Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Spoken

Ádám Bodor
(vertaling Anikó Daróczi / Ellen Hennink)

Een stille gast

Sinds ook moeder weg is, woon ik alleen in het oude huis met de veranda aan het einde van het dorp, dicht bij de monding van de Iza. De oude, vervallen muren zijn voor mij overgebleven, hun kleur is net als die van de versluierde hemel, van de kolommen en de ruige jaloezieën schilfert de stoffige, verbleekte verf als de schubben van een vis. Ik zal het wel redden hier, tenminste als er ook met mij niet iets gebeurt.
    Van de poort tot de voordeur op de veranda is er een met zand bestrooid pad; nu de stortregen voorbij is, kan men goed zien dat iemand die schoenen met hoge hakken droeg, door de hof heeft gelopen, en voor de ingang haar voeten heeft geveegd. Naar buiten leiden er geen sporen.
    In de smalle tuin achter het huis staan mijn pruimenbomen, het gras ertussen reikt tot mijn middel. Als het geregend heeft, verspreidt de geur van het neergeslagen gras en het doorgebogen onkruid zich altijd rond het huis, dringt door tot de hof, en als ik de deur open, zweeft hij door de kamers heen. Maar nu ontvangt de reuk van een gast mij bij de deur: er zit een vrouw in de kamer met vreemde geuren achter haar oor en in haar oksels.
„Dit is merkwaardig", zeg ik. „Misschien stond de deur open."
„Nee", zegt de vrouw, „ik denk niet dat de deur open stond."
De vrouw zit in een van de lage armstoelen, met over elkaar geslagen benen. Haar dunne jurk laat haar lichaam zien. Een vrouw met diep liggende ogen, een vol figuur, een gladde huid, zij is niet zo oud dat zij mijn moeder zou kunnen zijn. Haar arm onder het litteken van de inenting is nog fluwelig, als ik haar daar aanraakte, zou het zeker warm zijn.
„U weet niet wie ik ben", zegt de vrouw rustig en zachtjes, hoewel er niemand anders in de buurt is. „Ik kan alleen maar zeggen dat ik mevrouw Ojnicza heet."
Ik knik en langzaam laat ik me in een andere, even lage armstoel zakken. Ik wacht, misschien beweegt de hand van de vrouw, en dan kan ik me ook voorstellen. Maar zij reikt mij niet de hand, zij zegt alleen:
„De papa is gezond."
„Hoe weet u dat?"
„Dat is mijn zaak. Het is genoeg als ik het weet." Zij likt haar lippen en kijkt, en kijkt maar.
Ik sta plotseling op van de stoel en doe het raam wijd open. De tuin dampt na de warme regen, dikke druppels glanzen op de groene pruimen.
„Dank u", zeg ik, „als het waar is wat u zegt."
„Het onderzoek is afgelopen", zegt mevrouw Ojnicza zachtjes. „Het gaat goed met de papa. Hij kan wel drie jaar krijgen."
Ik blijf staan en kijk naar deze vrouw die zulke goede berichten heeft gebracht. Ik kijk naar de vlezige rug van haar handen en naar het punt waar de twee panden van haar jurk elkaar tussen haar borsten ontmoeten. Dáár zou ik haar graag aanraken, daar waar haar geur uit opstijgt, ik zou haar bijvoorbeeld met mijn neus willen aanraken.
„Alleen maar drie?", vraag ik.
Mevrouw Ojnicza knikt, en zegt:
„Het kunnen er ook vijf worden."
Ik ga naar de keuken, open de deur van de voorraadkamer en kijk naar binnen. Er hangen dunne plakken spek voor de inmaakpotten, in het raamkozijn bromt er een vlieg in het spinnenweb. Ik neem een pot ingemaakte pruimen van de plank en zet die voor mevrouw Ojnicza neer. Hele stukken bruine pruim van vorig jaar drijven daar in hun sap.
"Wilt u dit van mij aannemen?"
„Dat kan ik niet doen," zegt mevrouw Ojnicza. „Dat zou geen goede zaak zijn. Van wie moet ik zeggen dat ik het heb gekregen?"
„Dit is maar een pot ingemaakte pruimen," zeg ik.
„Ik heb een man," zegt mevrouw Ojnicza.
„Goed," zeg ik met een knik. „Dan kunt u ze ook hier consumeren".
Ik haal een bord, een lepeltje en een glas water uit de keuken.
„Alstublieft."
Mevrouw Ojnicza brengt het glas water naar haar mond en drinkt het half leeg. Zij staat op en begeeft zich naar de deur, ik loop achter haar aan.
„En waarvan zal men hem beschuldigen?", vraag ik.
„Als ik meer goed nieuws heb, dan zal ik nog terugkomen," zegt mevrouw Ojnicza. En haar hand is al op de deurknop.
„Dank u", zeg ik en leg mijn hand ook op de deurknop. Maar mevrouw Ojnicza neemt de hare weg, zij rommelt in haar handtas en haalt een sleutel te voorschijn. Die hangt aan een bruin gevlochten leertje, hij past precies in het slot, ik zie het leertje, het was van mijn vader toen hij nog hier woonde. De vrouw slingert hem voor mijn neus heen en weer.
„Mag ik hiermee ook de volgende keer binnenkomen?"
„Graag," zeg ik. „U mag er altijd mee binnenkomen."
De vrouw loopt onder de druipende notenboom, de hakken van haar schoenen boren zich diep in het zand, zij laat flarden van haar vreemde geur achter.
    Mevrouw Ojnicza gaat langs omwegen, sluipt door stegen en mist twee keer de weg naar het spoorwegstation. Ik bespied haar tot in de middag van achter goederenwagons, zij zit te wachten tot de trein naar het perron wordt geduwd. Ik wacht tot zij plaats neemt in de eerste klas en de seinwachter het vertreksignaal geeft.
    Deze vrouw is niet van hier, denk ik. Ja, ik had het kunnen weten.

