


|
 |
Antal Szerb
Tamas Balogh
Antal Szerb aan wie een zekere neiging tot
zwendelarij niet vreemd was, kreeg het etiket 'homo ludens' door zijn recensenten al
opgeplakt nog voordat Huizinga's boek verscheen. Szerbs half verdrongen verlangen naar een
academische loopbaan en zijn gebrek aan geld (en tijd) hebben evenwel een duidelijk
stempel op zijn werken gedrukt. De zin waarmee Szerb Huizinga's Homo Ludens aanduidde,
spreekt voor zich: 'Zijn these mag op het eerste gezicht verrassend, zelfs 'speels' lijken
- de reeks voorbeelden en betogen in de dikke bundel stemt de lezer tot nadenken.'
Kluchtigheid en academisme gaan in Szerbs werken altijd een merkwaardige verbintenis aan.
In zijn recensie hecht Szerb veel belang aan het feit dat
Huizinga zich o.m. ook op een studie van de Hongaarse religievorser Kerényi beroept. Dit
valt op omdat Keréyi's opvatting van 'het feest' en zijn sleutelterm 'Ergriffenheit' aan
Frobenius' boek Kulturgeschichte Afrikas schatplichtig waren; een boek dat Huizinga vaak
citeert, maar dat Szerb niet eens vermeldt. Kerényi was niet alleen de oudere vriend,
maar met zijn excentrieke leer en taalgebruik ook de leermeester en het idool van Szerb.
(Huizinga kende overigens Kerényi persoonlijk, ze zaten samen in een auto toen de
gedelegeerden van het CICI-congres in Budapest een uitstapje maakten naar de
overblijfselen van het middeleeuwse koninklijke paleis in Esztergom).
Er is nog een denker die Szerb niet bij naam noemt en wiens invloed in de recensie aanwijsbaar is: Oswald Spengler, die Szerbs
lievelingsauteur was. In Szerbs ogen vertoonde de moderne tijd de kenmerken van een
neergangsperiode zoals Spengler die begrijpt.
Szerb lijkt niet alleen vluchtig geschreven te hebben - de recensie
eindigt nogal abrupt -, maar heeft ook een beetje oppervlakkig gelezen. Hij citeert vooral
de anekdotische feiten die hem blijkens zijn literatuurgeschiedenis en andere werken zeer
dierbaar waren. Soms verdraait hij de verhalen bewust of onbewust een beetje om ze
kluchtiger te maken. Daarvan is de beschrijving van de Potlatch een goed voorbeeld. De
Potlatch is een ceremonie waarbij de ene stam aan een andere stam al zijn bezittingen
wegschenkt. Maar door de uitnodiging voor het feest aan te nemen, is de andere stam een
Potlatch op nog grotere schaal verschuldigd, haar naam en eer hangt daarvan af. Volgens
Huizinga is 'de berekening van voordeel, de verwerving van nuttige goederen' helemaal
vreemd aan het wezen van dit ritueel. Het lijkt alsof Szerb - die de indruk maakt een door
en door modern, ontnuchterd mens te zijn geweest - dat niet kon begrijpen of althans
waarderen. In Huizinga's boek voelen de eerdere gasten zich verplicht de gastvrijheid te
reciproceren - anders zouden zij hun eer verliezen -, terwijl in Szerbs
tekst de ene stam de andere stam soms opzoekt om van haar gastvrijheid te genieten, en
de ontvangende stam zo spoedig mogelijk op tegenbezoek gaat om het verlies van de
weggeschonken goederen goed te maken.
|
|