Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Dwaalspoor

Jetteke van Wijk

Die maandag miste Barto Telman voor het eerst van zijn leven de trein. Dat ontwrichtte hem, want hij was ruimschoots op tijd van huis vertrokken en had zeker niet langzamer gelopen dan anders. Sterker: bij aankomst op het perron had zijn horloge hem zelfs nog vier minuten en 23 seconden respijt gegeven. Maar de stationsklok bepaalde onverbiddelijk dat de trein van 08.31 al vertrokken had moeten zijn, en de aankondiging voor de 08.46 draaide voor zijn ogen reeds ratelend het mededelingenbord op. De perronchef, de koffieverkoper, en een medereiziger met een hoed bevestigden allen dat er van vergissing hier geen sprake kon zijn.
    Nooit eerder was Barto ergens te laat gekomen, en de ervaring had op hem een bevreemdend effect. In gedachten voelde hij zich zitten in zijn vaste coupé op zijn vaste plaats bij het raam in een langssuizend landschap op een punt tussen huis en werk, net als iedere andere doordeweekse ochtend om 08.39. Fysiek vond hij zichzelf evenwel rusteloos op en neer lopend langs het spoor, alsof hij zichzelf met de kracht van zijn concentratievermogen door tijd en ruimte zou kunnen verplaatsen naar het tableau dat hij schetste in zijn geest. Alsof de volgende trein zich middels telekinese zou laten dwingen eerder het perron binnen te rijden om zijn voorganger na een snelheidsspurt alsnog halverwege in te halen.
    Zijn zenuwen geboden hem de aandacht op iets anders te vestigen, en wippend van het ene been op het andere bestudeerde hij het sierlijk gekrulde ijzerwerk dat hij altijd voor kennisgeving had aangenomen, de Jugendstil-plaketten gemetseld in de muur, en de kleurige reklameposters die verschenen en verdwenen met het langsdenderen van de treinen. Plotseling viel hem op hoe de perrons krioelden met een verscheidenheid aan passagiers, en hoe deze zich bij het instappen stelselmatig opstelden in de vorm van de standaardcurve uit zijn handboek statistiek: ongeacht het feit dat de voorste en achterste treinstellen de meeste vrije plaatsen hadden, stond de grootste hoeveelheid keer op keer voor het toch al overbezette middelste gedeelte van de trein, en liep de menselijke curve altijd via een perfecte klokvormige ronding geleidelijk naar de beide uiteinden af.
    Voor het eerst zag hij nu ook pas echt de plaatselijke zwerver, tot vandaag voor hem niet meer dan het te negeren geluid van irritant rondrammelend kleingeld in een door vuile vingers omklemd koffiebekertje. Slapend tegen een pui leek hij jonger dan Barto hem had ingeschat; bijna van zijn eigen leeftijd zelfs. Tientallen gehaaste passagiers stapten met grote passen over zijn uitgestrekte benen, en tientallen al even gehaaste anderen weken nog juist op het laatste moment uit voor zijn omhoogstekende voeten. Rondom de zwerver zelf, hoofd op de rechterschouder gezakt en het koffiebekertje wankel rustend op zijn schoot, hing echter een aura van sereniteit.
    ,,De enige persoon op het station wiens leven niet wordt beheerst door het verglijden van de tijd’’, dacht Barto terwijl de trein langzaam het perron uitreed, en staarde het tafereel na tot lang nadat het uitzicht was veranderd in weilanden en sloten. Nerveus als hij was over het onvermijdelijke te laat zijn, zag hij zichzelf toch onverwacht glimlachen in de spiegeling van het raam.

Barto besloot zo stoïcijns als maar mogelijk zijn entree te maken op kantoor. De presentatie stond pas voor half elf, het kwartier kon rustig na werktijd nog worden ingehaald, en alles was al een week geleden door hem tot in de puntjes voorbereid. Hij betrad zijn afdeling met vastberaden tred en liet de starende blikken van zijn donkere pak afglijden met een air van geveinsde zelfverzekerdheid. Hij hing zijn jasje over zijn stoel, legde zijn attachékoffer op het bureau, en knipte de glimmende sloten simultaan open. Het dossier uit het bovenvak plaatste hij centraal op het tafelblad, zij het zorgvuldig volgens de regels van de gulden snede; de benedenkant van de map op een strook van 1/3 breedte verwijderd van de benedenrand van het bureau, de bovenkant op een strook van 2/3 van de bovenrand. Vervolgens haalde hij zijn koffiemok uit de lade en baande zich een weg door de spiedende ogenzee naar de andere kant van het lokaal.
