Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Júlia Szunce
- een oorlogsverhaal

Lázló Darvasi
(vertaling Anikó Daróczi / Ellen Hennink)

Toen had ik al vijf dagen niet geslapen. Ik trok vanuit het westen het land door. Het was aan het einde van de zomer, de eerste week van september, op een vrijdag denk ik, of misschien toch op een zaterdag. Ik zat te roken in de winderige nacht vol geluiden. Maar ik werd niet vermoeider, en mijn bepakking werd ook niet zwaarder, ik trok eenvoudig het land door, alsof ik door de velden van mijn buurman liep. Mijn handen, mijn benen, mijn voorhoofd leidden hun eigen leven, mijn ledematen kenden elkaar niet meer. Ik sliep misschien al vijf dagen niet. Ik dacht dat ik zou sterven. Ik had geen medelijden met mezelf, want het maakte allemaal niet uit. Ergens voorbij Jakulevo kwam ik bij een stal, zij hadden daar misschien paarden en vee gehouden, een paar hokken waren er nog, de rest had men afgebroken, weggehaald en opgestookt, de piste was er nog, met de wit gekalkte hekken waarvan stukken waren afgebroken. In de tuin vond ik een put met een betonnen rand, maar de zinken emmer had geen bodem meer. Op de weg naar het bos stond een gekantelde vrachtwagen te rotten, het gescheurde canvas klapperde in de wind. Het was vrijdag of zaterdag. In de stal hing er een vreemde lucht, in het begin wist ik niet wat, maar toen besefte ik dat het natuurlijk de geur van een mens was. Er leefde hier iemand. Een hele tijd ontdekte ik niets. Insecten zoemden om mijn gezicht en het was alsof ik elk zoemen afzonderlijk hoorde.
    Zij lag midden in de schuur. Eerst dacht ik dat ze dood was. Ze lag op haar rug, haar armen strak langs haar lichaam. Misschien zei ik iets, hé, u daar, staat u op, wat is er nou, of zoiets. Het is ook mogelijk dat ik niets zei, wellicht wilde ik het alleen. Met mijn laars stootte ik tegen haar zij. Ik weet het niet meer. Of ik boog me dicht naar haar toe en zag voor haar mond het strootje dat op en neer bewoog, en hierdoor begreep ik dat ze leefde. Ze had hoge jukbeenderen en brede lippen. Alles was een beetje te groot op haar gezicht, haar ogen leken reusachtig zelfs nu ze gesloten waren, een enorme, afgedekte blik, dacht ik, en natuurlijk ook haar neus, haar wenkbrauwen, haar oorlellen.
    Ik zat naast haar en bekeek haar.
    Het was een vrouw, een slapende vrouw, en ik had al vijf dagen niet geslapen.
    Ik denk dat ik haar schouder aanraakte, maar ze bewoog niet. Ik scharrelde een beetje om haar heen, ik dacht dat ik haar toch zou moeten wekken, ik krabde op mijn hoofd, ik riep wat, denk ik, misschien fluisterde ik iets in haar oor. Maar ze bewoog niet. Zij was niet dood, zij was alleen in een diepe slaap. Ik schoof mijn arm onder haar en trok haar overeind, ze bleef even zitten, en zakte toen langzaam terug in het stro. Terwijl ik mijn arm onder haar schoof, raakte ik haar borst aan. Ook haar borst was groot, een slapende vrouw bij wie alles groot was, bij wie alles veel was, en die niet te wekken viel. Wat was dit nou. Ik had al vijf dagen niet geslapen. Ik denk dat ik woedend werd, of misschien alleen geërgerd, ik weet het niet, in ieder geval gooide ik uit mijn kroes een beetje water op haar gezicht. Ze bewoog niet, alleen plakte nu het strootje tegen haar lippen en ze sliep verder. Toen dacht ik dat ze ziek was. Het is niet normaal dat iemand niet wakker te krijgen is, maar het is natuurlijk ook niet normaal dat iemand niet in staat is om te slapen, zoals bijvoorbeeld ik, die 's nachts maar in het gras zit, leunend tegen de ingestorte muur van een huis of tegen de ruige schors van een eik, en rook, of een beetje heen en weer loop, ga liggen met mijn armen onder mijn hoofd, wat maakt het uit, ik weet het niet, het is niet belangrijk. Toen dacht ik, denk ik, dat wij allebei ziek waren, zij omdat zij sliep en niet wakker kon worden, ik omdat ik voortdurend wakker was en niet kon slapen. Ik vroeg me af welke van de twee erger was.
