Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Antal Szerb
(1901, Budapest-1945, Balf)
Szerb studeerde Hongaarse, Duitse en Engelse literatuur aan de Universiteit van Boedapest en Graz. Vanaf 1928 was hij als docent Engels aangesteld bij een hogere handelsschool in Boedapest. In 1929 bracht hij een werkbezoek aan Londen. In 1933 richtte Szerb het Gezelschap voor de Hongaarse Literatuur op. In 1934 won hij de prijs van het Helikon Gezelschap met zijn Geschiedenis der Hongaarse literatuur waardoor hij meteen faam kreeg als bijzonder getalenteerd essayist. Eind 1934 vroeg hij een privé-docentschap aan bij de Universiteit van Szeged, zijn benoeming stuitte echter op bezwaar bij het Ministerie van Cultuur. Tijdens de wereldoorlog werd hij telkens gedwongen naar Arbeidsdienst te gaan. Eind 1944 werd hij op transport gesteld naar West-Hongarije, en op 27 januari 1945 vermoord in Balf bij de Oostenrijkse grens.
Zijn belangrijkste werken:
Geschiedenis der Hongaarse literatuur I-II. (1934)
De Pendragon-legende (roman, 1934)
Reiziger en Maanlicht (roman, 1937)
Geschiedenis der wereldliteratuur I-III (1941)
Het kralensnoer van de koningin (essay-roman, 1943)
In het Nederlands: De Pendragonlegende. Bruna, Utrecht, 1938. [Balkan-serie]