 

Het wachten

Sinds vanochtend zit ik op mevrouw Ojnicza te wachten; als ze komt, brengt zij nieuws, goed of slecht. Maar mevrouw Ojnicza is nu al veel meer voor mij dan een soort privépostbode of vriendelijke bemiddelaar: als ze komt, brengt zij de namiddag en de daaropvolgende nacht bij mij door. Hoewel zij vertelde, dat zij een man had.
    De ramen die uitkijken op mijn smalle tuin, heb ik wijd open gezet, ik kan in de tuin van de Mihálka-jongens kijken. Daar is het gras al zo hoog, dat zij het de volgende week zeker met de zeis zullen moeten maaien. Daarna zal Eugen Jenő Korbuly komen met zijn paardenkarretje, hij zal het gras onder de notenbomen, pruimenbomen en kruisbessenstruiken verzamelen, en het zo, nog groen, meenemen voor de konijnen van Kolonel Nopritz.
    Ik hang maar wat rond bij het raam, bespied de geluiden die boven de tuinen voortritselen, ik wacht op het vermoeide kletteren van de personentrein vanuit de richting van het station. De rails gaan de helling op tot zij de wissels bereiken, daar laten de machinisten de stoom ontsnappen, en de treinen rollen uitgeput het eindstation binnen.
    Ik zit in het raam, met mijn ellebogen op de vensterbank, en zodra mijn ogen gewend zijn aan de groene schemer tussen de notenbomen en kruisbessenstruiken (dit is al tegen de middag), zie ik dat er in de tuin van de Mihálka-jongens in het kniehoge gras een kippenhok staat. Het hok moet nieuw zijn, het kan daar niet lang staan als ik het nu voor de eerste keer zie. Er beweegt iets achter de planken. Iets wat geen kip is.
    Ik zet een beker karnemelk op de vensterbank, ik neem er slokjes van, en kauw er jonge knooflookspruiten en korst brood bij. Achter mij staat de radio zachtjes aan, soms wordt de precieze tijd gemeld. De middagtrein is al lang het station binnengerold, toch rommelt niemand met een sleutel aan een gevlochten leren bandje in het slot. Ach, deze mevrouw Ojnicza, deze mevrouw Ojnicza.
    Ik klim uit het raam, ik til het prikkeldraad van het hek op en kruip de tuin van de Mihálka-jongens in, ik kruip door het gras naar het kippenhok. Voor het hok kom ik overeind, en staar en staar naar binnen.
„Bent u het, kameraad Pinczés?"
„Niets zeggen," hoor ik de stem van de ruig behaarde man vanuit het hok.
„Uw baard is gegroeid, maar ik weet dat u het bent. Zij zoeken ook al naar u, kameraad Pinczés."
„Niets zeggen, ik smeek het u."
„Maar u bent het toch."
„Ga weg. Ga weg van hier, ik smeek het u," zegt de man vanuit het hok.
„Ik ga al," zeg ik, „het stinkt hier."
    Overdag komen er maar twee treinen aan. De ene ‘s morgens (die is al lang aangekomen), de andere tegen de avond. De dag gaat maar voorbij, voorbij, zonder nieuws, zonder de aardige gast, en het is al ver in de middag. Jammer, want ik heb gekookt voor vandaag: vleesloze koolsoep, met zwoerd, overvloedig met wilde tijm bestrooid. Nu neem ik zomaar een lepel van de koude soep, ik slik het door zonder brood, er kleven kleine gestolde vetplekjes op mijn verhemelte. Dan ga ik weer in het raam zitten, met mijn ellebogen op de vensterbank, en kijk in de tuin van de Mihálka-jongens. Daar zit kameraad Pinczés van de partij in een kippenhok, hij zit maar in zijn eigen uitwerpselen en wacht. Hij wacht tot hij gevoerd wordt.
    Ik kruip onder het hek door, ik kruip door het gras tot aan het kippenhok, daar kom ik overeind. De man zit in de hoek van het hok, in elkaar gedoken, hij slaat mij gade met een geschrokken blik vanachter zijn woeste baard. Er zitten veertjes in zijn baard, er zitten veertjes in zijn haren; wanneer er soms tranen over zijn gezicht stromen, brengen die daar stukjes stoffig stro in beweging. Naast hem een bruine, afbrokkelende hoop van zijn eigen vuil.
„En wat gebeurt er, kameraad Pinczés, als het gaat sneeuwen?", fluister ik tegen hem, zodat ik hem niet kwets met luide woorden. „Want winter bestaat er ook op de wereld."
„Ik smeek het u", snikt de man in het kippenhok, „ik smeek het u, ga weg van hier."
    Ik ga al, ik kruip op handen en voeten naar huis, zoals ik ben gekomen. Daarna zit ik in het raam, tot mijn ellebogen rood worden. Ook de avondtrein is al lang binnen, en ik denk steeds maar aan mevrouw Ojnicza, die vandaag niet is gekomen. En soms ook hieraan: inderdaad, wat gebeurt er, als het gaat sneeuwen?