    En of wij elkaar konden helpen.
    Het was in de voormiddag dat ik haar aantrof, en ik denk dat ik haar in de namiddag voor het eerst aansprak.
    Hoe heet je, vroeg ik.
    Het strootje op haar mond was weer droog geworden. Zij zei niets, ze antwoordde niet. Ik word onrustig als dingen geen namen hebben. Zelfs een slechte, verkeerde naam is beter dan naamloosheid. Daarom besloot ik om haar er een te geven, want ik moest haar op de een of andere manier aanspreken, en ik zou het doen zelfs als er nauwelijks kans was dat ik haar naam zou raden, de naam waarmee degenen die haar hadden gekend, haar aanspraken. Ik had geen kans, toch dacht ik lang na, om de waarheid te zeggen. Of dat denk ik tenminste. Het is een ernstige zaak, iets een naam geven, zelfs als dat iets een slapende vrouw is. Ik mag haar geen kwaad doen met die naam. Uiteindelijk zei ik tegen haar: Júlia Szunce. En dat volgens mij deze naam de beste was van alle namen waar ik aan gedacht had, en ik heel erg hoopte dat ik haar daar niet mee zou kwetsen.
    Van nu af zou ik haar Júlia Szunce noemen.
    De volgende dag zag ik dat zij droomde. Daar was ik blij om, want wie droomt, leeft intensiever dan bijvoorbeeld degenen die gemeden worden door dromen, dat was tenminste mijn mening. Op haar gezicht weerspiegelden zich de gebeurtenissen van de droom, haar oogleden trilden even, en er flitste een onrustige, onderhuidse golf over haar gezicht. Haar lippen openden zich even alsof zij wilde roepen. Ook haar handen droomden. Zij maakte een aarzelend gebaar, er was iets afwerends in, wat hartstochtelijks, wat ontkennends, dat wist ik vroeger niet: dat de huid, de handen, de borstkas en de ademhaling ook dromen. Plotseling haalde zij dieper adem, het volgende ogenblik werd zij rustig. Haar ademhaling werd weer gelijkmatig. Ik zat naast haar, keek naar haar gezicht en rookte. Toen had ik al zes dagen niet geslapen, denk ik.
    Weet u, Júlia Szunce, zei ik tegen haar, het is volle maan, en er zijn helemaal geen wolken aan de hemel, de sterren stralen, men kan de Grote Beer, de Pleiaden en de Kleine Beer zien. Weet u, Júlia Szunce, ze hebben de paarden weggejaagd, en ik heb een boerderij gezien in de buurt, daar is niets van overgebleven, alleen roetvlokken, modder en nog narokende, verkoolde balken, Júlia Szunce, en ik denk ook dat ze de putten vergiftigd hebben.
    Ik zat naast haar en rookte. En toen dekte ik haar toe.
    Goede nacht, Júlia Szunce, zei ik, en ik stak een nieuwe sigaret op.
    In de ochtend schoot ik een bonte kip. Zij was een wilde gevleugelde, een dier uit een van de afgebrande boerderijen, er scharrelden daar een paar van rond in de buurt. Soms zag ik er schapen, geiten en koeien. Vaak dook er ook een geitenbok op, hij was tam. Ik roosterde de kip, en hield hem voor het gezicht van Jœlia Szunce, misschien zou zij het waarnemen. Men slaapt, maar men moet toch iets eten. Langzaam weken de lippen van elkaar, haar mond nam het hapje tot zich. Zij at wat, maar ze opende haar ogen niet.
     Wat is er aan de hand met u, Júlia Szunce, vroeg ik.
