


|
 |
De receptie van Huizinga in
Hongarije
Krisztina Törö
De literatuur van de Nederlanden is in Hongarije niet echt bekend en
populair. Iemand die bij de Hongaarse intellectuelen toch wat faam heeft verworven is de
Nederlandse historicus, Johan Huizinga. De adjectieven die aan zijn naam voorafgaan zijn: de
grote/beroemde Nederlandse/Hollandse cultuurfilosoof, wetenschapper, historicus. Er
wordt soms verwezen naar zijn speltheorie, naar zijn visie op de Middeleeuwen, en naar
zijn ethische houding. Enkele keren wordt er uit zijn werken geciteerd: essays, artikels,
journalistiek van ethische en cultuurfilosofische aard vermelden graag zijn naam, zijn
uitdrukkingen, eventueel enkele zinnen uit zijn teksten. De onderzoeker heeft het gevoel
dat de werken van Huizinga (ook de geciteerde) op een heel eigenaardige manier werden
gelezen. De eigentijdse Hongaarse lezers moesten namelijk zo'n sterke verwachtingshorizon
hebben dat daardoor de mogelijke interpretaties beperkt bleven, en één spoor volgden.
Wij onderzoeken in het kader van ELTE Universiteit en de Hongaarse Wetenschappelijke
Academie waarom de Hongaarse receptie van Huizinga's oeuvre zich op die manier
ontwikkelde. In verband hiermee onderzoeken wij de jaren dertig en veertig.
De recensies van Huizinga's boeken of de vermelding van zijn naam zijn
tot 1938 (eigenlijk tot 1936) slechts sporadisch. In de zomer van 1936 neemt Huizinga deel
aan de conferentie van de CICI1, die in Boedapest wordt
gehouden. Enkele aristocraten maar ook de progressieve (niet revisionistische-niet
nationalistische) intellectuelen beginnen hem een voorstander van hun Europese en vaak
elitaire ideeën te vinden.
In 1938 verschijnen er meteen twee boeken van Huizinga in Hongaarse vertaling: A
középkor alkonya (Herfsttij der Middeleeuwen) en A holnap
árnyékában (In de schaduwen van morgen). Deze eerste Hongaarse
vertalingen worden met groot enthousiasme ontvangen. Beide werken van Huizinga waren toen
in Hongarije al enigszins bekend. Historici en vooral progressieve essayisten hadden
namelijk enige boeken van Huizinga in het Duits gelezen.
Het is waarschijnlijk geen toeval dat juist deze twee boeken als eerste in Hongarije zijn
vertaald. Om dit alles te demonstreren volgen hier de vertalingen van drie recensies. De
eerste twee zijn in het anti-nationalistische Magyar Nemzet (Hongaarse Natie) verschenen.
Naar aanleiding van deze twee artikels illustreer ik hoe men waarschijnlijk in Hongarije,
in de jaren '30 en '40, de teksten van Huizinga las. De derde
recensie, namelijk die van Antal Szerb, zal mijn collega T.
Balogh verduidelijken.
Naast de inhoudelijke verschillen zijn er ook accentverschillen tussen
de twee teksten. Uiteraard zijn er ook duidelijke parallellen tussen de twee artikels.
De meest opvallende overeenkomst is dat de twee recensies het
gerecenseerde boek voor een reddingsschrift houden. Dit is merkwaardig omdat het ene boek
een historisch werk is, het andere een cultuurkritisch werk (met historische aspecten). De
recensenten plaatsen de boeken en eigenlijk alles wat zij tot dan toe van Huizinga gelezen
hebben in een tijd vol kwalen en problemen. Een opvallend verschil is dat de tekst over Herfsttij
(een historisch werk) reflecteert over eigentijdse omstandigheden. Pálóczi
Horváth mist echter de mens en de geest van zijn eigen tijd, hij prijst Huizinga
omdat hij wel de mens in de geschiedenis en in de Middeleeuwen terugvindt. De tekst over
de Schaduwen blijkt meer analytisch te zijn: hij somt enkele negatieve kenmerken van de
tijd op. Dit zijn parafrasen van de hoofdmotieven uit het boek zelf en typerend voor het
dreigende nationaal-socialisme.