    Blik star op het einddoel gericht en schoenen afgemeten doorstappend richting de machine, linkerhand quasi-losjes in de zak van zijn pantalon, zette hij koers naar de drankenautomaat. Hij was echter nog niet halverwege, toen hij plotseling de matglazen deur van het directiekantoor met een klap hoorde openzwaaien in zijn richting. Direct daarop werd het portaal volledig opgevuld met de uitpuilende verschijning van zijn baas.
    Even hield Barto zijn pas in. Het trof hem hoeveel ouder de bedrijfsleider in de loop der tijd geworden was. De drie stroken haar die het kalen van zijn hoofd als camouflage moesten verhullen voor de buitenwereld waren dunner dan ooit tevoren. Zijn oren staken als donkerrode paddestoelen naar buiten uit een wirwar van grijzend mos. Zijn ogen stonden afgemat en over zijn huid hing een grauwsluier. En juist op de dag van de presentatie van het project dat de toekomst moest bepalen van de firma, had zijn baas met onmiskenbaar gevoel voor flair een das uitgekozen met een patroon van reusachtige, felgekleurde en zijn rondingen accentuerende sinaasappelen die met volle overtuigingskracht detoneerden bij zijn purper aangelopen gelaat. Hij kon alleen maar hopen dat de verlichting in de vergaderzaal gedempt genoeg zou zijn om de aandacht van de cliënten af te leiden van deze wanstaltige vertoning.
    In de deuropening kruiste zijn baas zijn armen. ,,Zo, meneer Telman’’, zei hij met een stem die droop van het cynisme. ,,Ook maar weer eens op kantoor?’’.
    Een oorverdovende stilte daalde neer over de afdeling.
    Barto opende zijn mond om antwoord te geven op de hem gestelde vraag, maar een prangende blik van de kant van zijn baas dwong hem plaats te nemen in de directiekamer. Hij koos ervoor van de gelegenheid gebruik te maken om alle aspecten van de presentatie vast door te nemen, hopend zo de kwestie van zijn vijftien minuten verlating kundig te omzeilen. Minutieus maakte hij zijn baas deelgenoot van zijn inzichten, overwegingen en strategieën. Vervolgens ging hij achterover zitten en wachtte op de gebruikelijke complimenten over zijn grondige voorbereiding. Maar hij stuitte slechts op een koude blik.
    ,,Telman’’, zei zijn baas. ,,Je bent ontslagen’’. En hij voegde daaraan toe dat het hem überhaupt verbaasde dat zijn employé, na een volle week van afwezigheid zonder opgaaf van reden, doodleuk weer het bedrijf durfde binnen te stappen om alsnog de bijzonderheden van een gemiste presentatie te bespreken.

Barto was verbijsterd. Hij checkte tot drie keer toe de datum in zijn zakagenda, maar vond geen enkele onrechtmatigheid. En zelfs als hij de presentatie per ongeluk had opgeschreven voor de verkeerde week, dan nog kon hij deze onmogelijk hebben gemist. Hij had geen ziektedag meer opgenomen sinds hij in de vijfde klas lagere school geveld was geraakt door de waterpokken, en zittend aan zijn bureau zou het hem dan toch moeilijk hebben kunnen ontgaan wanneer iedereen opeens was vertrokken naar de vergaderzaal. Ongeacht of ze hem nu gewaarschuwd zouden hebben of niet.
    Tegenspraak, zoveel was duidelijk, werd in dit stadium echter niet geduld. Hij deed zijn das recht, trok zijn overhemd vrij van plooien, en knikte zijn baas goedendag. Zijn collega’s, redeneerde hij bij het verlaten van het directiekantoor, zouden hem zeker bijvallen bij het corrigeren van de nieuwste miskleun van het management. En zijn baas zou manmoedig zijn excuus moeten maken ten overstaande van de hele afdeling.
