Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Funs, of de mooiste dag van mijn leven

Christophe Vekeman

I.
We reden gewoon maar wat rond door de stad, ik aan het stuur, er viel niets te beleven, toen Dustman plotsklaps zei dat hij d’r stilletjes aan genoeg van kreeg. Ik dacht eerst dat hij gewoon terug naar het bureau wilde keren, de hoop op actie was mij zelf immers ook al beginnen vergaan, maar dat bedoelde hij niet, zei hij: ‘Ik word oud, Funs. Het wordt tijd voor wat anders.’
Ik vroeg nog eens wat hij in feite wou zeggen, maar ik had het wel degelijk al begrepen, natuurlijk. Ik keek hem van terzijde aan. Hij zag er inderdaad geen kuiken meer uit: waren de groeven in zijn voorhoofd lijnen coke geweest, je had er een week lang mee op de been kunnen blijven; de stugge stoppels waar zijn halve gezicht mee bezaaid was, waren zo dik maar vooral zo wit als gepelde rijstkorrels; het vel onder zijn kin leek wel van zeemleder.
Toch was ik geschrokken van wat hij gezegd had, net als van de toon waarop, die mij duidelijk maakte dat hij het meende.
‘Ga je ontslag vragen of wat ?’
Hij stak zijn hand op alsof hij me groette. ‘Ik ga ermee stoppen, Funs. En dat is alles wat ik weet.’
‘Wel, godverdomme.’
‘Ik word oud, Funs. Ik heb het gehad. Ik ben zowat tien jaar ouder dan jij.’
‘Twaalf,’ zei ik. ‘En wat dan nog ?’
‘Ik kan jullie niet meer volgen, Funs. Ik word te traag. Iederéén ziet het. Ik heb zelfs soms het gevoel dat ik in de gaten gehouden word door de rest. Er schuilt meewarigheid in hun blikken. Ik spreek niet over jou, en trouwens, ik neem het hen ook niet kwalijk. ‘t Is goedbedoeld en logisch. Het ligt simpelweg aan mijn leeftijd. Ik ben zowat de nestor van de groep inmiddels.’
‘Onzin. Spasski is er bijna vijftig, schat ik.’
‘Spasski is eenendertig,’ zei Dustman.
‘Echt waar ? Shit. Weet je dat zeker ?’
‘Zeker.’
Hij zweeg en keek door ‘t raampje aan zijn kant naar buiten, waar geen hond viel te bekennen.
‘Sorry,’ zei ik. ‘Het zijn mijn zaken niet. Als het nou eenmaal jouw beslissing is…’
‘Ja,’ zei Dustman.
‘Heb je al… Enfin, wie weet er verder nog dat je…’
‘Ik wou het eerst aan jou vertellen.’
Ik knikte, en daarna bedankte ik hem. En daarna zetten wij de wagen aan de kant en schaften ons een fles aan in een nachtwinkel die uitgebaat werd door een smack dealende Zimbabwees die schrok toen Dustman wou betalen, en hand en tand in de strijd gooide om zijn weigering geld aan te nemen kracht bij te zetten (‘Niet nodig, nee, gratis, ja, gratis voor u!’) maar Dustman stond erop voor deze keer en sprak van een erg speciale gelegenheid en moest ten slotte zelfs zijn pistool tonen eer de nikker het geld wou aanvaarden ; en daarna kropen wij terug in de combi en dronken gulzig, beurtelings toostend op Dustmans verleden en op mijn toekomst, en Dustman zei: ‘Dit is toch eens iets anders’, al was het net dezelfde gin als altijd.
Toen ik om half zeven ‘s ochtends thuiskwam, had ik mijn kalmste nacht sinds maanden achter de rug; ondanks de gin was Dustman niet echt losgekomen of in de stemming geraakt voor geintjes of zelfs maar om de dingen te doen waarvoor wij tenslotte toch werden betaald, maar had integendeel ervoor gekozen om in een doodse straat aan de rand van de stad, in een buurt waar zelden iets gebeurt en waar de mensen zich ‘s nachts slapend voorbereiden op de zoveelste dag van morgen, - om in zo’n ultralullig straatje dus aan de juiste kant van de overgordijnen de motor af te zetten en melancholisch-ga-weg doorheen de voorruit te gaan zitten staren, of beter nog : náár de voorruit, waar de druppels langs omlaag slenterden, want algauw was ‘t begonnen te regenen… We hadden niet veel meer gepraat, want er viel niet veel meer te zeggen. Het leek of Dustman tegenover mij maar misschien ook zichzelf had willen bewijzen dat hij ‘t wel degelijk bij het rechte eind had met zijn beslissing, en dat zijn zelfperceptie volop strookte met de enige, treurige waarheid : hij toonde zich traag, zeg maar sloom, duf, saai en opgebrand; misschien wel wou hij mij, zijn vaste partner, eenvoudig troosten door de pijn van het nakende afscheid een weinig te proberen temperen.
Indien zo, dan moet ik zeggen dat hij briovol geslaagd was in zijn opzet, want toen ik om inmiddels kwart voor zeven ‘s ochtends een paar eitjes stond te bakken in de keuken was ik, denkend aan de voorbije nacht, haast blij dat ik snel van hem af zou wezen. Hij moest het zelf maar weten. Nog twee zo’n nachten en ik was klaar, bij wijze van spreken, om zelf mijn matrak aan de treurwilg te hangen.