    Ik keek naar haar tanden, hoe die kauwden. Ook haar tanden waren groot, grote, witte tanden, en ze kauwden langzaam. 's Middags waste ik haar en ik keek verbaasd naar haar schoot. Want die was zo klein, onder een bosje haar waren er kleine schaamdelen, zo klein dat ik geen begeerte voelde. Ik waste haar lichaam met lauw zeepwater. Júlia Szunce bleef op dezelfde manier ademhalen, een slapende vrouw, ik had haar gevonden, ik had haar aangetroffen, ik die toen al zes dagen niet had geslapen, zes of zeven, ik weet het niet.
    Op een nacht gingen haar ogen opeens open. Alsof het lichter werd in de schuur. Zij keek me aan, zou ik hebben kunnen denken, maar ik ken dit soort blikken goed, en ik wist wel dat er in zo'n blik geen zien is. Maar misschien toch. En als er in haar blik ook zien was, dan zag zij mij toen voor de eerste keer.
    Rustig maar, Júlia Szunce, zei ik zachtjes, ik ben maar een man.
    Ik zal u geen kwaad doen, Júlia Szunce.
    Ik heb u deze naam gegeven, als u het me niet kwalijk neemt, Júlia Szunce.
    En tegen de tijd dat ik mijn naam zou hebben kunnen uitspreken, sloten haar ogen zich langzaam. Ik denk dat ik haar blik nooit meer zag.
    Op een dag ontdekte ik muizen op haar lichaam. Ik heb mensen gekend die ze in één keer pakken, ze fijnknijpen tot ze kraken en het levenloze lichaam weggooien. Dit was mijn manier niet. Zoals men vliegen vangt in hun vlucht, ving ik een muis op de buik van de vrouw. Hij was verdiept in het knagen aan een knoop. Maar ik kneep hem niet tot hij kraakte, ik hield hem alleen vast. Een uur later leefde hij niet meer. Ik kon mijn handpalm rustig opendoen en het dier op de grond laten vallen. Na de zesde kwamen er geen muizen meer.
    Ik legde Júlia Szunce in de zon. Zodat zij een beetje wind kreeg, wat frisse lucht, en licht in haar haren. En toen ik rondkeek, kreeg ik plotseling behoefte aan knallen, aan de scherpe geur van kruit, aan ontploffingen. Ik ging dus naast haar liggen en schoot een paar keer tussen de bomen door. Ik had nog een paar handgranaten, ik gooide er een tussen de verwilderde meidoornstruiken die naast de piste groeiden. Het beven van de grond deed me goed, de manier waarop bomen en struiken trilden, en daarna die zich verspreidende, onrustige stilte. Van de grond steeg er een rookwolk omhoog, als de ziel van iemand.
    Toen had ik al een maand niet geslapen, denk ik, en dat was alsof ik toch aan het slapen was. Men is dan duizelig, alsof men dronken is en nooit meer nuchter zou kunnen worden. Ik denk dat ik erover nadacht, wat de belangrijke dingen van het leven waren. Daar stond een boom, een oude beuk met een grote kruin, kevers kropen over zijn schors, er was een vast spoor vanuit de aarde naar de schors en terug, en er cirkelde een vogel aan de hemel, een adelaar, denk ik. Het was wel warm, maar de avonden werden steeds kouder. Het is zo dat niets jou toebehoort, en dat is niet slecht, of niet bepaald slecht. Er is geen verantwoordelijkheid, omdat je geen verantwoordelijkheid op je kunt nemen. Alleen Júlia Szunce was, hoe moet ik het zeggen, storend in dit geheel, een slapende vrouw, die niet de geringste bereidheid toonde om wakker te worden. Als zij er niet was, was ik op een nacht wakker maar zonder gevoelens de dood binnengestapt, denk ik. Als je een maand niet hebt geslapen is het alsof je in de wachtkamer van de dood verkeert. Iets doet pijn, misschien je hand, je voet, die behoren jou ook niet toe, je weet niet waar de pijnlijke plek zit in je lichaam. Ooit was er een tijd dat ik dacht dat ook mijn adem, de lucht die ik uitademde en die dit land en deze velden doordrong mij toebehoorde, en dat daardoor alles wat ik zag of waar ik tegen sprak, of wat misschien tegen mij sprak, mij toebehoorde. Een keer sloeg ik de vruchten op een schaal zo lang gade tot zij verrot waren. Ik weet niet hoe ik het deed. Zoiets is mij nooit meer gelukt. Er waren ook vrouwen, die. Mensen, die. Als je al een maand niet hebt geslapen, dan is de slaap, ik bedoel, dus je hebt het gevoel dat jou niets meer toebehoort. Het is een soort lichtheid, maar het is toch niet licht. Als iemand wakker wordt, gaat een ander misschien dood. Ik geloof niet in u, Heer, ik geloof niet dat u bestaat, ik slaap niet. De muziek die klinkt, is een muziek die mijn tranen doet stromen. Alleen Júlia Szunce stoorde mij. Zij liet mij niet doodgaan. Zij sliep.
