Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

René / Renate
Twee postscripta

Jeroen Brouwers

Op 14 maart 2001 publiceerde ik in De Morgen een portret van de auteur R. Stoute (1950-2000). Bij zijn geboorte heette hij René, bij haar dood heette ze Renate. Onderweg was hij operatief getransformeerd in zij.
    In zijn hij-tijd was hij bij gelegenheid travestiet: hij schreef er de roman Het grimmige genieten (1991) over. In haar Renate-jaren verschenen er twee autobiografische boeken van haar, een daarvan was de novelle Waarom ik geen bloemenmeisje werd (1998).
    Na publicatie van mijn portret schreef ik nog twee postscripta.

   
    I


'Met muzikale tred' loopt het hoofdpersonage van Het grimmige genieten, Piers heet hij, in vrouwenkleren de roman uit, vervuld van vreugdevol optimisme. Hij, in zijn verbeelding eigenlijk zij, sjouwt twee koffers met zich mee. Enige straten verder houdt zij een taxi aan, waarna de roman eindigt met deze ontnuchterende regels:
    'De chauffeur stapt uit, neemt de koffers aan, en vraagt, na een lichtelijk geamuseerde blik op Piers z'n uiterlijk: 'Waar gaat de reis naar toe, meneer?''
    In Waarom ik geen bloemenmeisje werd gebeurt iets soortgelijks, maar navranter. De vertellende ikfiguur in deze novelle is niet, zoals in Het grimmige genieten, een mannelijke travestiet, maar een transseksuele vrouw, - voorheen Roel Bender geheten, na de operatie Suzanne Bender. Bij een weerzien met haar bejaarde moeder herkent deze haar niet, de naam Suzanne zegt het verwarde mensje niets.
    'Ik noemde weer mijn naam, en ditmaal ook mijn geboortenaam. Dat deed het 'm. Ze begon te snikken. Van blijdschap, zei ze, omdat Roel, haar jongste zoon, weer bij haar terug was gekomen. (...) Weer een moment later sprak ze me aan bij de naam die ik bij voorkeur nooit meer wilde horen. (...) 'Ik ben een transseksuele vrouw, mam, en ik heet al jaren Suzanne.''
    Hierop reageert de moeder: 'Maar voor mij blijf je altijd mijn knul, hoor.'
    Het gebeurde vaker, aldus de schrijfster, dat ze als vrouw nog werd aangesproken met de naam uit haar mannelijke verleden. 'In plaats van eraan te wennen bleef ik gevoelig voor (de) afwijzing van wat ik beschouwde als mijn waarachtige identiteit.'  Ze ervoer het, terecht natuurlijk, als kwetsend om als man te worden aangesproken.  'Alsof er de afgelopen jaren niets noemenswaardigs gebeurd was met mij, alsof mijn sekse en mijn hele bestaan niet compleet veranderd waren...'
    Ook ik heb me er een paar keer aan bezondigd. Louter uit onattente verstrooidheid, waarbij ik mezelf wel voor mijn kop kon slaan.
    In haar Renatejaren briefwisselden we niet veel meer, nu en dan telefoneerden we. Omdat haar stemgeluid onveranderd was gebleven en omdat we communiceerden op de vriendentoon van altijd, vergat ik soms dat hij was veranderd in zij en ontviel me haar vroegere naam. Dan corrigeerde ze me zonder wrevel: 'Ik heet Renate, weet je nog wel?' Haastig mijn excuses formulerend, stotterde ik daarbij eens dat ik me vanwege mijn stommiteit een oetlul en een zak, een stomme kloot vond. Hierop reageerde zij: 'Uit een vorig bestaan herinner ik me de lichaamsdelen waarmee je jezelf vergelijkt.'
    Bij eenzelfde vergissing in de aanhef van een brief viel de tweede e van René nog wel te wijzigen in ate, waarbij het accentstreepje met wat grafologische vindingrijkheid aan de dwarsbalk van de t kon worden vastgevlagd. Ongetwijfeld zijn deze ingrepen haar evenmin ooit ontgaan.