Growin’ Up zag er fantastisch uit, zoals hij daar even later met zijn duimen achter zijn broeksriem gehaakt de trap afkwam. Het deed mij altijd goed te zien hoezeer hij op mij leek. Ik maakte mezelf niets wijs daaromtrent: de gelijkenis was treffend, dat zou heden zelfs een blinde kunnen ruiken, zag ik, want Growin’ Up bleek zich hetzelfde kapsel als ondergetekende te hebben aangemeten (de hele zaak overvloedig onder brylcrème bedolven en strak achterover gekamd). Werkelijk, als je dat joch en mij naast mekaar zette, dan kon je bijna niet geloven dat er tijdens zijn conceptie tien jaar eerder ook een vrouw aan te pas was gekomen,- vooral niet zo’n vunzige teef als de vrouw in kwestie geweest was. Hij was op en top mijn zoon, van mij en mij alleen.
‘Hé, Funs,’ zei hij. Hij had zijn leren jek al aan.
‘Hé,’ zei ik. ‘Goed geslapen ?’
Hij gaf geen antwoord. Dat had hij ook al van zijn vader: op dwaze vragen antwoord je niet, zeker niet als je net uit je nest bent.
‘Je haar zit prima,’ prees ik.
‘Bedankt, Funs.’
‘Jij ook een koppel eieren ?’
‘Geen honger, laat maar.’ Hij stak een sigaret op.
‘Hé,’ zei ik.
‘Wat ?’
‘Geef er mij ook eens een. Alleen op de wereld?’
‘Sorry.’ Hij presenteerde mij uit zijn pakje, en we rookten zwijgend naast mekaar in de kamer staand, want Growin’ Up had een hekel aan zitten, en keek zelfs rechtstaand TV als het kon; in bioscopen koos hij steeds de laatste rij uit. Zitten deed je op het toilet, volgens hem, dan wel in de auto.
‘Ga je naar school vandaag?’ informeerde ik.
‘Denk van wel, ja. Toch eens kijken. Zien wel.’
‘Goed zo,’ vond ik vaderlijk, om eraan toe te voegen: ‘Hoezo ?’
‘Zit een nieuw grietje in m’n klas. Niet slecht. Ziet er niet slecht uit.’
‘Neen ?’
‘Helemaal niet.’
‘Let toch maar op.’
‘Ja,’ zei hij, ‘je weet het nooit.’
Hij drukte zijn peuk uit in de asbak; Growin’ Up was de enige die ik kende die nog sneller rookte dan ik. Daarna vertrok hij, zij het niet nadat ik hem nog eens op het hart had gedrukt wat ik hem minstens een keer per dag bezwoer: ‘Je weet wat je moet zeggen als je lastig wordt gevallen?’
Hij wist het. ‘Dat mijn oude bij de politie is.’
‘Tot vanavond, Grow.’
‘Funs.’
Toen hij vertrokken was, dronk ik een drietal glazen rode wijn om wat te kunnen slapen en ging daarna in bed liggen, woelde, staarde naar ‘t plafond, stond vervolgens wederom op, dronk een drietal waterglazen witte, kroop er weer in en schraapte mezelf aldus een paar droomloze uurtjes rust bij mekaar. Ik werd wakker door het geluid van een dichtslaande deur. Het was nog steeds voormiddag en Growin’ Up was alweer terug. Het grietje had de griep of zo, enfin, ze was hoe dan ook afwezig gebleken. D’r was geen bliksem te beleven geweest. ‘Als je me zoekt, ik sta te flipperen in Stimmy’s.’
‘Goed hoor,’ zei ik met een stem vol wrevel, en wachtte tot ik de deur weer hoorde eer ik luid uitbarstend riep: ‘Moet je me dáárvoor wakker maken, rotjong?!’ Maar natuurlijk was ik niet echt kwaad op hem, of kon dat althans nooit erg lang blijven. Ik hield zoveel van Grow dat ik hem soms wel kussen kon !
Die avond was ik als altijd een beetje te vroeg op het bureau, zo rond half tien, want ik haatte het om mij te moeten haasten wanneer ik mij omkleedde. Ik maakte d’r wat graag een soort van ritueel van, zie je, van het aantrekken van mijn uniform en van ‘t omgespen van mijn koppelriem en ‘t controleren en zonodig bijstellen van mijn dienstwapen en al die dingen. Een smeris die slechts vijf minuten nodig heeft om aan zijn dienst te kunnen beginnen, kijk, zo’n smeris deugt niet, zeg ik altijd, en is niet meer dan een door ‘t lot misplaatste postbode in mijn ogen. Ze houden het trouwens toch nooit lang vol, zulke types. Toch niet bij ons.
Dat Dustman om even voor tien nog altijd niet verschenen was, vond ik dan ook tekenend voor iemand in zijn situatie, - wat niet wegnam dat het mij ergerde. Nogmaals, het was zijn eigen leven, dat mij aanging noch interesseerde, maar ik voorzag dat we niet op tijd zouden kunnen beginnen. En ik had er zin in. Ik wou de straat op. Een echte smeris kan niet wachten. Dustman was geen echte meer, - als hij er ooit al een geweest was tenminste, waaraan ik mijn redenen had om te twijfelen: een echte smeris wordt geboren als smeris en sterft als smeris; liefst nog sterft hij de kogeldood, als hij het zelf voor het zeggen heeft, of anders aan een overdosis in beslag genomen cocaïne.