    Vaak ging ik even wandelen. Ik kon toch niet altijd bij haar zijn. En op een keer toen ik terugkwam, lag er een hond naast Júlia Szunce te slapen. Een smerig, klein rotbeest. Een hond die zich tegen haar zij genesteld had en heerlijk lag te slapen. Soms gromde hij even. Aan het begin kon het mij niet schelen, denk ik. Ik deed maar wat in de stal, een van de hokken richtte ik in als een soort kamer, ik timmerde een houten tafel, de zitting van de vrachtwagen gebruikte ik als stoel, en ik maakte een brits en planken, want ik wist dat het binnenkort koud zou worden, en iemand die niet slaapt heeft het gauwer koud, en tegen die tijd had ik het al zeer koud 's nachts, ik had al zes weken niet geslapen, denk ik, zes of zeven weken. Ik had het gevoel dat ik mijn voorhoofd kwijt was, en de zon direct op mijn hersens brandde, de regen direct tegen mijn hersens sloeg, de wind direct tegen mijn hersens blies. Soms was de hond er, en soms bleef hij dagen weg. Lange tijd kon het mij niet schelen. Maar opeens werd ik zeer hartstochtelijk. Vloekend schopte ik het beest weg van Júlia Szunces zijde. En ik werd gegrepen door een gevoel dat ik al lang niet meer had, en ik probeerde me te herinneren wat het was, wat voor gevoel, en het duurde wel een half uur voor ik besefte dat ik verbaasd was.
    Ik was al jaren niet verbaasd geweest.
    Ik was verbaasd omdat ik jaloers werd op de hond.
    Ik ging naast Júlia Szunce liggen, ik ging op de plek van het dier liggen (hij had trouwens mijn eigen plek ingenomen), en ik omhelsde Júlia Szunce. Ik hield haar in mijn armen. Ik boog me over haar gezicht, ik ademde de lucht in die tussen haar geopende lippen uitkwam, Júlia Szunce, Júlia Szunce, ademde ik in haar mond. Ik begreep niet waarom haar lichaam altijd dezelfde geur had, ook toen ik haar gewassen had, dampte die geur uit haar huid. Steeds die wat zoete, bittere geur. De geur van de slaap? Ik weet het niet. Het was goed, steeds beter. Ik sliep niet. Er klonk een muziek die me deed huilen.
    De volgende dag kwam het dier terug. Hij zat voor Júlia Szunce en sloeg haar gade met zijn zwarte kraalogen. Soms blafte hij even zachtjes. En ik zei tegen hem: Stranac. Ik gaf hem een naam, zodat ik hem kon haten.
    Je naam is Stranac, jij hond, zei ik tegen hem. Hij keek me aan, liet zijn kop hangen en sjokte weg. Deze Stranac is een verdomde rothond, dat is waar ik aan dacht, denk ik. 's Nachts merkte ik dat hij terugkwam en dat hij weer hier was, naast ons. Hij stoorde mij al zo erg dat ik zelfs geen 'Júlia Szunce' kon zeggen. Stranac, jij rotbeest. Als ik at, keek hij naar mij. Als ik me waste, keek hij naar mij. Als ik mij ontlastte, keek hij naar mij. Ik had ongeveer twee maanden niet geslapen, en het was herfst, en ik kreeg het steeds kouder.