    Hij sloot de deur met aandacht achter zich, en zag in het matglas hoe alle blikken nog steeds gericht waren op hem. Zodra hij zich evenwel omdraaide, leek iedereen druk aan het werk. Hij streek zijn haren in model, plaatste zijn linkerhand weer losjes in de pantalon, en voegde zich bij het vierde bureau aan de raamkant.
    ,,Het is vandaag de veertiende’’, meldde hij de desbetreffende ambtgenoot ten overvloede. ,,Was de presentatie op de zevende?’’
    ,,De presentatie’’, zei zijn collega zonder op te kijken, ,,was de veertiende’’.
    Een gevoel van opperste triomf trok door Barto’s lichaam. Hij stond op het punt om de rest van de afdeling met parmantig deelgenoot te maken van het juist gevoerde gesprek met hun directeur, toen een dwingend vingergetik hem nog juist weerhield. Zijn collega, observeerde hij, tapte repeterend het kalenderblad aan op de schrijftafel. `Maandag’, stond er in zes verschillende talen. En daarnaast: 21.
    Onthutst keek hij om zich heen, maar het oordeel was eenduidig. Op alle bureaus en op alle muren wezen de kalenders de 21ste aan. Ieder horloge voegde zich bij deze datum. Zelfs de kranten die sommigen hadden meegenomen naar het kantoor meldden het nieuws te brengen van de 21ste.
    Hij liep terug naar zijn eigen bureau om rustig zijn gedachten te kunnen ordenen. Er moest, redeneerde hij, sprake zijn van een grootse samenzwering. Weken, zo niet maanden, hadden zijn collega’s gewacht op het juiste moment om hem geestelijk uit balans te brengen, om hem te laten denken dat hij een week van zijn leven was verloren, dat hij had gefaald, dat hij met recht en reden was ontslagen. Een operatie uitgevoerd met militaire precisie was het; een enkel vergeten kalenderblad, een verkeerde krant, een minuscuul gebrek in de communicatie had de hele actie kunnen ondermijnen. De door de collega’s gevoelde nijd bleek evenwel zo diepgeworteld dat niemand zich een dergelijke slordigheid had durven permitteren. Als de employés van het bedrijf eenzelfde toewijding en precisie zouden tonen bij het uitvoeren van hun werkelijke taken, dan zou het peil van hun arbeid een stuk dichter bij het zijne liggen.
    Barto schrok op door het geluid van keelgeschraap aan zijn linkerzijde. Een onbekende jongeman in pak draalde zenuwachtig naast hem met een beker koffie in de hand.
    ,,U zit op mijn plek, meneer Telman’’, zei hij met onvaste stem. ,,Maar als u uw spullen zoekt: die hebben we vorige week al in een doos op de administratie gezet’’.
    Het was, zo moest Barto toegeven, een subtiele laatste toets om zijn zogenaamde vervanger op deze wijze als een deus ex machina het kantoor te laten betreden. Maar niet subtiel genoeg.
    `Zodra ik thuis ben, maak ik er werk van’, dacht hij grimmig. Dat zou ze leren.

Vitrages bewogen links en rechts toen Barto nog voor het middaguur weer zijn straat in liep. Inwendig snoof hij geërgerd. Niemand in zijn keurige nieuwbouwwijk, zo realiseerde hij zich, kende zijn voornaam, wist waar hij werkte of wat zijn vak was. Iedereen, daarentegen, leek precies te weten wanneer hij thuis diende te komen, en zelfs de kleinste breuk met het patroon bleef niet onopgemerkt in de buurt.
    ‘Denk aan Geraldine’, dwong hij zichzelf. Ge-ral-di-ne, klonken zijn voetstappen. Ge-ral-di-ne, Ge-ral-di-ne, Ge-ral-di-ne. In zijn gedachten schoven ze al aan bij het romantische theaterdiner in de balzaal, reeds maanden uitverkocht, waar hij haar vanavond ten huwelijk vragen zou. De champagne was besteld, de ring brandde in zijn zak, het aanzoek lag hem op de lippen.
    Ge-ral-de-di-ne, hoorde hij even een lichte huppel door zijn pas. Maar plotseling bedacht hij zich dat hij ontslagen was. Geraldine verdiende een betere timing dan dat. Misschien zou ze hem afwijzen. Misschien zou ze alleen maar accepteren uit een misplaatst gevoel van medelijden. Misschien, bedacht hij terwijl hij het tegelpad naar zijn huis betrad, moest hij het aanzoek uitstellen tot de zaak op orde was gebracht; lang kon dat immers nooit duren.