    Ik stuurde haar eens een exemplaar van een nieuw boek van me. Van de brievenbus op weg naar huis realiseerde ik me met schrik en schaamte dat mijn opdracht op het titelblad als vanouds aan René was gericht, in plaats van aan Renate. Anderhalve dag soebatten heeft het me gekost voordat men ten postkantore bereid was mij het pakketje terug te geven: - stof voor een eenakter. Het was het laatste exemplaar dat ik te vergeven had en omdat in mijn opdracht é niet in ate viel te veranderen zonder in het oog lopend geknoei in de er meteen op volgende tekst, scheurde ik de titelpagina met de onachtzaamheid uit het boek. Op de bladzijde met de Franse titel herhaalde ik mijn vriendschappelijke opdracht, nu ter attentie van Renate, en deed er een briefje bij, dat per ongeluk haar vroegere naam uit mijn pen was gevallen, vijfwerf sorry, en dat mij geen andere mogelijkheid resteerde om mijn flater ongedaan te maken dan het boek te mutileren. Dat was de keer dat ze mij, in haar antwoordbrief, 'een schat' noemde: zij en haar lief hadden mijn handelwijze zeer attent gevonden, mede namens haar lief dankte ze me ervoor. Toen schaamde ik me nog méér.
    Aan de naam Renate ben ik nooit gewend geraakt, waarschijnlijk omdat ik R. Stoute na de metamorfose nooit persoonlijk heb ontmoet. Op het voorplat van Panorama (18 november 1988) stond een dubbelportret van de travestiet Stoute, ten voeten uit, in volle kleur. Rechts de schrijver vermomd als dame en als zodanig absoluut mijn type niet: teveel gefrul rond de leden, Hemageflonker aan oren en vingers. Ze oogt gespannen, of ze op weg is naar de eerste ontmoeting met iemand op wiens contactadvertentie ze heeft gereageerd. Links van haar René in zijn gewone doen en uitmonstering, René zoals ik hem kende. Spijkerbroek en spijkerjasje, baaltje shag in de borstzak. Mouwen tot de ellebogen opgestroopt, tatoeages op de onderarmen, handen in de broekzakken, hij staat branieachtig wijdbeens. Ringetje in het oor, pet op het gemillimeterde haar. Zo staat hij met licht ironische en tegelijkertijd goedkeurende, tevreden blik naar zichzelf-als-vrouw te kijken. Hij is achterin de dertig en schrijver van toch al zo'n zes, zeven boeken. Tot zijn teleurstelling had hij vastgesteld dat hij niet werd genoemd in het twee jaar tevoren verschenen Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse letterkunde, maar daar stond tegenover, zo meldde hij mij met welhaast kinderlijke trots, dat hij was opgenomen in de kring van de 'Maximalen': een gezelschap oproerige dichters dat in 1988 met veel gedruis in de publiciteit kwam. Een jaar later was deze beweging 'met de klauwhamer' al uitgetimmerd, maar op de groepsfoto's zal René te zien blijven: hij hoorde erbij. Eindelijk voelde hij zich geaccepteerd en niet meer zo ellendig eenzaam en genegeerd in de vaderlandse letteren. Zoals hij in 1988 voorop Panorama stond, zo was hij, zo heeft men hem gekend en zo heeft men hem onthouden. Dat was het jaartal van zijn 'coming out', hij had besloten om als travestiet in de openbaarheid te treden. In het blad kon men een fotoreportage van zijn gedaanteverandering bekijken: hoe hij werd geschminkt, zijn zwarte beha opvulde, het jarretelknopje aan de boord van zijn zwarte nylonkous bevestigde, zijn rossige damespruik opzette. 'Stapsgewijs van René naar Renée',  zei het onderschrift. Hij/zij zelf zei in dezelfde tekst: 'Als ik toch 'uit de kast' breek, dan ook maximaal.'
