijl ik droomde liefkoosde ze me met haar lippen, soms zag ik haar koken, en een keer
liet zij mij een rok aanpassen, ik stond op de tafel, en van daar viel ik in haar armen.
Maar het vaakst droomde ik dat ik op mijn bed zat in de pastorie, ik riep haar, zij legde
haar vinger sussend op mijn lippen, hing haar mandoline met de blauw-witte band over haar
schouder, sloop op haar tenen naar het open raam, ging op de vensterbank zitten en stapte
in haar nachthemd op blote voeten door het raam, en ik zag pas toen ik naar het raam
rende, dat zij over het grasveld liep en langzaam naar de oever van de beek afdaalde, en
ik riep haar achterna, maar er kwam geen geluid uit mijn keel. Zelfs later begreep ik
niet, hoe ik haar in mijn droom kon zien als ik me haar niet herinnerde. Toch zag ik haar,
zoals ik haar zag en hoorde toen ik een jaar oud was.
Een keer, tijdens een nachtelijke meditatie in de kapel van Sankt
Pölten raakte ik buiten bewustzijn, en ik hoorde gillen alsof het van achter een deur
kwam, en ik wist dat het mijn moeder was. En in dit visioen tilde iemand mij op, drukte
mij tegen zich aan, en begon met mij te rennen, te rennen. In de vakantie ging ik naar
mamicska Anka en ik vertelde haar dit; zij antwoordde dat het waarschijnlijk inderdaad zo
was gebeurd. Net voordat mijn moeder stierf, was Anka even naar haar eigen huis gelopen,
terwijl een buurvrouw op mij bleef passen; die tilde mij toen op en rende naar Anka toe.
De kwellende veronderstelling, dat moeder misschien de hand aan
zichzelf geslagen had, heeft mamicska Anka stellig ontkend, hoewel het mij ter ore kwam
dat sommigen daarover fluisterden. En Vadertje wilde hier helemaal niet over praten. Er
was een periode in mijn bakvistijd dat ik hem steeds opnieuw vroeg hoe mijn ouders
gestorven waren. Je vader aan een bloedvergiftiging, en je moeder aan kraamvrouwenkoorts,
maar laten wij hier liever niet over spreken! Tevergeefs bracht ik daar tegenin dat ik
toen al een jaar oud was, en kraamvrouwenkoorts immers niet zo lang kon duren!
Toch heb ik het meest over mijn moeder van Vadertje gehoord. Hij sprak
al over haar toen ik nog een klein meisje was, hij liet nooit na om haar ter sprake te
brengen wanneer hij op visite kwam, ook al was het maar dit: 'Hoe gelukkig zou je moeder
zijn als ze je nu zag!' of 'Je haren zijn mooi, net die van je moeder'.
Maar het meest geschokt was ik toen ik afstudeerde in Sankt Pölten en
hij mij uitnodigde om ergens te gaan eten; toen zei hij mij iets wat zo mooi was dat het
de ziel verhief en deed krimpen tegelijkertijd. We zaten op een terras met uitzicht op een
park, hij feliciteerde mij met champagne, en vertelde mij voor de eerste keer over de
liefde tussen hem en mijn moeder.
Hun verhaal deed de schellen van mijn ogen vallen, en ontroerd voelde
ik dat een begeerte die ook eerder al in de troebele diepten van mijn ziel verscholen had
gelegen, nu tot leven kwam. Die werd eerst tot een hunkerend verlangen mijn moeder op een
manier terug te vinden waarbij ik ook haar kon zijn, en ik het leven van ons allebei kon
leven. En hieruit groeide het andere verlangen: dat ik er nu rijp voor was deze man ook
als vrouw lief te hebben, ik die niet alleen mijzelf maar ook mijn moeder was, de twee
vrouwen die echt van hem hielden zolang hij leefde (want ik wist toen al dat mamovka van
het begin af aan gekwetst en liefdeloos was tegenover Vadertje).