Ik wachtte meer dan een uur op mijn partner en toen was hij er nog altijd niet. Ik trappelde van ongeduld, ik snoof als een bronstig dier en beukte ten slotte zowat zonder te kloppen de deur van Burlons hok in. Hij schrok op uit zijn slaap en vroeg of ik niet al vertrokken moest zijn, en ik, opgefokt als een sidderaal, kon niet anders dan zeggen dat hij gelijk had.
‘Kalm aan, Funs,’ maande Burlon. ‘Wat scheelt er? Coke? Speed?’ Hij greep werktuiglijk naar zijn fles whisky.
‘Ik ben nog altijd hier!’ schreeuwde ik.
‘XTC-tabletten ?’ wou Burlon begripvol weten, twee glazen inschenkend, twee flesjes bier ook uit een lade tevoorschijn halend.
‘Dustman !’ stiet ik uit.
‘Dustman ? Wat is er met Dustman?’
‘Dustman!’ riep ik. ‘Is er nog altijd niet ! En het is al bijna…!’ Ik hapte naar adem, gebarend om whisky.
‘Hoe laat is het?’ vroeg Burlon, mij een glas aanreikend dat ik nog niet goed en wel in mijn klauw had of er viel al geen druppel meer in te bespeuren.
‘Bijna elf !’
‘Waar zou Dustman uithangen?’ vroeg Burlon zich af, en toen, aan mij: ‘Biertje, Funs?’
‘Wat moet ik doen? Zeg mij wat ik doen moet!’ Ik pulkte het blik open en oefende d’r zoveel druk met mijn duim en vingers op uit dat ik het op twee plaatsen indeukte en het bier als een fontein omhoog spoot, en ik vloekte zo luid en lang dat ik er zelf van schrok en van de weeromstuit wat kalmeerde.
‘Ik zal Dustman bellen,’ zei Burlon.
‘Bel Dustman,’ zei ik.
Hij deed het, enfin, hij vormde Dustmans nummer, naar mocht verondersteld worden, en zat een tijdje met de hoorn tegen zijn oor alvorens hem zwijgend weer op de haak te gooien.
‘Dan vertrek ik zonder hem !’
‘Je weet best dat dat niet kan.’
‘Toch doe ik het !’
‘Het is tegen de wét, Funs,’ zei Burlon, en van louter moedeloosheid -hij had een punt, hij had gelijk- kon ik wel in snikken uitbarsten (bij wijze van spreken).
‘Wat moet ik dan doen?’ smeekte ik. ‘Kan er niemand anders mee?’
‘Ik zou Karlsquell kunnen bellen,’ overwoog Burlon, ‘maar die zal waarschijnlijk niet thuis zijn.’
‘Karlsquell zit in Hawaï, dat weet jij net zo goed als ik.’
‘Dat is waar ook.’
‘Fuck !’
‘Dan ziet het ernaar uit dat jij een nachtje vrij hebt, Funs.’
‘Een nachtje vrij ? Kan jij niet mee ?’
‘Ik moet hier blijven, ook dat is bekend.’
‘Fuck!’
‘Biertje, Funs?’
‘Fuck!’
‘Drink nog een biertje met mij.’
‘Fuck! Oké dan.’
‘Hij zal wel een goeie reden hebben.’
Wat heet een goeie reden, natuurlijk, in elk geval was ik behoorlijk pissig toen Dustman daags nadien alweder niet present bleek (in de loop van de avond was het bericht binnengelopen dat hij zichzelf in het rechterneusgat had geschoten en dus zo dood was als een pier, als de worm die ik hem binnensmonds verweet geweest te zijn) maar gelukkig had Burlon een en ander voorzien en het geregeld dat in afwachting van Dustmans vervanging Spasski met mij mee zou gaan, ‘de hort op’, zoals Spasski het noemde, mij een luide klap op mijn in leder verpakte schouder gevend. Ik en Spasski samen de hort op.
En zo begon de nacht die mij altijd zal blijven heugen, of in elk geval nog heel erg lang. Ik wil erover vertellen.

II.
Toen Spasski mij die schouderklap gegeven had, was er zo’n scheve grijns om zijn lippen aan ‘t spelen geweest, waarmee ik maar wil zeggen dat de jovialiteit die uit voornoemd gebaar sprak, niet geheel van sarcasme gespeend was. Alsof hij ermee had bedoeld : ‘Dat het lot net óns nog eens zou samendwingen, wie had dat ooit kunnen denken, Funs ? Wie had dat ooit durven hopen ? Ik niet, in elk geval, en jij ook niet, dat weet ik wel zeker.’
Want ik kende Spasski uiteraard wel al een hele tijd, maar niet zo goed, niet van dichtbij, en met de meeste van mijn collega’s had ik een veel sterkere band dan met hem. Hoe dat zo kwam, weet ik ook niet. Hij was er gewoon altijd in geslaagd (hoewel hij ‘t allicht nooit zo had bedoeld) om op de achtergrond te blijven waar het mijn belevingswereld betrof, en zelf had ik weliswaar contact met hem nooit echt vermeden, maar anderzijds toch ook niet gezocht, - misschien omdat ik tot voor kort altijd gedacht had dat hij zoveel ouder was dan ik.