    In zijn werkelijke, zijn mannelijke, uitvoering op het voorplat van het tijdschrift draagt hij onder het spijkerjasje met de ijzeren knopen een zwart T-shirt. Daarop staat, in de lettervoering die het embleem van de dichtersbeweging is geweest: MAXIMAAL, zwarte kapitalen in een witte rechthoek, als een ereteken op zijn breedgemaakte borst. Het is hem aan te zien dat hij gelukkig is: én 'uit de kast' én zelfverzekerd meesurfend op de nieuwste literaire golvingen. In de mevrouwenkleren en in dat T-shirt is hij één en dezelfde, in de twee hoedanigheden en gestalten waarin hij verder door het leven wilde. 'Waar gaat de reis naar toe, meneer?' Voor de rest bleef hij voor iedereen gewoon 'René'. 1988 was het door nieuw elan en optimisme gekenmerkte scharnierjaar.
    Acht jaar later was hij getransformeerd tot Renate en weer drie jaar en een paar maanden later was zij dood. In de toespraakjes die naast de kist werden afgestoken, had iedereen het over 'Renate', die ik nooit had ontmoet, noch ooit zou ontmoeten. Ik had geen voorstelling van de overledene en mijn herinneringen golden niet haar, maar een levenskrachtige man in spijkerpak met een pet op, die al eerder van de aardbodem was verdwenen. Renate? Soms verbeeldde ik me dat ik iemand hoorde zeggen: 'Maar voor mij blijf je altijd mijn knul, hoor.'
    Bij de koffie en cake na afloop ontmoette ik de oud-maximaal Joost Zwagerman. Hij stelde me voor aan enige andere aanwezige oud-maximalen: Frank Starik, getooid met een blondpluizig kinsikje zoals ook Jacques Perk er een droeg, Arthur Lava, die in woeliger dagen een teil rotte vis over de recensent Michaël Zeeman had uitgestort, en Koos Dalstra, zich noemende Dalstar, na het verschijnen van Zwagermans Gimmick! sloeg hij 'de Zwaag' in Paradiso met een schermdegen tot Ridder in de Republiek der Letteren. Ik herkende ze van de groepsfoto's. Toen de directeur van het crematorium, door ons onmiddellijk 'de brandbaas' genoemd, kwam melden dat er geen koffie en cake meer werden verstrekt en ons zo te verstaan gaf dat we zijn bedrijf moesten verlaten, zijn de oud-maximalen en ik - bij ons gezelschap voegde zich ook Pamela Koevoets - in het zonnige Eindhoven op een café-terras gaan zitten. Over Renate werd geen woord gesproken, geen van ons had haar ooit gezien. Des te meer spraken we over René: met die naam zal hij door zijn schrijversvrienden worden herinnerd, zoals ik ook denk dat hij in een volgend Lexicon van de Nederlandse letterkunde definitief als é en niet als ate zal worden vermeld.
    Enige keren heeft ze me bij haar en haar lief thuis uitgenodigd, enige keren vroeg ze of ik het gezellig zou vinden als zij bij mij langs zou komen om zowel haar nieuwe zelf als haar lief aan mij voor te stellen. Eerlijk gezegd: ik had daar geen zin in. Bang voor mijn eigen verlegenheid, denk ik.
    Wij hieven onze glazen naar de strakblauwe heldere hemel. Zou hij in de vluchtige vorm van een rooknevel al over onze hoofden zijn voorbijgedreven? We dronken hem toe, we zouden hem nooit vergeten, we riepen: 'René, daar ga je!'
    'Alsof er in de afgelopen jaren niets noemenswaardigs gebeurd was met mij, alsof mijn sekse en mijn hele bestaan niet compleet veranderd waren.'