Mijn steeds duidelijker wordende gevoelens mocht ik niet aan hem
verraden. Ik mocht wel met hem dwepen zoals in de tijd dat ik nog een onbezonnen,
onschuldig schoolmeisje was; als ik hem dan weerzag, kon ik mijn armen om zijn nek slaan
en mijn hoofd tegen zijn borst leggen, en zijn gezicht bedekken met kussen als hij iets
moois of grappigs zei. Ik kon mijn hart ook hierna nog wel voor hem openstellen, alleen
moest ik van toen af aan zwijgen over hetgeen mij steeds meer vervulde.
*
Ik moest dit even onderbreken, want mijn Marcika kwam binnen
samen met zijn Marka.* Hoewel zij alleen maar langskwamen, op weg
naar de boerderij, kreeg ik een slecht humeur en schreef niet meer.**
Maar nu ga ik verder waar ik gisteren opgehouden ben.
Nadat ik was afgestudeerd, wachtte ik gespannen op Vadertjes komst om
mij uit Sankt Pölten op te halen en dan samen naar Stralsund te reizen, waar hij mij bij
de familie Winkler zou onderbrengen.*** Ik wist dat hij er zich
zorgen over maakte wat hij nu met mij moest beginnen. Ik was het liefst met hem meegereisd
naar huis, zodat ik zoveel mogelijk in zijn nabijheid kon zijn, maar ik durfde het niet te
zeggen. En bovendien, waar zou ik daar hebben moeten blijven? Hij kon mij toch niet in
huis nemen, en op de pastorie mocht ik nu alleen nog als gast komen, dus het zou nog
moeilijker zijn geweest om elkaar te ontmoeten! Ik berustte erin dat hij mij nog verder
van zich verwijderde en ik hoopte dat dit maar tijdelijk was... Of ik er echt op hoopte
dat onze levens na deze 'tijdelijkheid' met elkaar verweven zouden raken, daar kan ik niet
op zweren. Misschien hoopte ik alleen maar dat ik het ooit zou kunnen hopen.
Ik wachtte toen dus op hem (zoals ik het zo vaak daarna gedaan heb, en
dit was een heel ander soort wachten dan in mijn bakvistijd, toen mijn hart daar binnen
nog niet op deze manier klopte), ik had me voorbereid, want hij had me ook een reis van
twee weken beloofd door Duitsland, wij zouden na een zwerftocht over kronkelende wegen in
Stralsund aankomen.
Misschien voelde hij ook wel dat onze stemmen, de woorden, de taal van
blikken en gebaren anders zouden zijn dan vroeger, en inderdaad raakte hij soms door mij
in verlegenheid, omdat ik vaak zwijgzaam was en mijn stemming zo wisselde, ik wilde
tegelijk lachen en snikken, gekwetst raken en verlangen naar verzoening, de hele reis
lang.
Ik wist dat hij ook voelde dat er tussen ons iets aan het gebeuren was
wat wij tot dan niet kenden, en waar wij niet over spraken. Maar ik was er niet zeker van
of wij om dezelfde zaak heen draaiden, of dat hij alleen dáárom soms verlegen in lachen
uitbarstte, zijn blik op mij liet rusten, mij aankeek terwijl hij zijn armen ophief, zich
afvragend hoe het nu verder moest, en of ik dáárom niet meer zijn arm pakken mocht
tijdens wandelingen - soms trok hij zijn arm terug, soms raakte hij met zijn hand of met
zijn handpalm mijn rug aan, en soms als bij toeval haakten onze vingers in elkaar (hoewel
wij, toen ik nog een meisje was, bij zulke gelegenheden stevig gearmd liepen, en hij
altijd zo rustgevend en veilig was, en al mijn angsten met één enkel woord in het niets
kon laten verdwijnen), dus of hij alleen maar dáárom verlegen werd, omdat hij opeens een
volwassen dochter had, en zich afvroeg hoe hij zich nu tegenover haar moest gedragen.