(Ik moet nu denken aan wat Growin’ Up mij op een avond zei, vele jaren geleden, hij was nog geen zeven, misschien zelfs geen zes : ‘Funs, weet je waarin wij verschillen ?’ ‘Ja, jij rookt sneller dan ik.’ ‘Neen.’ ‘Zeg eens.’ ‘In leeftijd.’)
Ik voelde mij dus een weinig onwennig toen wij naast mekaar naar de combi liepen, en mijn vrees voor een even saaie, net zo stroef verlopende nacht als mijn laatste met Dustman leek meteen al te worden bevestigd toen ik aan de linkerkant wou instappen en Spasski stokstijf naast mij bleef staan met de woorden : ‘Rijd jij ?’
‘Normaal wel, ja,’ zei ik nogal afgemeten.
‘Reed Dustman nooit ?’
‘Normaal niet, nee.’
We bleven elkaar een hele poos in de wat dichtgeknepen ogen kijken. Samen de hort op, dacht ik, de kruk van ‘t portier in mijn vuist geklemd. Pret verzekerd. ‘Als je wil,’ sprak ik ten slotte, ‘rijd jij maar. Als je dat liever wil.’
‘Nee, laat maar,’ zei Spasski, en liep traag om de wagen heen. Ik zat allang achter het stuur toen hij instapte. Hij ging zitten en keek voor zich uit op een manier of ik hem kwaad gedaan had en hij wachtte op excuses. Alsof niet hij mij een klap op mijn schouder, maar ik hem een klets in ‘t gezicht had verkocht.
‘Weet je zeker dat je toch liever niet zelf rijdt ?’ vroeg ik terwijl ik startte.
‘Ik zei toch al : laat maar. Het doet er niet toe.’
‘Oké dan.’
Ik vertrok en reed de weg op die het centrum van de stad omvaamt zoals een slotgracht een kasteel : ‘t kwam mij verstandig voor neutraal terrein te kiezen, een eindeloze weg die enkel naar zichzelf leidde, maar wel te allen tijde kans bood hem te verlaten en koers te zetten naar waar je maar wou, naar waar, bedoel ik, Spasski maar wenste.
Ik reed een hele tijd zo rond over die ring en Spasski zweeg ; soms kuchte hij eens of schraapte zijn keel en klonk daarbij almaar gemelijker. Ikzelf stierf van de dorst en de alcoholzucht maar wist niet wat hij ervan denken zou als ik nu meteen al wou stoppen om ons iets sterks te drinken te halen. Ik wist het niet. Ik wist maar een enkel ding : dit was nog erger dan mijn laatste nacht met Dustman. Dit was geen verveling meer, maar lijden en ellende. Ik rookte aan een stuk door zonder mijn aansteker te hoeven gebruiken. Ten slotte kwam het zelfs zover dat ik begon te verlangen naar iets wat mij doorgaans in een razend gefoeter deed uitbarsten : de een of andere oproep, met name, het maalde niet waarover het ging, als mij maar wat afleiding werd geboden.
Maar de radio bleef stil, niemand bleek ons nodig te hebben, bijstand werd nergens als dringend ervaren. Uitzichtloosheid.
‘Stel je voor, zeg, Dustman, wat heeft hem bezield ?’ probeerde ik het ijs te breken.
‘Geen idee.’
‘Ik ook niet.’
We reden. Ik reed. Onnodig hard.
‘Ik hoop maar dat we ‘t samen een klein beetje kunnen vinden,’ zei Spasski toen opeens. Het klonk zowaar nog dreigend ook, - ‘t was niet zomaar louter verbeelding van mij. Ik schrok, maar hield mij goed.
‘Hangt ervan af wat je zoekt,’ zei ik.
Hij lachtte niet. Misschien was het ook helemaal geen grapje. Althans niet voor Spasski.
‘Seks,’ zei hij.
Als je denkt dat ik dacht wat jij misschien denkt, loop dan maar gauw naar de dokter en laat je zieke geest onderzoeken. En hou bovenal op met lezen, want ik wil niets meer met je te maken hebben. Ik heb geen idee hoe Spasski er tot nog toe voor jou uitzag en welk type hij is in jouw ogen, maar dat een smeris met dit antwoord iets heel anders had kunnen bedoelen dan wat Spasski ermee bedoelde, lijkt mij hoe dan ook de suggestie van een wereldvreemd en verwerpelijk mens.
Ik voelde mij dus geenszins, geen seconde vol twijfels bedreigd. Integendeel, ik was opgelucht, blij, zelfs dolenthousiast. Ik lachte, bood mijn handpalm aan en Spasski sloeg er hard op. Het ijs lag meteen aan talloze diggels. Spasski bood zijn handpalm aan en ik mepte uit volle macht. Zijn arm bewoog voor geen centimeter. Hij was cool. Ik reed de ring af en naar ‘t Zimbabwese nachtwinkeltje en toen ik aanstalten maakte om uit te stappen, zei mijn bovenste beste collega : ‘Blijf zitten, ik ga wel, ik moet hier nooit betalen.’
‘O ja…’
‘Gin goed ?’
‘O ja!’
Ik merkte nu pas goed hoe traag Dustman mettertijd was geworden : ik moest me reppen om mijn portie uit de fles te krijgen, want Spasski speelde d’r de langste solo’s op die ik ooit mogen meemaken had, noot na noot verzwelgend zonder het mondstuk van zijn lippen te halen. Geen kwartier nadat hij weer was ingestapt, kon hij de fles al door ‘t raampje de straat op smijten. Hij boerde luid en ik nog luider, en toen hij weer. O, dit was heerlijk.