Het gevoelvolle afscheid

Mevrouw Ojnicza vertrekt vandaag. Zij is een paar dagen geleden met goede berichten gekomen: mijn vader werd bijna vrijgelaten, en kreeg niet meer dan vijf en een half jaar gevangenisstraf. Een paar dagen lang zaten wij in de schemerige kamers, zonder schoenen, zodat onze bewegingen niet door overbodige geluiden werden begeleid. Hoewel zij helemaal geen fijn gebouwde, tere vrouw is maar eerder breed en warm, kan zij, als zij bij mij is, als het zachte briesje worden dat beweegt tussen de kamers als ik de deuren open, zij brengt verlichting op benauwde dagen.
    Nu bereidt ze zich somber voor op de reis, zij wist al haar sporen uit voor mijn ingebeelde bezoekers. Nu klinkt de drooglijn in de keuken, dan rinkelen schaartjes en pincetten onder de spiegel in de badkamer, zijden kousen fladderen geluidloos.
    Ik zit in het raam, met mijn rug naar die kwaadaardige voorbereiding, zodat mijn gast alleen blijft met alle zonden van haar vertrek. Ik zit precies zo, met mijn ellebogen die rood worden op de vensterbank, als wanneer ik de oude stoomlocomotief op het zijspoor bespied, hoe die boven op de helling, nadat hij de wissel bereikt heeft, plotseling stil wordt, en dan de trein binnentrekt, waar mevrouw Ojnicza uit stapt. Ik zit daar alsof ik op haar wacht, op haar die nu vertrekt.  
    Het station is niet ver weg: de opkrullende rails bij de verroeste buffers die het einde van het spoor aanduiden, de met onkruid begroeide sintelhopen die tot de tuinen komen.
„Geef mij uw arm, men ziet ons hier toch niet," fluistert mevrouw Ojnicza wanneer wij ons door de smalle straten naar de rails begeven. „Pak me beet, voor de laatste keer, u, kleine jongen."
„Nee," zeg ik. „Nu heb ik er geen zin in. U gaat toch weg."
„Raak mij even aan," fluistert mevrouw Ojnicza. „Plaats uw vingertop op mij en druk hem."
„Nee," zeg ik. „Ik geloof dat ik niet van u houd."
Wij zijn al ergens bij de achterkant van het station, tussen de roodachtige sintelhopen. Vlakbij op een zijspoor staat er een eenzame goederenwagon, de oude stoomlocomotief komt naderbij en maakt zich er voorzichtig aan vast. En toch, wanneer hij de wagon even aanstoot, begint er daar binnen een beest te loeien. Nee, niet een, zeker twee of drie. Er moeten drie leeuwen daar binnen zijn, zij maken een geluid als wanneer men verstopte afvoeren begint door te pompen. Mevrouw Ojnicza klemt zich aan mij vast.
„Is het waar wat u mij hier zegt?", vraagt zij.
„Ja," zeg ik. „Ik houd niet van u."
„Waarom bewegen wij ons dan zonder schoenen bij u? Wij bewegen ons als poezen."
„Dat is aangenaam voor mij," zeg ik. „Dat u daar ergens ligt en ik u onzichtbaar benader en u op elk moment kan aanraken. Ik vind zulke dingen prettig."
Voor de eerste klas wagon blijft mevrouw Ojnicza staan.
„Als ik nog een keer kom, zal ik kleine, zondige tekens bij u achterlaten. Die zal niemand weten te vinden, alleen degene die zo’n goede speurzin heeft als ik."
„Het zal goed zijn, als u weerkomt."
De goederenwagon met de leeuwen komt niet naar het einde van de trein maar hier, verder naar voren, tussen de eerste klas wagon en de locomotief. De beesten reizen niet graag, zij stommelen boos in het donker. Zij moeten al lang binnen zijn, hun stinkende vocht druppelt op het grind van het perron.
„Dan ga ik nu," zegt mevrouw Ojnicza.
„Ik zal op u wachten," zeg ik.
„Gaat u maar in het raam zitten," zegt mevrouw Ojnicza, „zoals u gewend bent. Leunt u maar op uw ellebogen tot zij lekker rood worden."
Zij staat aan het raam van de trein en zwijgt. Die grote katten worden ook stil, zij hebben zeker plaats genomen in de rijrichting. Ik kan ook naar huis gaan. Kameraad Pinczés wacht op zijn avondeten.

 