Onze reis was onvergetelijk mooi, maar toch kolkten gebeurtenissen,
woorden en gevoelens op een dwaze manier in mij rond, soms wondermooi, dan weer kwellend:
soms wilde mijn gammele hoofd mijn geheime hartstocht aan mijn verhitte hart overlaten,
dan weer wilde het die aan mijn hart verbieden, soms begreep het mijn tobbende ziel, dan
weer verwarde het haar nog meer. Ik wist nooit wat er het volgende ogenblik met ons zou
gebeuren (hoewel Vadertje wel een reisplan had gemaakt, en hij legde het mij altijd voor
tijdens het ontbijt, maar het geheim van de komende ogenblikken was niet in het reisplan
verborgen), en ik stapte vol verwachting en spanning met hem in treinen, wandelde rond in
steden, maakte tochten met vigilantes naar parken en kastelen, en kwam aan in herbergen.
Maar omdat mijn aandacht hoofdzakelijk op hem gericht was, bleek ik niet ijverig genoeg
geweest te zijn als stedenbezoeker, en 's avonds, bij zijn schertsende ondervragingen,
terwijl wij het reisboek uit elkaars handen pakten, kon ik geen bevredigend antwoord geven
op de vragen wat wij in Dresden, in Leipzig, Weimar of Wittenberg gezien hadden, en in
Berlijn haalde ik al alles door elkaar.
Daar herhaalde zich iets wat in Weimar al een keer gebeurd was: we
kregen geen aparte kamers. In de herberg in Weimar stuurde Vadertje mij na het eten naar
bed, kwam pas tegen de ochtend naar boven en ging op de divan slapen, en nu, in Berlijn,
horend dat zij alleen een kamer met een tweepersoonsbed konden aanbieden, stond hij op het
punt om iets anders te gaan zoeken. Toen trok ik hem opzij: Lief Vadertje, wees niet zo
dwaas, waarom zouden wij nog verder zoeken? Wij zullen het redden in die kamer met z'n
tweeën, en bovendien bespaart u nog wat geld!
Uiteindelijk gaf hij toe. Hij kwam zeer laat in de nacht naar boven en
ging in broek en overhemd op het bed liggen. Ik deed alsof ik wakker schrok, en zei zelfs
verwijtend: Hoe kunt u toch zo gaan slapen? U zult bezweet raken! Hij wuifde dat het goed
was zo. Toen kwam ik overeind, met opgetrokken benen onder de deken, ik rekte mij uit en
zei dat mijn slaap vervlogen was. Een beetje bedwelmd door de wijn keek hij mij lang aan,
en ik, omdat het niet anders mocht, viel hem om de hals zoals het kleine meisje dat ik
ooit was: 'Ach, Vadertje, ik houd zo veel van u!' En hij mompelde zo lieflijk: 'Goed, het
is goed, jij, klein wild meisje,' en sussend streelde hij een hele tijd mijn rug.
Daarna liet ik hem over mijn moeder vertellen. Waar zij elkaar meestal
ontmoetten, of hij soms bij hen op bezoek ging, of zij elkaar ook ergens anders zagen? En
hadden zij de gelegenheid om met z'n tweeën alleen te zijn? Toen lachte hij, en zei: wel,
zo'n herbergkamer met bed en dekens hadden zij nooit..., maar toen keek hij al door het
raam naar buiten. Ach, wat zegt u toch, Vadertje!, zei ik, hoe had u zoiets kunnen hebben,
u was toch niet getrouwd met elkaar! U zou haar op huwelijksreis hebben moeten meenemen,
dan had u een gezamenlijke deken! schertste ik een beetje verwijtend, maar hij werd
somber, zuchtte, nam mijn gezicht tussen zijn handen, streelde mij over het hoofd, wenste
mij een goede nacht en ging slapen.