Even later wees hij mij op een traag voortkruipende fietser en vroeg of ik nog eens wou stoppen. Spasski’s raam was nog altijd omlaag gedraaid en hij boog zich een weinig naar buiten en legde zijn hand op de schouder van de man in kwestie, een Oosteuropees uitziend stuk zwerfvuil van zeg een jaar of vijfenvijftig (al kon het dus ook vijfentwintig zijn). De man diende niet eens te remmen opdat hij ter plekke stilstond.
‘Papieren?’ vroeg Spasski. ‘Verblijfsvergunning?’
De andere haalde zijn ene, vrije schouder op en keek vragend. Hij droeg een lange wollen mantel met een motief van grote ruiten, had een smoel waartegen die van een apin een toonbeeld van intelligentie zou lijken en kon dringend nog eens een knipbeurt gebruiken voordat hij helemaal kaal zou zijn, want hoewel zijn hoog opgolvende krullen een indruk wekten van overvloed, kon je toch elk stukje huid zien van zijn schedel.
‘Passeport ?’ drong Spasski aan, nog steeds zijn vingers om de man zijn linkerschouder geklauwd. ‘Permis de séjour ? Staying permit ?’
‘Yes, yes,’ bracht de man nu uit, zuchtend en met in zijn stem meer weerzin, me dunkt, dan ik en Spasski sámen voor hem voelden, - wat iets wou zeggen. Ik dacht aan wat Dustman mij ooit vertelde: ‘Toen ik begon, Funs, is mij steeds geleerd dat mensen die gevlucht zijn metéén weer naar de gevangenis moeten. Dat is mij ingeprent, Funs, en dat krijg ik er nooit meer uit, vrees ik.’ Dustman. God had zijn ziel.
Goed, ondertussen die Rus een door een geronnenbloedkleurig plastic flap omwikkeld schriftje tevoorschijn gehaald ter grootte van een zakagenda, en overhandigde dit aan Spasski terwijl hij zelf verveeld voor zich uit staarde, schrijlings zittend op de horizontale stang van zijn fiets. Ik keek mee terwijl Spasski het kostbare kleinood doorbladerde, kreeg meer stempels onder ogen dan de helderste hemel ooit sterren laat zien, en ook meer handtekeningen dan John Lennon er in zijn leven moet hebben uitgedeeld. Het leek met andere woorden wel of een en ander in orde was. Diezelfde mening bleek ook Spasski toegedaan.
‘Ziet er goed uit,’ zei hij tot de Albanees (want dat was hij, had ik inmiddels gelezen). ‘Looks good, bon, bien, si, prachtig.’
‘Much difficulties for that,’ wist de man ons te vertellen, terwijl zijn blik de verte liet voor wat ze waard was en hij ons beurtelings aankeek. Hij maakte wuivende bewegingen met zijn hand naast zijn oor.
‘Dat zal wel,’ zei Spasski, die hierop met grijnzende vanzelfsprekendheid het resultaat van ongetwijfeld maanden wachten, lopen, aanschuiven, smeken, stampvoeten en hoofdschudden in ‘t handschoenvakje vóór hem wegborg. ‘De volgende keer…’ dreigde hij, een onbuigzaam aandoende wijsvinger tonend. ‘Rijden maar, Funs.’
Ik vertrok, trok op en glunderde.
‘We moeten onze plicht doen,’ zei Spasski. ‘Ledigheid brengt nooit iets goeds voort. We moeten dat tuig van de straat af houden.’
Ik gaf hem gelijk, want dat had hij.
‘Zo,’ zei Spasski toen, ‘en nu onze plicht erop zit, lijkt mij stilaan ‘t moment wel aangebroken voor een verzetje. Wat jij?’
‘De boog kan niet de hele tijd gespannen staan.’
Zijn ex-vrouw had aan vaginisme geleden (‘Dat was wel fijn, zo’n nauwe kut’) wat echter niet belet had dat zij na hun huwelijk, misschien wel van de weeromstuit, wie zou het zeggen, ‘t was hoe dan ook vreemd (‘Het is een gek wijf, weet je. Ze heeft geen identiteit, dat is het hele eieren eten. Ik ben twee jaar met haar getrouwd geweest en toch blééf ik almaar haar naam vergeten’) pal in de prostitutie beland was. Daarom ook dat Spasski de Straten van Glas placht te vermijden. Hij hield niet van confrontaties met het verleden, dat immers voorbij was. Hij hield niet meer van de hoerenbuurt, die een web was van associaties voor hem, gecreëerd door een spin met een valse naam (‘Ik geloof dat het momenteel Sandy is. Sandy of Kitty. Toch iets dat eindigt op y’). Maar als het oké was voor mij, dan wist hij wel ergens een huis zijn. Het was nog niet zo lang geleden geopend en hij had het nog nooit bezocht ; wel was het hem sterk aanbevolen door een kerel die in het verleden meermaals had bewezen te zijn begiftigd met kijk op de zaak. Het lag een heel eind buiten de stad, dat huis. Het was een heel eind rijden. (Meer dan twee uur later bleek ‘een heel eind’ wel het schoolvoorbeeld van een eufemisme.) Maar ‘t was de moeite waard, naar het scheen.