Homo Ludens

Toen het erop aankwam het mensdom in het systeem van de levende wezens, waarin elke andere species al twee namen had, onder te brengen, doopte de optimistische achttiende eeuw het Homo Sapiens. Later zijn bij de geleerden terechte twijfels gerezen omtrent de wijsheid, het sapiens-zijn van de mens, en menigeen stelde voor de mens naar de eigenschap die hem van het dier het meest onderscheidt, Homo Faber te noemen, d.w.z. met werktuigen werkende, knutselende mens. Huizinga, de ook ons welbekende grote Nederlandse cultuurhistoricus, brengt in zijn recente werk het begrip van de Homo Ludens, de spelende mens te berde. Volgens hem is de neiging om te spelen de meest karakteristieke eigenschap van de mens; elke culturele uiting spruit uit het spel voort.
Zijn these mag op het eerste gezicht verrassend, zelfs "speels" lijken – de reeks voorbeelden en betogen in de dikke bundel stemt de lezer tot nadenken. Het spel is een aan bepaalde regels verbonden, belangeloze handeling, waarvan de doeleinden buiten de sfeer van direct materieel belang of pragmatische overweging liggen. In de verre voortijd van de mensheid is alles zo’n spel wat niet onmiddellijk de bevrediging van de nooddruft dient – als zodanig vooral het gewijde feest dat in het centrum van het leven staat. Huizinga beroept zich dan ook op een studie van onze voortreffelijke religievorser, Károly Kerényi, waarin deze vóór hem de gelovigheid van de archaďsche volkeren, het begin van de cultuur dus, uit het feest, de aan het dagelijks bestaan ontheven gewijde stemming, afleidde. Het feest van de archaďsche mens is het spel: hij zet een masker op, speelt dat hij van een god bezeten is, danst de handelingen van de voorvaderen of de totem-dieren voor – het leven van de negers, de indianen en andere primitieve volkeren speelt zich in en voor zulke feesten af om zo het verband met de eeuwige dingen te verwezenlijken. Dit spel is in het oog van de spelende natuurlijk net zo ernstig als het spel voor een kind ernstig is. De primitieve mens maakt geen onderscheid tussen spel en "ernstige zaken". Het begrip "ernstige zaak" ontwikkelt zich pas later als de negatie van het spel. In den beginne was het spel...
De meeste spellen van de archaďsche volkeren hebben het karakter van een wedijver. De primitieve maatschappij is op een antithetische vorm van het gezelschapsleven gebaseerd: de stam is verdeeld in twee stamhelften die voortdurend met elkaar wedijveren. De grote Burckhardt heeft het agonale, de wedijver als een kenmerk van de Griekse cultuur omschreven – wij weten al dat elke archaďsche cultuur een agonal karakter heeft. Niet alleen de gewijde ceremoniën, de heilige dansen en de proeven van moed of behendigheid, maar vaak ook het hele gezelschaps- en economische leven van de archaďsche stam. Er zijn Indianenstammen waar de ceremonie van de zogenaamde Potlatch in zwang is: de ene stam brengt een bezoek aan de andere, waarbij de ontvangendestam zich verplicht voelt al zijn kostbaarheden, en eventueel ook zijn vrouwen en kinderen aan de gasten weg te schenken. Maar binnen zekere tijd gaat de ontvangende stam op tegenbezoek, en dan is het de beurt aan de vroegere gasten: ze moeten niet alleen de gastvrijheid reciproceren, maar de eer van de stam hangt ervan af of men de eerdere gastheren in vrijgevigheid en schittering van geschenken kan overtreffen.
Twee Egyptische zigeuners hadden een geschil, schrijft Huizinga naar aanleiding van een bericht in de krant. De hele stam werd bijeengeroepen, en ten overstaan van de gehele stam hebben beiden eerst al hun schapen gedood, en vervolgens, omdat geen van beiden daarmee de baas kon zijn, hebben ze hun bankbiljetten verbrand. Degene die het minste offer kon brengen, verkocht daarop, om niet het onderspit te moeten delven, zijn zes ezels, om door het verbranden van de koopsom toch de overwinnaar te worden. Toen hij naar huis ging om de ezels te halen, verzette zijn vrouw zich tegen de verkoop, waarop hij haar doorstak. De neiging tot het agonale, het verlangen om de tegenpartij te overwinnen is blijkbaar veel sterker dan welke "economische noodzakelijkheid" ook.
De rechtspleging, de rechtspraak is ook agonaal, en heeft haar wortels in het spel. De oudste vorm daarvan is de wedijver, het tweegevecht, het Godsoordeel.
Het hele ridderwezen, de ridderlijke eer, het ridderlijk leven is één grandioos gezelschapsspel, waardoor men boven de eentonigheid van de materiële belangen kon opstijgen tot in de sfeer van het feest zoals Kerényi dat opvat.
Met dergelijke verrassende voorbeelden en met verrassende behendigheid bewijst hij dat niet alleen de dichtkunst, de beeldende kunst, de muziek, de filosofie en de wetenschap, maar tot op zekere hoogte ook het economisch leven aan het oeroude speels gedrag van de mens ontsproten is. Vervolgens doorloopt hij de verschillende periodes van de menselijke cultuur, en toont aan wat voor rol het ludieke element erin gespeeld heeft. De speelsheid was vooral in de glorietijd van de westerse cultuur, in de barok en de rococo, sterk aanwezig: de klederdracht, de pruik, het salon-wezen waren de meest kenmerkende uitingsvormen daarvan. Er is slechts een enkele "ernstige" eeuw waarin het spelelement op de achtergrond is geraakt: de negentiende. Die heeft de algemene verernstiging van het leven, het nuttigheidsbesef met al zijn vreselijke maatschappelijke en economische gevolgen, veroorzaakt.
En vandaag? Huizinga meent dat het spelelement ogenschijnlijk opnieuw terrein wint.
Maar de huidige sport met zijn professionals, met het najagen van records, is een zeer,zeer "ernstige zaak"; het verband met het gewijde feest, waarvan zij in de Griekse tijd nog een onderdeel vormde, is sowieso verloren gegaan.

(In: Magyar Nemzet, 26 november 1939)

 

(c) Antal Szerb