*
Tot zover uit het deel 'Jadviga schrijft...'. Laten wij
zeggen, dat voor dit ogenblik 'de draad van het verhaal is doorgeknipt'.
Jadviga schrijft
erin (3)
- fragment -
*
Ik heb u nauwelijks iets verteld over Irmus Sárossy. Ook een
paar maanden geleden, toen ik op dit papier over mijn schooltijd schreef,*
heb ik Irmus weggelaten uit mijn levensverhaal, hoewel zij het belangrijkste wezen was
voor een zeker deel van mijn innerlijk leven. Zij stond midden in dat leven, zij, mijn
enige vriendin - vooral in de jaren in Sankt Pölten -, en wij betekenden veel meer voor
elkaar dan wat u of haar man zich ooit had kunnen voorstellen.
Want weet u, Ondris, in de bakvistijd kolken de gevoelens in de mens,
en als die mens ook nog een weeskind is dat kort gehouden wordt door de strenge regels van
een meisjeskazerne, hunkert zij vanuit de diepste diepten van haar ziel naar liefde.
U heeft Irmus nooit gezien, en ik wilde niet dat u haar zou ontmoeten.
Ik herinner me, Ondris, hoeveel keer u het mij kwalijk nam dat ik zo nu
en dan op reis ging, en dat ik nooit toeliet dat u mij begeleidde naar de familie Földes.** U was jaloers op die reizen. En ik kon door uw geërgerde gemor als
Irmus ter sprake kwam, door uw vragen bij mijn terugkeer, en ook door uw ongeduldig
wegwuiven van de kleinigheden die ik van plan was om te vertellen, aanvoelen dat u jaloers
was op Irmus. (En had u maar geweten hoeveel wij elkaar schreven toen ik in Stralsund was
en zij thuis, maar ook later! *** Daaraan heb ik het te danken - en
zeker niet aan de brieven die ik aan mannen schreef en die door een onzichtbare
schoolmeester gecensureerd werden -, dat ik überhaupt in staat ben om mijn gedachten
enigszins op schrift te krijgen.)
Ik was ook verbaasd, mijn lieve Ondris, dat er in uw aantekeningen geen
spoor van deze jaloezie te vinden was - u durfde het uzelf niet eens toe te geven. Het is
ook zo, dat die in uw ziel zeer kort daarna toegedekt werd door een andere knagende angst.
Want vaak geloofde u zelfs niet dat ik naar Irmus ging, of u dacht (en hier zit iets waars
in) dat Irmus bij die privé-reizen mijn medeplichtige was.
Toch was het niet daarom dat ik ertegen was dat u elkaar
ontmoette. Ik en mijn vriendin verborgen ons in een veel dichter geweven geheim dan dat
van het hebben van welke minnaar ook.
En dat was al zo tijdens onze meisjesjaren, toen wij nog onbevangen
waren en onze fantasieën ons nog niet bezoedelden.
De wereld ziet er niets bijzonders in als twee jonge meisjes met elkaar
fluisteren, lachen of kletsen, zelfs later, als zij volwassen vrouwen zijn, is dat niet
storend, hoewel men dan serieuzer pleegt te zijn. Daarom hoefden wij ons geen zorgen te
maken over mensen die onverschillig langs ons heen keken. (Wanneer ik bijvoorbeeld op
vakantie was bij Irmus, en wij samen op één kamer sliepen, kon zelfs haar moeder
onverwacht de deur open doen: ook al verkeerden wij in een emotionele storm, de moeder
merkte niets, zij glimlachte, vroeg iets, beantwoordde haar eigen vraag, en ging weer
weg.) Wij voelden het altijd onmiddellijk als iemand ons met een zoekende blik gadesloeg
en ons met mannelijke belangstelling begon te bekijken (en hoeveel keer is het niet
gebeurd tijdens vakanties dat de jongens niet konden beslissen wie van ons zij het
aantrekkelijkst vonden; maar het maakte toch niet uit, want we lachten om hen allemaal, en
men kon ons zelfs voor een korte wandeling niet van elkaar scheiden), en wij schoten als
twee kleine, geschrokken visjes weg naar een schuilplaats als iemand probeerde zijn net
over onze geheimen te gooien om die te weten te komen.