    Midden in een ‘di’ bleef zijn blik hangen op de stenen. Het pad, dat hij vorige week nog had ontdaan van alle onkruid, leek overwoekerd met mos en met paardebloemen die van de ene dag op de andere de kop hadden opgestoken. Het moest het seizoen zijn, redeneerde hij tenslotte; alle zon en regen van de laatste dagen hadden ongetwijfeld geleid tot een groeispurt van het gewas. Hij haalde zijn sleutel uit zijn zak en knikte even naar de buurvrouw voor het raam. Ze leek hem strak aan te kijken, maar ging zodanig op in een telefoongesprek vol ernstige fronsen en knikjes dat ze hem niet te bemerken scheen.
    De voordeur klemde, en Barto moest met zijn volle gewicht enkele malen tegen de klink hangen om zichzelf door een spleet naar binnen te kunnen wurmen. De oorzaak werd hem snel duidelijk: de mat lag bezaaid met kranten en post. Kennelijk had de bezorger van het Stadsblad zich gewroken voor de uitbrander van veertien dagen geleden, toen Barto hem had aangesproken op het feit dat hij de gratis weekkrant altijd slordig half uit de brievenbusklep liet hangen. En niet alleen had de krantenbezorger deze week tientallen extra edities door de deur geduwd, ook de postbode leek zich bij de actie te hebben aangesloten en had wat voldoende brieven leken voor de hele wijk bezorgd bij het huis met het schildje `Telman’ naast de deur.
    Uitgestreken stapte Barto over de papierstapel heen. Later zou hij zijn beklag doen over het kinderachtige gedrag van de krantenjongen en de posterijen. Eerst moest hij evenwel zijn voormalige collega’s met gelijke munt betalen door royaal de vuile bedrijfswas buiten te hangen. Hij pakte het telefoonboek en draaide het nummer van de grootste regionale krant.
    De redactiesecretaresse bezat een uitermate vriendelijke stem, vooral nadat hij de naam had genoemd van zijn baas en het bedrijf. ,,Ik heb belangrijke informatie’’, voegde hij er gewichtig aan toe. Hij bood zijn gegevens ter notitie aan, en kreeg te horen dat hij direct zou worden teruggebeld zodra de journalist die over dit soort zaken schreef weer terug was op de krant.
    Dat gaf hem tijd om de hele postkwestie op orde te brengen. Hij scheidde in de hal de brieven van de kranten en begon te sorteren om een beter inzicht te krijgen in de omvang van de actie. Drieënzeventig enveloppen telde hij. Maar geen van de drieënzeventig enveloppen droeg een andere naam dan de zijne. Hij sneed ieder poststuk open met een verzilverd zakmesje en ordende de inhoud naar rubriek. Door zijn handen gingen rekeningen en aanmaningen, automatische betalingen die niet waren verricht, brieven van de bank, een verzoek zich te melden bij een bedrijfsarts die hem niet thuis gevonden had, een deurwaardersbevel, een nota voor een gemist theaterdiner, en giroafschriften die bij gebrek aan inkomsten diep in het rood waren weggezakt. En alsof alle computers in de stad volledig op hol waren geslagen, lagen de poststempels en data ook nog eens ver in de toekomst.
    Barto wist niet waar hij moest beginnen en wat hij precies moest doen. Neerzakkend in de stoel naast de telefoon probeerde hij langzaam het overzicht terug te krijgen over het leven dat hem die ochtend nog zo georganiseerd had toegeschenen. Niet alleen hadden zijn kantoor en de posterijen zich tegen hem gekeerd, maar ook alle ambtelijke instellingen in de stad bleken direct betrokken bij het komplot. Hoeveel collectieve haat moest men jegens hem koesteren om een project van deze omvang op poten te willen zetten? Alleen al het kostenplaatje duizelde hem; zelfs de stadsbladen op zijn deurmat waren alle aparte edities geweest, ieder met nieuwe artikelen en andere advertenties om de schijn van de geveinsde realiteit tot in de details staande te kunnen houden.
    Wel: chapeau.