    II

Bij de voorbereidingen van mijn In memoriamportret van René Stoute, kwam ik in zijn correspondentie 1 getypte blauwe kaart en 2 handgeschreven brieven tegen, gedateerd oktober 1989.
    De tekst op de kaart luidde:

 12 oktober 1989 belooft een mooie dag te worden, want:

    BRYONY COOPER en RENE STOUTE
    gaan trouwen!

Wij nodigen u uit de huwelijksvoltrekking (aanvang 10.30 uur) in de Schipperszaal van het Amsterdamse stadhuis (Stopera) bij te wonen.
    Daarna vragen wij u letterlijk met ons in de boot te stappen voor een circa 2 uur durende rondvaart (koud buffet - speechen mag) door de grachten. Na afloop koffie en taart op de Kromme Waal. Tevens vieren wij op deze dag de 80ste verjaardag van Vader Stoute. Bryony, René, Laurie en Brechje stellen uw aanwezigheid zéér op prijs!


Ik was bij deze feestelijkheden niet aanwezig en kon mij niet herinneren waarom niet.
    Op 2 oktober schreef hij me: 'Ja, nou, het leek me een uitstekend idee om mijn dierbare vriend als getuige te vragen bij mijn huwelijk.'
    Die dierbare vriend was ik. Waarom was ik niet op deze uitnodiging ingegaan? Kennelijk had ik hem dat al een paar dagen eerder meegedeeld, want Renés brief bevatte de reactie: 'Uiteraard zijn we zeer verdrietig dat jullie niet kunnen komen, maar wij schikken ons, wel wetende hoe het soms kan lopen.'
     Verderop in deze na al die jaren en na zijn dood herlezen brief kwam ik de reden van mijn afwezigheid alsnog tegen, waardoor in mijn geheugen alles weer stormachtig naar de voorgrond stoof. Wat gebeurde er in mijn leven op 12 oktober 1989, de dag dat ik niet in Amsterdam op een rondvaartboot door de grachten zwalkte? René schreef: 'Ga jij nu maar naar de oratie van (...), zolang je je op de weg terug naar je landkasteel in Exel maar wél de haren uit je kop trekt van spijt en wroeging - wás ik nu maar naar A'dam gegaan!'
    In een volgende brief, gedateerd 23 oktober, deed hij verslag van zijn vrolijk verlopen trouwerij ('De boottocht was een succes, geen ongelukken, niemand verdronken'). Hij besloot met: 'Hadden jullie een aangename dag bij de promotie van (...)?'
    In het jaar van Renés dood, maar pas acht maanden na zijn crematie, zodat ik hem geen pakje met een cadeau-exemplaar meer hoefde te sturen, verscheen mijn roman Geheime kamers. Vier jaar tevoren was het eerste hoofdstuk voorgepubliceerd in De Vlaamse Gids en daarvan heb ik hem nog wél een exemplaar gestuurd.
    Dat hoofdstuk, gesitueerd op 'die middag in oktober' (blz.8), is een deels tot in details nauwkeurige beschrijving van de academische plechtigheid en de receptie na afloop, die ik bijwoonde in plaats van het huwelijksfeest in Amsterdam. Op 12 oktober 1989 bevond ik mij in de stad die ik ook hier maar Sterdrecht blijf noemen bij de toehoorders van de inaugurele oratie van degene die ik ook hier maar met Nico Sibelijn blijf aanduiden. Hemzelf, al had ik hem lang geleden weleens ontmoet, ook een keer bij hem thuis, kende ik nauwelijks en in universitaire kringen heb ik nooit van mijn leven iets te zoeken gehad. Degene die op de uitnodigingskaart in werkelijkheid 'Je komt toch?' had bijgekriebeld (blz.7), was niet Nico, maar zijn echtgenote, - die ik eveneens maar haar romannaam, Daphne, laat behouden.