Wij zouden ons natuurlijk het meest bedreigd hebben kunnen voelen door
degenen die het dichtst bij ons stonden, die met aandacht en hartstocht op ons afgestemd
waren. Maar de aandacht van de man van Irmus, Bálint Földes, werd al gauw net als die
van haar moeder. En Franci Winkler was nauwelijks in staat om iets op te merken wat hem
niet direct raakte. Hij kon ook niets aanvangen met de muziek van de ziel, hij had daar
geen oren voor.
Uiteindelijk bent u de enige gebleven, lieve, voor wie wij ons moesten
hoeden. Want voor u zou het zeker genoeg zijn geweest om maar één keer te zien hoe wij
elkaar aankeken, of het omhulsel van ons geheim zou zijn opengebarsten en alles wat wij
tot dan verborgen hadden voor u neergeworpen zijn.
*
Als wij in het internaat geen uniform
hadden gehad, zouden Irmus en ik beslist dezelfde kleren hebben willen dragen. Maar wij
merkten onze gelijkvormige kleren met een plooi, een gesp, of met linten van verschillende
kleuren; in de zomer mochten wij echter dragen wat we wilden. En verder ruilden wij onze
kleren steeds. (Het is wel waar dat Irmus veel meer had, maar zij gaf mij onbaatzuchtig de
hare.) En op een dag verklaarden wij onze garderobes plechtig tot gemeenschappelijk bezit,
ondergoed en beddengoed inbegrepen. Hoewel wij die laatste verklaring (toen Irmus ontdekte
dat ik tijdens weekeindes het kussen van het internaat stiekem in de door mijn moeder
geborduurde witte hoes stopte), ruziënd en ons weer verzoenend, introkken.
Want een van onze voortdurende problemen was, of wij hetzelfde waren of
zouden moeten zijn, op elkaar lijkend of juist verschillend van elkaar. Wat van ons beiden
was, en wat niet - beginnend met voorwerpen en andere materiële bezittingen, dan
bezigheden en vrije programma's (en de tijd zelf), ten slotte relaties van verschillende
soorten en graden; en dan de delicate vraag waarin wij de ander moesten inwijden: wat wij
elkaar zouden moeten vertellen, wat verzwijgen, al die geheime gedachten, tot de meest
verborgen gevoelens en sensuele ogenblikken.
En voorwaar, vaak werden wij als gevolg van deze gevechten aan de ene
kant elkaars tyrannen, aan de andere kant elkaars gehoorzame dienaren (hoewel ik moet
toegeven, dat ik degene was die vaker de baas speelde, en het is ook waar dat ik degene
was die onder alles erger leed), tot wij de harmonie voor kortere of langere tijd
hervonden.
*
Misschien kunt u zich voorstellen, mijn
lief, hoe mooi wij in Sankt Pölten waren, op de drempel van de volwassenheid. Nog net
meisjes - maar al bijna vrouwen. Tenminste, wij vonden onszelf en elkaar mooi.