De stille val

Ik zit op het station, op een leeg transportkarretje en wacht op het vermoeid binnenrollen van de personentrein. Om twaalf uur ‘s middags heb ik een telegram gekregen van mevrouw Ojnicza: zij heeft zeer goede berichten, ik kan op haar rekenen. Het ziet er dus naar uit dat wij ons voor een paar dagen kunnen opsluiten in de grote, naar deeg ruikende kamer die uitkijkt op de tuin.
    Uit de tweede klas wagons stappen vrouwen in wijde rokken, leren hessen, met houten potten en gevlochten manden vol frambozen op hun rug, soldaten achter hen, boomhakkers en spoorwegarbeiders in gele pakken. Maar ik houd eigenlijk de eerste klas in de gaten.
    Mevrouw Ojnicza stapt deze middag niet uit de personentrein. Maar er komt wel een grote, blonde man met een bleek gelaat uit de eerste klas wagon. Jaja, ik denk dat dit kolonel Ojnicza is. Hij is al op het perron. Hij is lang, zeer blond en fors als een beer. Een grote, blonde beer. Hij kijkt boven de passagiers uit, hij besteedt geen aandacht aan degenen die voor het gebouw rondhangen, hij steekt de rails over, en alsof hij de weg goed kent, neemt hij de kortste weg onder de tuinen naar het Wilde Aardbeienstraatje. Waar ik woon.
    Ik sta op van het karretje en ga op een draf naar huis, nu moet ik thuis zijn. Ojnicza loopt daar voor mij, soms werpt hij een blik in de tuinen, naar de banken in het donkergroene gras die zwart zijn geworden door de regen, de krom getrokken tafelbladen, en naar degenen die nu uit het raam kijken. Hij kijkt ook in mijn tuin, blikt op het huisnummer en, zonder bang te zijn voor de hond, loopt hij rustig naar de veranda. Hij trekt twee keer aan de bel. Ik ben nog niet thuis, er is niemand die de deur voor hem kan openen. Ojnicza loopt langzaam de straat op, hij besteedt geen aandacht aan mij, hij gaat tegenover mijn poort op de rand van een stenen hek zitten.
     Op het moment dat ik op de veranda sta en de sleutel in het slot steek, voel ik de okselreuk en de bedompte warmte van die reusachtige man voor de deur, en zijn hard kloppende blik op mijn achterhoofd. Ik sluit de deur snel achter mij, hoewel hij straks toch weer twee keer aan de bel zal trekken. Als hij zou zeggen: nu scheur ik u in stukken, zou ik hem antwoorden: nee, u mag zoiets niet doen, kameraad.
    Er wordt twee keer aan de bel getrokken. Daar staat Ojnicza met de drukkende hitte van zijn bleke lichaam. Ik reik tot aan zijn oksels.
„Mag ik binnenkomen?", vraagt hij.
„Alstublieft," zeg ik.
„Zal ik me voorstellen?"
„Nee," zeg ik.