    Stranac, zei ik op een ochtend tegen de hond, ik ga je dood maken.
    Hij blafte even, en liep sjokkend de bosjes in, maar hij keek nog om. Ik pakte plotseling het geweer en schoot op hem. Het werd stil.
    Júlia Szunce, zei ik tegen de vrouw die sliep. Eindelijk kon ik het uitspreken: Júlia Szunce. Ik zat en rookte. Ik spijkerde, ik hamerde, ik haalde de vrachtwagen uit elkaar. 's Middags kwam Stranac terug. Hij zat onder het bloed. 's Ochtends had ik hem in zijn zij geschoten, hij was vol bloed, hij sleepte zich voort.
    Stranac, zei ik tegen hem, hij bleef staan en keek mij aan.
    Zelfs zo keek hij mij aan. En misschien blafte hij even, jankte hij, ik weet het niet, maar hij begon weer te lopen, en liep langs mij heen alsof ik er niet eens was, ging naar binnen bij Júlia Szunce en legde zich naast haar.
    Stranac is ziek, zei ik tegen Júlia Szunce die sliep.
    De volgende morgen was het dier dood. Ik nam hem op de schop, sjouwde hem naar de voorkant van de stal en schoffelde hem onder.
    Ik hou van jou, Jœlia Szunce, zei ik tegen de vrouw, en stak een sigaret op. Het was laat in de herfst. Een tapijt van gele en bruine bladeren spreidde zich uit over de velden, dat geritsel, die zachte, plotselinge bewegingen wanneer de wind zijn taak vervulde. Ooit hoorde ik de uitdrukking: de tijd sleept zich voort. Nu wist ik wat het was, het zich voortslepen van de tijd, ik had twee maanden niet geslapen, op zijn minst twee, denk ik. Op een nacht vroor het al.
    Ik overwoog of ik Júlia Szunce zou doden. Ik zou hier hoe dan ook moeten vertrekken, dacht ik, en op een dag verder moeten gaan, of er kwam iemand, er kwamen meerdere mensen, en ze zouden sterker zijn dan ik, en ze zouden mij wegjagen, en ik zou Júlia Szunce niet kunnen meenemen, hoe zou ik haar toch kunnen meenemen, dat was niet mogelijk, en degenen die mij hier wegjoegen of mij gevangen namen, zouden mij doodschieten, dus zij zouden haar vinden, Júlia Szunce zou van hen zijn, en ze zouden haar doden; het kon ook dat zij haar goed zouden verzorgen, haar zouden verwennen, alles kon gebeuren, maar als ik niet bij haar was, zou zij niet meer Júlia Szunce genoemd worden. Als ik haar doodde, bleef zij van mij. Júlia Szunce sliep, en ik had al tien weken niet geslapen. Of elf. Ik weet het niet. En wat ik tot dan toe helemaal niet had gevoeld: ik kreeg opeens een overweldigende angstaanval. Ik wist nog niet waar ik bang voor was, maar soms moest ik blijven staan in de binnenhof, mijn voorhoofd bedekt met zweet, en plotseling wist ik dat mijn hand pijn deed. Mijn hand deed pijn! Het gevoel kwam helemaal onverwacht over mij, ik voelde weer dat ik een geheel was, mijn benen kenden mijn handen, mijn gezicht wist van mijn schoot, en als ik pijn had, kende ik de plek die pijn deed. Soms ging ik voor de stal staan en brulde. Ik weet het niet, ik heb misschien ergens gelezen dat schreeuwen alleen in een geschapen wereld zin heeft, en als er geen schepper is, dan is het overbodig om de aandacht naar onszelf toe te trekken door te schreeuwen, nou, eerlijk gezegd weet ik het niet. Kan men alleen tegen God schreeuwen? Ik denk dat het niet God is die ik aanroep als ik schreeuw. Ik schreeuwde omdat die muziek klonk. En omdat ik niet sliep. En omdat Júlia Szunce sliep. Als ik tegen God spreek, zeg ik geen woord.
    Júlia Szunce, riep ik buiten in de tuin.