De oplossing (verlossing) vinden beide auteurs echter bij Huizinga: de mens moet in de
wereld opgemerkt worden, de menselijke geest moet en kan zijn kracht terugwinnen. Dit
soort humanisme krijgt bij Pálóczi Horváth een rustige,
stoďcijnse tint, terwijl Gogolák het meer clichéachtige
complex (op basis van kantiaanse rationele christelijkheid) van de Europese geest en
christelijkheid waarop het humanisme is gebaseerd, benadrukt. Deze ideeën zijn in die
tijd in Hongarije even goed bekend als overal elders bij de Europese intellectuelen. De
humanistische geest in de 20ste eeuw was immers ook het onderwerp van het congres in 1936.
Naast de overeenkomsten zijn er veelzeggende verschillen. Pálóczi Horváth recenseert een historisch-wetenschappelijk boek
waarvan hij de wetenschappelijke methode en de ethische inhoud met elkaar sterk verbonden
ziet. Geestesgeschiedenis en humanisme zijn volgens hem bij Huizinga één. Volgens
Pálóczi Horváths interpretatie denkt Huizinga dat het verleden een depot van ethische
en geestelijke waarden is.
Gogolák gebruikt daarentegen het sleutelwoord van de
geestesgeschiedenis, de tijdsgeest, niet als wetenschappelijke term én in
negatieve zin. Dit is heel typerend voor de receptie van Huizinga: hoewel hij een
wetenschapper is, wordt hij op de eerste plaats toch als een ethisch voorbeeld, een
humanist beschouwd. Voor Gogolák is Huizinga's oorspronkelijke thema en zijn
wetenschappelijkheid minder belangrijk: hij beschouwt het verleden en het onderzoeken
ervan als een soort vluchtplaats, een ivoren toren waaruit Huizinga toch in staat was te
ontsnappen om terug te keren tot het heden, tot de werkelijkheid, tot de mens.
Achter die overeenkomst die op het eerste gezicht zo eenduidig leek te
zijn, schuilt echter een groot verschil. Beide auteurs verwachten dat de boeken van
Huizinga zouden kunnen helpen, houvast zou kunnen bieden. Als een boek van Huizinga niet
van cultuurkritische, cultuurfilosofische aard is dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel
valt het boek onder de verwachtingshorizon van de lezer en wordt het een gewoon boek over
het verleden dat ver van de werkelijkheid af staat (Gogolák),
ofwel bereikt het boek toch de horizon en worden er diepere betekenissen, bijbetekenissen
in gevonden of bij-geďnterpreteerd (Pálóczi Horváth en vele
anderen). In het eerste geval wordt Huizinga beschouwd als een vakhistoricus die later op
een ander niveau terechtkomt en zelfs de redder van de cultuur wordt, in het tweede geval
is Huizinga altijd en overal de vertegenwoordiger van eeuwige waarden.
Terwijl in Pálóczi Horváths visie op Huizinga de geschiedenis en het
boek de schuilplaatsen van de eeuwige geest zijn, is deze schuilplaats in Gogoláks visie
de westelijke kust van Europa. Volgens Gogolák verhuist de geest uit Oost-Europa naar het
tot dan toe materiële en objectieve West-Europa. Huizinga is hiervan een bewijs in de
ogen van Gogolák en anderen in Hongarije. Toch is het voelbaar dat de auteur in het boek
van Huizinga een soort diepgaandheid mist. De objectiviteit van Huizinga schept afstand,
brengt een proces van vervreemding teweeg dat helemaal vreemd is aan de Oost-Europese
denkwijze. Maar Gogolák is bereid, samen met Huizinga deze Oost-Europese diepgaandheid,
de 'duizelingwekkende ravijnen', de 'gevaarlijke draaikolken' te verlaten. Hij ziet
namelijk in dat dit de enige mogelijkheid is om iets vreselijks uit de weg te duwen. Maar
het oude cliché dat Oost-Europa diep, gevoelig is (was) en West-Europa objectief en
materieel of oppervlakkig, wordt door hem wel in leven gehouden.
Hieruit blijkt ook dat Gogolák de stellingen van de Schaduwen, in tegenstelling
tot Pálóczi Horváth, niet op de hele cultuur, niet op heel Europa probeert toe te
passen, alleen op Oost- en Centraal-Europa. Daarmee politiseert hij de tekst van Huizinga.
_____________________________
1
CICI: Commission Internationale de Coopération
Intellectuelle
|
|