    Zij was mij een half jaar tevoren opeens brieven begonnen te schrijven, wat zij nooit eerder had gedaan. Ik herinnerde me haar vaag van die ene keer, langer dan een decennium geleden, dat ik bij haar, haar man en hun kleuter thuis een uurtje op visite was geweest: - blauwogig, blond, mager, nerveus, voorin de dertig, ik had haar wel aardig en aantrekkelijk gevonden. Verwoed brievenschrijver die ik toen nog was, ik beantwoordde haar berichten, daarop antwoordde zij weer, en ik weer, en zij, en ik. Spoedig werden het (blz.80/81) 'twee brieven per week. Drie brieven. Ten slotte dagelijks een brief. Ik aan haar, zij aan mij. Tot uitputtens toe.' Dagboekbrieven: - we vertelden elkaar wat we iedere dag deden, meemaakten, hoorden, zagen, dachten. Zij had een 'redelijk' huwelijk, schreef ze, maar haar echtgenoot hoefde niets van onze correspondentie te weten, ze verstopte mijn brieven voor hem. Mijn huwelijk? Ook 'redelijk', maar van de weeromstuit begon ook ik achterbaks te doen tegen mijn echtgenote, wat mij niet goed afging en zij dus binnen de kortste keren door had. Daphne stuurde me foto's van haar gezicht en gestalte, die ik verliefderig bestudeerde, opnieuw bestudeerde, opnieuw, opnieuw. Ons briefverkeer kreeg de elektriciteit van flirten, - plagerijtjes, zinspelinkjes, dubbele bedoelinkjes, uitdaginkjes. We waren aan het vreemdgaan in geschrifte, we begonnen elkaar cadeautjes te sturen. Wat ze vannacht toch had gedroomd! Ze had gedroomd dat ik bij haar in bed lag, stel je dat eens voor! Natuurlijk stelde ik mij dat voor. In die tijd was er een postzegel in roulatie met het plaatje van Rodins zinnelijke beeld 'De kus'. Zouden we elkaar niet eens lijfelijk kunnen ontmoeten, zou dat niet zeer spannend zijn?
    Die mogelijkheid, de eerste, deed zich dus voor toen Sibelijn zijn inaugurale toespraak afstak. Ik daarheen. Mijn aanwezigheid moet hem hebben verrast. Zijn oratie ging niet over fossielen, verder herinner ik me er niets van. En daar was zij. 'In het rood. Een vermiljoen jacquet van gemoireerde zijde, waarin ze eruitzag als een vlam' (blz.14). 'Bij onze poging tot kussen, haar haar viel als blonde vitrage voor mijn gezicht, stootten onze neuzen tegen elkaar' (blz. 13). Zo gebeurde het werkelijk. Symboolgevoelig als ik doorgaans ben, had ik deze botsing van onze gezichten als een voorteken moeten interpreteren. Aanzwellend onweersgerommel, zoals in Beethovens Pastorale. 'Dit was de eerste dag van de dood en de eerste oorzaak van rampspoed' (blz.16), zoals Vergilius in zijn Aeneis schrijft.
    Het stiekeme en tot aan de grenzen van de krankzinnigheid voerende gedoe tussen Daphne en mij heeft, gerekend vanaf deze middag, langer dan twee jaar geduurd. Nog andere gedeelten van Geheime kamers, maar ook van Zomervlucht, waar ik eerder in 1989 aan was begonnen, bevatten nauwkeurige weergaven van het verdere verloop van onze geschiedenis. Mijn huwelijk is erdoor op de klippen gevaren, nu en dan denk ik nog weleens aan Daphne, maar met wrangheid in mijn mond.
    Het echtpaar Stoute, al dan niet met dochters, kwam soms een dagje in Exel op bezoek. Achterin de tuin vertelde ik René mijn almaar meer op psychisch sado-masochisme lijkende wedervaren met Daphne. 'Hou er dan mee op', zei hij. Dat was goede raad, maar hoe gaan de dingen?
    Tussen zijn brieven vind ik er geen terug met een reactie op het voorgepubliceerde eerste hoofdstuk van Geheime kamers, titel: 'De eerste dag van de dood'. Hij had in 1996 wel andere dingen aan zijn hoofd, om nog te zwijgen van andere delen van zijn lichaam.

    Bryony Cooper zag ik, met de dochters, pas weer terug bij zijn crematie. Een sterke vrouw. Tranen in onze ogen. In die afgrijzingwekkende aula dacht ik aan 12 oktober 1989. Aan wat er toen gebeurde en begon. En aan hoe het allemaal is geëindigd. Ouder geworden en behoorlijk verbitterd. De haren uit mijn kop van spijt en wroeging: 'wás ik nu maar naar A'dam gegaan!'

(c) Jeroen Brouwers