Aan het einde van de maand september wordt het haar van de maďskolven
donker als brons. Maar tijdens de maanden van het rijpen toont het de haarkleur van ons
allebei: de frisse, levendig-blonde lokken in juli die van Irmus, de bijna koperrode
haarstrengen in augustus die van mij. En als wij samen op één kussen lagen en onze losse
haren in elkaar kamden, dan was het begin augustus, zoveel dikker en sterker waren de
mijne. En als wij die van Irmus er bovenop kamden, kon men op de kalender twee weken
terugtellen. In beide gevallen was het zeer warm. Op de schaamheuvels was het echter
donkerder, alsof wij een maand later waren en er schaduwen op vielen: die van Irmus waren
van augustus, de mijne van september. Maar bijna altijd dwarrelde er meteen de
nachthemd-sneeuw van de vroege winter op neer. De kleuren van de beregende herfsten van
ons gezamenlijk baden waren onbetrouwbaar: als de haartjes van de maďs nat worden,
glinsteren er zilveren druppeltjes op, en ze worden donkerder. Droog worden eerst de
dunne, gouden donshaartjes van de armen, daarna het dons in de nek, de losse kluwen in de
oksels, de grasvelden op de heuvels, roestrood in de ondergaande zon, en pas als laatste,
onder ontwarrend kammen en glijdende vingers en de zonnestralen van onze blikken, de
korenschoven van onze hoofdharen.
Maar deze beelden werden eigenlijk gevormd door even geworpen blikken.
Toch worden miljoenen blikken samen tot langdurige aandacht, en toevallige aanrakingen,
als ze veelvuldig zijn, vormen een strelen; en die bijna pijnlijk bonzende stralen naar de
schemerige diepten kunnen het binnenste doen opgloeien, hoewel die tussen ons altijd
terugweken, ergens in een grensgebied dat soms dun werd als een scheermes. Wij waren
echter niet bang om daar te balanceren. Wij hielden ervan om in gestolen uurtjes de deur
van de badkamer in het internaat op slot te doen (tijdens de vakanties wanneer het gebouw
uitgestorven was), en als nimfen in tijden toen er nog geen verboden waren, ontkleedden
wij elkaar, keken wij elkaar aan en bespatten wij elkaar met water. En wij hielden ervan
om samen te slapen, hoewel wij daar alleen bij Irmus thuis goede gelegenheid voor hadden,
achter gesloten deuren. In de slaapzaal in Sankt Pölten konden wij ons namelijk alleen
haastige omarmingen veroorloven, ook als wij maar met z'n tweeën waren.
Hoewel men nooit alles kan vertellen en uitleggen, kunt u, mijn lief,
wellicht toch datgene zien waarover nog geen mens heeft gehoord. Zo waren wij samen als
niemand ons kon zien.
* wel, zoiets kwam zelden voor (dit moet
ong. in mei 1937 zijn geweest).
* er zijn er nog maar twee.
* Márton Osztatní werd geboren 9 okt. 1916. Getrouwd met Mária
Rocskár 23 april 1936.
** Het is niet zeer verwonderlijk dat zij niet blij was om Marka te
zien.
*** En dat gebeurde nog in de zomer van 1906.
Om de dingen te kunnen ordenen, want zij gebruikt geen jaartallen: Jadviga werd geboren op
1 maart 1887 (haar papaatje Endre Palkovits stierf in hetzelfde jaar, haar mamaatje Mária
Ponyiczky in het volgende jaar: in 1888.) Vanaf ong. 1889 was zij met mamicska Anka bij de
familie van dominee Szpevács (bij Mama Judit). Vanaf ong. 1898 het Engelse
meisjesinternaat in Pest, en van 1902 tot 1906 kloosterinternaat in S. Pölten. Dus zij
kwam in 1906 bij de familie Winkler in Stralsund terecht. Waar zij tot haar huwelijk in
1915 verbleef, toen zij al, naar de opvattinggewoontes 'oude vrijster' was, bijna 28 jaar.
Terwijl haar man Ondris toen net 22 geworden was (geb. 21 nov. 1892), want hij was 5 jaar
8 maanden en 20 dagen jonger dan zijn echtgenote.
* Want dit deel over Irmus schreef Moeder ergens begin 1938 (de datum
ontbreekt immers vaak!) Maar ik heb het hier geplaatst.
** De man van Irmus Sárossy was de arts dr. Bálint Földes, maar ik
heb hem nooit gezien.
*** Jammer dat er van de
bovengenoemde briefwisseling geen enkele brief bewaard bleef. Dit zou pas echt interessant
zijn geweest.
|
|