Pas na drie keer rinkelen realiseerde hij zich dat de telefoon ging. Hij nam op en vond aan de andere kant van de lijn een journalist die, high van de adrenaline, na een excuus voor het late terugbellen een spervuur aan vragen op hem opende. Kon hij mogelijk meer licht werpen op de nooit opgeklaarde motivaties achter de zelfmoord van zijn voormalige baas? Wist hij iets over de ondergang van het bedrijf? Welke werknemer had het misgelopen project onder zijn hoede gehad, waarmee het toch allemaal was begonnen?
    Een koude tinteling trok door Barto’s vingers, en hij voelde zijn hand verstijven om de hoorn. Eer hij echter op de woorden van de verslaggever reageren kon, viel de lijn dood. Zelfs de kiestoon bleek niet meer te krijgen. Pro forma rammelde hij nog een paar keer op de haak, maar hij realiseerde zich terdege dat die methode alleen in films leek te werken.
    Veel tijd om na te denken over de technische kuren van zijn telefoon had hij echter niet. Voor zijn huis, zag hij opeens, timmerde een man een ‘Te Koop’-bordje in de grond. Hij liep naar de deur en vroeg de ongenode gast waar hij eigenlijk dacht mee bezig te zijn. Het antwoord ontging hem, omdat plotseling allerlei andere personen via de geopende voordeur zijn huis betraden. De eerste begon de waarde op te nemen van alle aanwezige spullen. De volgende stapelde de aangewezen artikelen op een kar en reed ze een vrachtwagen in. Een derde overhandigde hem een verordening voor de rechtbank te verschijnen wegens openstaande schulden. En zo vormde de rij zich tot tenminste het einde van de straat.
    Barto vluchtte naar de keuken. Hij legde zijn hoofd in de koele gootsteen, richtte de kraan op het kuiltje zijn nek en draaide het koude water open.
    Niets.
    ,,Het water is afgesloten hoor’’, riep iemand die bezig was het gasfornuis te demonteren. ,,Onbetaalde rekeningen. Het moet een beest zijn geweest dat hier woonde’’.
    Langzaam tilde Barto zijn hoofd weer omhoog. ,,O ja?’’, probeerde hij met voorgewende nonchalance.
    Op hemzelf kwam het weinig overtuigend over. De ander greep de woorden echter dankbaar aan als aanmoediging meer van zijn kennis wereldkundig te maken.
    ,,Ik hoor ook dat de politie al naar hem zoekt’’, vervolgde de stem gedempt. ,,Kwam niet opdagen bij een rechtszaak of iets dergelijks. Wat denk je?’’. Een moersleutel tikte op de keukenvloer. ,,Een paar lijken onder het beton?’’
    Barto produceerde een vage mompelklank, liep zo onopvallend mogelijk naar de keukendeur en draaide deze geluidloos van het slot. In de verte klonk reeds het geluid van rap naderende politie-sirenes. En juist toen hij via de achterkant het huis uitslipte, kwamen scheurende banden tot stilstand in zijn straat.

Niet veel later zag hij alleen nog maar de punten van zijn schoenen rennen door de stad. Hij wist niet precies waar hij heen moest, maar onbewust zette hij koers voor het huis van Geraldine. Geraldine zou hem opvangen en begrijpen. Geraldine zou de nachtmerrie doen verdwijnen. Geraldine zou van hem houden ongeacht of hij nu rijk was of arm, vrij of vervolgd, werkloos of een carrièrejager. Geraldine was hem trouw.
    Onder hem zag hij de grijsbetonnen treden verschijnen die leidden naar de deur van zijn bijna-verloofde. Zijn voetstappen dreunden, galmden en echoden door het portiek toen hij omhoog rende naar de derde verdieping. Hoe de andere bewoners over deze akoestische inbreuk zouden oordelen, kon hem vandaag maar weinig schelen. Zelfs de honden die zijn komst vanachter onbekende deuren aankondigden door deel te nemen aan de kakofonie, deden hem niets.