    Júlia Szunce, Júlia Szunce!
    En zij sliep, ik weet niet hoe lang al, en ik was wakker, vier maanden al, misschien, ik weet het niet. Ik deed alles instinctief. En alles deed pijn, maar toch was het goed. Ik vond een verhoging op een paar minuten afstand van de stal, vanwaar ik het landschap om mij heen kon zien, de kale bossen, het kronkelende lint van een vuilblauwe rivier, de op de weiden neergegooide plekken sneeuw, verkoolde boerderijen, ik zag dit alles, en ik noemde het Milenka Carica. Naast de stal vond ik een Engels conservenblikje, ik noemde het heer majoor Oxford en soms schoot ik erop. Ten zuiden van de stal lag een donkere berg grond ter grootte van een huis, nauwelijks een jaar oud, er groeide nog geen gras op. Ik zei ertegen: jij bent Jakulevo. Aan mijn geweer gaf ik de naam Anna-Mária Mohács. Soms bracht de wind het geluid van kerkklokken naar ons toe, ach, ik groet u, lieve Vera Domitum, knikte ik. Er was een geit, een tamme maar verlegen bok die soms uit het bos kwam, bedekt met modder, ik deed hem nooit kwaad. Ik zei tegen hem, jij bent Emil Arbanaszi. En zo voort. Ik gaf namen, waardoor ik natuurlijk namen wegnam, en ik sliep nog steeds niet. Het was winter, ik weet niet hoe lang ik al niet sliep, de sneeuw wervelde naar beneden, de wind veranderde in ijs, en hoe schudden de takken van de bomen in het donker. En toen dacht ik op een dag, het is zo akelig dat ik niet slaap. De sneeuw glansde. Alles was vol ijzige schittering, de kale boomtakken, de rand van de horizon, en de muziek die klonk, was - ja, precies zó was die. Ik zat naast de vrouw en rookte.
    Ik ben bang, Júlia Szunce, zei ik tegen haar.
    Zij antwoordde niet, zij sliep, haar mond stond open.
    Ik sloeg Júlia Szunce in elkaar, ik schopte tegen haar lichaam, denk ik. Júlia Szunce bloedde, haar gezicht was vol wonden, haar lippen scheurden, en een van haar vingers brak misschien, het kon mij niet schelen, ik hield van haar. Ik sliep niet. Zij sliep. Ik trok haar kleren uit en gebruikte haar. Jœlia Szunce was zonder schuld en ze sliep.
    En op een dag, misschien op een zaterdag, of een vrijdag, brak het zweet mij weer uit, mijn lichaam werd heet, en ik begon te trillen. Het duurde niet lang, maar toen het over was, wist ik wat er zou volgen, wat er zou gebeuren, wát. Ik had al een half jaar niet geslapen, denk ik, en wist dat ik binnenkort weer zou slapen. Wel, dat was waar ik bang voor was, denk ik, als angst tenminste zoiets was. Als dit het was. Ik zat aan de rand van het bos, ik staarde naar een nieuwsgierige ree, en ik dacht, zal ik hem nog doodschieten, voor alle zekerheid, en toen opeens vielen mijn ogen vanzelf dicht.
    Ik stond, met mijn ogen dicht, zoals het in tijden niet was gebeurd.
    De schelle, verblindende zonnestralen schitterden door mijn oogleden heen. Mijn God, zei ik zachtjes. Mijn God. Ik schreeuwde niet. Ik was bang, denk ik. Langzaam ging ik de stal in, naar Júlia Szunce, die nog altijd sliep. Ik weet niet wat ik tegen haar zei. Misschien zei ik geen woord. Mijn ogen vielen dicht, terwijl ik voelde dat de hare zich openden.
    Júlia Szunce, zei ik zachtjes en ik opende mijn ogen.

   
Haar wenkbrauwen beefden, en haar ogen waren weer dicht. Ik beefde ook, ik lag naast haar. Ik wist wat er zou gebeuren: op het moment dat ik in slaap viel, zou Júlia Szunce wakker worden.

(c) László Darvasi (c) vertaling Anikó Daróczi / Ellen Hennink