III.
‘t Was er zo donker als de nacht, zeg maar, en toen de motor afsloeg daalde d’r een stilte om ons heen waarin onze dichtslaande deuren vervolgens het geluid van moordende schoten voortbrachten. Heel in de verte viel er links zowel als rechts het hoogtepunt van een verlichtingspaal te bekennen, zwak schijnend als een lang gevallen ster. Een blinde had zich hier thuis gevoeld : zelfs de maan bleek vannacht niet meer dan een zeer fijne, gouden komma, zich nutteloos onderscheidend tussen een zo dicht op mekaar gestapelde massa woorden dat de volledige tekst inktzwart, ondoordringbaar, onleesbaar was.
Ook het huis zelf zag er donker en doods uit, gaf krimp noch kreun en deed meer denken aan een ouwe, verlaten ruïne dan aan een pas geopend bordeel. Pas toen we dichterbij waren gekomen, zag ik dat het minder van een ruïne had dan van een hermetische oorlogsbunker : de luiken waren niet alleen gesloten, maar tevens vergrendeld, en hoe dwaas dit ook mag klinken, het hele betonnen gebouw was van die aard en had het soort van uitstraling dat ik achter genoemde luiken zelfs geen ramen vermoedde ; het dak was plat en boven, op of naast de deur (waaraan geen klink bevestigd was) ontbrak elk spoor van een naam of opschrift.
‘Hier zou het dan moeten wezen, Funs,’ zei Spasski.
‘Denk je werkelijk?’
‘Hier is het,’ zei Spasski.
‘Zo,’ zei ik.
Hij trok aan het stijgbeugelvormige handvat dat het uiteinde vormde van een recht omlaag hangende ketting, - van gene zijde van de deur weerklonk niet het minste geringste geklingel. We wachtten. ‘Ik vraag mij af,’ zei ik.
Hij gaf opnieuw een ruk aan de ketting, en daarna nog een, als diende hij dringend stoom af te laten. En zo was het ook, natuurlijk. Daarom stonden wij hier. Te wachten. ‘Fuck,’ zei ik.
En toen, opeens, kwam er schot in de zaak. De deur bewoog. Ze ging niet open, maar bewoog, een heel klein beetje slechts maar onmiskenbaar, als voer er een soort van rilling doorheen. Ik keek naar Spasski en dacht dat hij mij een knipoog gaf.
‘Goed volk,’ schalde hij, zijn rechteroor naar de deur gewend. Hierna floot hij het tweeledige deuntje dat waarschijnlijk over heel de wereld wordt gefloten als iemand de aandacht op zich wil vestigen, of nog zijn aanwezigheid kenbaar wil maken.
De deur draaide nu voor een kwart open en in het duister verscheen iemand die je niet kon zien staan : zij ademde luid, zij zei niets, zij weende.
‘Goed volk,’ herhaalde Spasski minder luid dan zo-even, maar verder op een toon of de situatie niets opmerkelijks voor hem inhield. ‘Politie,’ zei ik, voor alle duidelijkheid.
De deur werd nu in zoverre opengetrokken dat wij ons een na een door ‘t vrijgekomen gat konden wurmen (Spasski ging mij voor) en sloeg daarna vanzelf achter mij dicht, wat niets te maken had met tocht of horror, maar alles met een bepaald mechaniek waar een veer de belangrijkste rol in speelde.
We werden achter mekaar aanlopend door een belachelijk nauwe gang geleid (smaller, schijnbaar, dan de buitendeur breed was ; ik stak mijn ene schouder voor mij uit en schuifelde ruggelings langs de muur aan mijn rechterzijde) en toen op het einde daarvan de wenende vrouw een gordijn opzij schoof, viel er voor het eerst sinds lang weer iets te ontwaren : boven een lange, rechte, lege toog voerden door telkens een meter of wat van elkaar gescheiden schemerpeertjes verbeten strijd met de duisternis die de rest van ‘t vertrek in beslag had genomen. Er klonk muziek noch enig ander geluid, behalve dan het onafgebroken, ritmische snikken van de vrouw, die werkelijk ontroostbaar leek, en eindeloos wanhopig.
‘Zo,’ zei Spasski terwijl hij een kruk besteeg. Hij klakte met zijn tong, kennelijk niet van plan zich door wat dan ook uit het lood te laten slaan. Hij zei met Franse tongval : ‘Madame,’ en maakte daarbij een uitnodigend gebaar met zijn arm. De vrouw liep huilend in zijn richting. Nu pas zag ik dat zij volledig naakt was, op glanzend blauwe laarsjes en een ditokleurig slipje na. Zij kon niet ouder zijn dan vijfenveertig, langs achter bekeken : haar benen waren nogal dik, maar verder fraai gevormd, wat ondanks de genadige onderbelichting helaas niet meer voor haar kont gold, - die was óók dik, bedoel ik, maar bungelde aan weerszijden van de string als met water gevuld omlaag, en bleef zelfs nog aan ‘t natrillen toen de vrouw zelf al ruime tijd stilstond.
Ik besloot om ook maar eens in beweging te komen, liep naar de toog en nam plaats op een kruk naast Spasski, zodat zij tussen ons in kwam te staan. ‘Nou,’ zei ik, en keek haar keurend aan. Ze bleef zwijgen en huilen. Niet enkel haar kont leek vol met water te zitten. (Anderzijds had ze nauwelijks borsten. Amper tepels.) Ik schatte haar achtendertig.