Ojnicza is in de kamer, die ook nu nog groenig schemert in het licht van de namiddag, hij loopt naar het raam en doet het dicht.
„Het tocht," zegt hij, zodat ik begrijp wat er gebeurt.
Ik zie het gele watje in zijn oor. Ik zie ook dat de stoel waarop hij gaat zitten te klein is voor hem, maar ik kan niet zeggen: neem er nog een, alstublieft. Daar zit hij maar, op een bil, draait met zijn hoofd en kijkt rond. Misschien verbaast hij zich over mijn smalle bed.
„Wat is uw beroep?", bromt hij.
„Ik ben bladmuziekkopiist," zeg ik.
„Wat is dat nou."
„Iemand zit en kopieert een blad muziek," leg ik uit.
Ojnicza zwijgt hierop, hij kijkt alleen maar, hij kijkt naar mijn gezicht, een beetje onderzoekend. Misschien zou ik het moeten herhalen: „Iemand zit en kopieert een blad muziek." Maar ik zwijg.
Ojnicza maakt een wegwuivend gebaar. De rug van zijn hand is wit, met roodbruine sproeten en dikke, rode haren.
„Ik ben kolonel," zegt hij.
„Dus majoor," zeg ik bereidwillig, en knik.
„Nee," zegt kolonel Ojnicza. „Geen majoor. Kolonel." Hij werpt een blik op mij, en maakt opnieuw een wegwuivend gebaar.
„Een kopje thee," zeg ik. Ik spring op en haast me naar de keuken. Ik zet het theewater op, ik loer naar de blauwe gasvlam onder de gedeukte ketel, ik loer naar de eerste bubbels. Ojnicza daar binnen beweegt niet, hij zit met een bil op die kleine stoel. Wanneer het water kookt, hang ik het thee-ei erin, en wacht tot het water bruin wordt. Ik giet het in een beker, zet die op een blad en zet het voor Ojnicza op de tafel. Ik duw de suikerpot naast de beker. Ik kijk naar de beker, kolonel Ojnicza naar mij, met zijn hoofd een beetje opzij. Opeens staat hij op.
„Nou, het maakt niet uit," zegt hij half zuchtend, en maakt een wegwuivend gebaar. Hij stapt de gang in, en wacht tot ik de deur voor hem open doe.
„Dus ik hoef me niet voor te stellen. Wel?"
„Nee."
„Goed dan," en hij zet zich in beweging. Hij loopt door de hof, over het met grint bestrooide pad, stapt door de poort, hij begeeft zich naar rechts, op de kortste weg naar het station.
    Ik zoek het versleten boodschappennet, ik doe er twee hemden in, twee onderbroeken, twee paar sokken en mijn schaatsmuts. Zoveel zal ik zeker mee mogen nemen.
    Dan breek ik een suikerklontje in tweeën en doe het in de onaangeraakte thee van kolonel Ojnicza. Ik pak een klein flesje uit de kast, van mijn borrelvoorraad, ik ruik er aan, en giet het bij de thee tot de rand van de beker. Ik zal het straks opdrinken.

(c) Ádám Bodor, (c) vertaling Anikó Daróczi / Ellen Hennink