    Hijgend en zwetend arriveerde hij bij de flat van Geraldine. Hij stortte zich op de bel. Een doordringend schel geluid kliefde door het portiek. Links en rechts en boven en beneden nam het woedend geblaf bloeddorstige vormen aan, en nagels piepten over linoleumvloeren als eigenaren hun honden weg probeerden te slepen bij de deuren. Barto wist zijn vinger los te weken van de bel, maar zag zichzelf direct daarop met beide handpalmen timmeren op de deur als de eerste de beste primitieveling. Hij stond zelfs op het punt luid ‘Geraldine’ te roepen, maar een gemorrel van kettingen en sleutels wist hem nog net op tijd te weerhouden. De deur werd met een zachte ruk geopend tot een kier.
    ,,Zo’’, sprak een kille stem achter het blauwgeschilderde hout. ,,Ben je daar dan eindelijk’’.
    Barto wist niet wat hij zag. Zes dagen geleden was Geraldines moeder nog een gesoigneerde, fiere vrouw geweest van middelbare leeftijd. Nu had ze broos grijs haar, een door ontkalking getekend postuur, een slechtzittend kunstgebit, en een wandelstok om haarzelf staande te houden. Tientallen vragen schoten door zijn hoofd. Uiteindelijk besloot hij zich echter tot de hoofdzaak te beperken.
    ,,Kan ik Geraldine spreken?’’, vroeg hij.
    Zijn verzoek bracht een ongekende reactie teweeg van spottende tonen en, naar het leek, onderdrukt gebries. Binnen enkele seconden wist Geraldines moeder evenwel haar houding te hervinden, en met haar doordringend blauwe ogen keek ze hem strak aan.
    ,,Dus jij’’, zei ze afgemeten, ,,wilt Geraldine spreken’’.
    Barto knikte geestdriftig, hopend op een glimlach en een uitnodiging over de drempel te stappen. Geraldines moeder ging echter geen stap opzij, en haar mondhoeken verkrampten zich vastberaden.
    ,,Dus:’’, stelde ze, ,,Je laat haar zitten op de avond dat je haar ten huwelijk vragen zou. Je laat niets van je horen in de weken die volgen. Je verdwijnt van de aardbodem. Je bedrijf gaat failliet. De politie doet een inval in je huis. En nu sta je hier ijskoud voor de deur en wil je Geraldine spreken? Heb je enig idee hoe lang het heeft geduurd eer ze over je heen was? Het was pas nadat de politie je keukenvloer openbrak op zoek naar lijken dat ze verder kon met haar leven. Dat ze de illusie liet varen dat je iets verschrikkelijks overkomen was. Dat ze zag wie je werkelijk was. En nu wil jij alles overhoop halen door hier domweg aan te bellen? Ze is getrouwd, meneer Telman. Ze heeft vier kinderen en een echtgenoot die meer man is in zijn pink dan jij in je hele lichaam. En als de aanklacht niet al heel lang geleden was verjaard, dan zou ik nu de politie bellen en je laten arresteren. Goedemiddag’’.
    Met een klap gleed de deur weer in het slot.

Barto Telman wist niet hoe hij weer buiten was gekomen, noch waar hij heen moest gaan. Hij volgde slechts zijn voeten, dwalend door zijn stad als een vreemdeling die alles voor het eerst op het netvlies ving. Weilanden waren volgebouwd met bedrijven, huizenwijken hadden plaatsgemaakt voor winkelcentra. Het park, waar hij twee dagen geleden nog picknickte met Geraldine, bleek een snelweg. Waar ooit de sterrenwacht stond, was nu een sportcomplex verrezen.
    Niet langer wist hij of het dag was of nacht, vroeg of laat, of hij zich jong moest voelen of oud. Om hem heen leek de tijd op hol geslagen, en alleen hij was hierdoor onaangetast gebleven. Langzaam daagde het hem dat zijn toekomst voor de rest van de wereld reeds ver in het verleden lag.
    Het kostte hem vele omzwervingen een plek te ontdekken die hij vaag nog kende. Om hem heen stroomden de mensenmassa’s van en naar hun onderscheidelijke bestemmingen. Niemand leek hem echter te bemerken, en zijn woorden werden genegeerd.
    Het deerde hem weinig. Hij vond een pui om zijn vermoeide lichaam tegenaan te rusten en voelde zich in loomheid wegzakken. Nog net werd hij gewaar hoe een onberispelijk geklede treinpassagier hem aankeek door het raam van een wegrijdende intercity. Heel even deed de man hem denken aan de persoon die hij meende ooit te zijn geweest.

(c) Jetteke van Wijk