‘Sta je d’r alleen voor vannacht?’ vroeg Spasski. ‘Voor mij een gin met tonic.’
‘Maak er drie van,’ beval ik.
De vrouw liep om de toog heen en begon de bestelling te realiseren.
‘Scheelt er iets aan ?’ wou ik weten, en diende daarna mijn vraag te herhalen opdat zij haar eerste woord van de avond uitbracht : ‘Nee.’
‘Waarom zou er iets schelen ?’ vroeg Spasski verbaasd.
‘Wel, ik dacht, met die tranen…’ Ik wees naar mijn eigen gezicht, de toppen van een vingervork onder mijn ogen plaatsend.
Spasski keek naar de huilende vrouw en schudde vervolgens zijn hoofd. ‘Dat zijn geen tranen,’ wist hij beslist, ‘dat is zweet.’
‘Zweet?’
‘Tuurlijk. Zweet.’ Hij wendde zich van mij af. ‘Is het niet?’ vroeg hij. ‘Is het geen zweet ? Zijn het geen zweetdruppels ?’
De vrouw kwam zowaar op dreef wat betrof het verbale: ‘Nee.’ Ze had een hoge, jonge stem, die mij plots twijfelen deed aan die acht-endertig…
‘Nee? O, dan zijn het misschien toch tranen,’ moest Spasski mij scheef grijnzend toegeven. ‘Enfin, whatever. Bedankt.’
‘Bedankt,’ zei ik.
We klonken, ook de vrouw, en dronken. Wat een dorst had ik geleden! ‘Niet ophouden,’ zei ik. ‘Maak er zo nog maar een flink aantal. Hoe heet je?’
‘Kies maar…’
‘Fox?’
‘Sta je d’r alleen voor vanavond?’ vroeg Spasski alweer.
‘Ik kan mijn zuster wakker maken als je dat wil,’ snikte Fox tegemoetkomend.
‘Kijk eens aan,’ zei ik luid, werkelijk opgelucht zelfs, ‘wat zullen we nu krijgen ? Een echte, heuse volzin!’
‘Een waterval van woorden,’ grapte Spasski.
We lachten. Zelfs Fox lachte een beetje, dwars doorheen haar tranen.
‘Ik denk niet,’ pikte ik hierna op haar voorstel in, ‘dat dat een slecht idee zou zijn. Je zuster wakker maken, bedoel ik. Tenslotte zijn wij met zijn tweeën, mijn collega en ik.’
‘Zo is dat, Funs.’
‘Ik kan jullie ook allebei om de beurt…’ huilde Fox. ‘Ze slaapt nu, mijn zus.’
‘Bedankt,’ zei ik, een tweede gin-tonic de hoogte inbrengend. ‘Niet ophouden.’
‘Dat wil zeggen: met drankjes maken,’ voegde Spasski eraan toe. ‘Wat dat gebleit betreft, daar krijg ik stilaan wel mijn buik van vol, eerlijk gezegd. Bedankt ook, trouwens.’ Hij dronk zijn glas leeg en schoof het suggestief meteen weer naar haar toe.
‘Het spijt mij,’ snikte Fox uit de grond van haar hart. ‘Ik kan het ook niet helpen. Ik ben nu eenmaal verdrietig geboren. Vat het alsjeblief niet persoonlijk op.’
‘Je hoeft niet verdrietig te zijn,’ zei ik. ‘Niet verdrietig, niet bang, niet niets. Je bent in goeie handen.’
‘Zo meteen toch,’ zei Spasski.
‘Dat weet ik wel, en bang, nee, bang ben ik verre van, maar ik kan er echt waar niets aan doen. Er is maar een ding dat helpt.’
‘Laat me raden,’ grijnsde Spasski scheef.
Nog nooit had ik een kut gezien zo rood, zo glanzend, zo groot, nat en vlezig. Met ‘r benen wijd gespreid, de knieën naar buiten wijzend, haar ene gelaarsde voet in mijn nek, de andere over Spasski’s schouder, zat Fox op haar kont op de toog te deinen als maakte zij een kameelrit, en liet zich door ons bepotelen terwijl ze met haar slipje haar ogen bette.
Het bleek dat zij niet gebluft had: naarmate haar sproeizieke kut overvloediger van Fox’ genot kon getuigen, werden haar wangen minder met traanvocht besprenkeld; naarmate zij luider aan ‘t kreunen ging, nam haar gesnik in heftigheid af.
‘Ga jij maar eerst,’ bood Spasski aan, Fox’ innerlijk masserend met twee vingers tegelijk, dus stond ik op, nam nog een slok, trok aan mijn riem, knoopte mijn broek los en schoof die omlaag. Ik stond stijver dan een onderarm die op een gebalde vuist uitloopt.
‘Oké,’ zei ik, en Spasski maakte meteen ruim baan.
Fox begon te giechelen toen ik in haar gleed (ze was letterlijk verschroeiend heet), lachte na een stoot of vijf, schaterde toen ik klaarkwam en zat nog steeds hysterisch te bulderen nadat ik het een tweede keer had waargemaakt en al druk bezig was mijn geslacht aan mijn zakdoek droog te wrijven.
Inmiddels had ook Spasski zich van zijn halve plunje ontdaan (wat wil zeggen : zijn broek laten zakken tot op zijn enkels, want een smeris in dienst neukt in uniform) zodat Fox geen kans gelaten werd in treurigheid te hervallen. Al was het voor haar dan beter geweest, zag ik, tersluiks de omvang van Spasski’s geslacht taxerend, als mijn collega de spits had afgebeten, - langdurig waar genot houdt immers in dat het alsmaar verhoogd wordt, en zwaar geschut wordt daarom beter pas op ‘t einde ingezet. Maar goed, Spasski deed wél zijn best (Fox was inmiddels schrijlings op zijn schoot gaan zitten en had zo te horen geen reden tot klagen) en wat het einde in kwestie betrof, dat bleek zo een twee drie nog niet in zicht als je hen bezig zag. Hij dronk sneller dan hij klaarkwam, Spasski.
Zóveel sneller zelfs dat ik mij eerst dreigde te gaan vervelen, maar naderhand, meer specifiek na nog een ginshot, mij wederom vurig geil voelde worden. Ik sloeg Fox en Spasski gade, zoals ze daar met mekaar in de weer waren, en verschoof ongemakkelijk op mijn kruk. Fox gierde het krijsend uit en headbangde met zo’n geweld als waren d’r haren felgele vlammen die zij wanhopig van zich af poogde te slaan ; haar dolle kont dan weer zag eruit of met de inhoud ervan desnoods half Europa geblust worden kon. Ik had een blaffer van een erectie. En toen dacht ik aan Fox haar zuster, die sliep.
Het had geen zin hen te storen omwille van niets. Het scheen mij niet waarschijnlijk toe dat ze mij heel erg zouden missen, of zelfs mijn afwezigheid zouden opmerken. Dus schonk ik nog wat gin bij en liep met mijn glas in de hand van hen weg langs de toog. Ik had geluk (enfin, ik dacht: ik heb een neus voor wijven). Toen ik de hoek volgde die de toog maakte, kwam mijn uitgestoken vrije hand met het fluweel van een gordijn in aanraking. Ik schoof het opzij, bukte mij onwillekeurig en voor ik het goed en wel besefte was ik al bezig een trap te beklimmen : een van die handelingen die ook in het aardedonker probleemloos uit te voeren zijn, wat Freuds theorie over trappen en seks lijkt te staven.
Toen ik de trede bovenaan achter de hielen had, bleef ik staan, keek rond, zag geen kluit voor ogen en tastte daarom de muren af. Bij de tweede deur die ik probeerde had ik al prijs. Ik knipte het licht aan en keek naar het bed met daarin Fox’ zusje. Van een erectie mijnerzijds was nu geen sprake meer. Ik bezat amper nog een geslacht, leek het. Ik liep door de kamer en bevoelde met weerzin de ijskoude lakens. Daarna raakte ik het meisje aan, mijn hand op haar schouder. Ik schrok niet eens. Ik had allang geroken wat hier gaande was. Daar moest je zelfs geen neus voor hebben. Ze was net zo blond als Fox. En net zo dood als Dustman.
In een mum was ik weer beneden. Spasski was zichtbaar bezig net niet klaar te komen; het leek wel of hij huilde, zo hard zweette hij. Ik besloot dus nog even te wachten. Ik kon wel iets te drinken gebruiken. Net toen ik inschonk, werd Spasski’s orgasme een feit. ‘Oef !’ kreunde hij. ‘Oef ! Oef !’ Fox lachte uithalig.
Ik vatte Spasski bij de schouder en kneep tot hij zijn ogen had geopend en mij ietwat grimmig aankeek. Ik bracht mijn mond vlakbij zijn oor en schreeuwde: ‘Er ligt godverdomme een lijk hierboven !’ Hij fronste van onbegrip. ‘Een lijk! Er ligt een lijk hierboven !’ Ik stak mijn vinger op en wees, alsof ik dringend een barman zijn aandacht wou trekken. ‘Zij is dood!’ schreeuwde ik, nu mijn handen tot een toeter om mijn mond vormend.
‘Godverdomme!’ riep Spasski. Hij tilde Fox omhoog en wierp haar van zich af. Met moeite slechts hield zij zich staande. Meteen begon zij te huilen.
‘Een lijk ?’ vroeg Spasski hard. Hij kwam overeind van zijn kruk en bukte zich. Hij trok zijn broek omhoog en in eenzelfde beweging ook zijn pistool uit de holster.
‘Gewurgd,’ zei ik. ‘Ze ligt daar zeker al een dag of twee, schat ik. Twee, drie misschien.’
‘Shit,’ zei Spasski. ‘Ze?’
‘Haar zusje, natuurlijk.’
‘Ze slaapt !’ huilde Fox. ‘Mijn zuster slaapt!’
‘Dat wijf is zo waanzinnig als de luizen,’ stelde Spasski somber vast.
‘Zij is in shock,’ zei ik.
‘Zij slaapt! Je mag haar nu niet lastig vallen! Ze slaapt! Ze slaapt! Ze slaapt!’
Spasski sloeg haar in ‘t gezicht met het pistool nog in zijn hand. Fox zeeg ineen op de vloer. Spasski vroeg: ‘Wat nu gedaan ?’
Wij overlegden. Uiteraard was er geen sprake van dat we Fox zouden arresteren: hoe hadden wij onze aanwezigheid en mijn toevallige vondst van het lijk immers op plausibele wijze kunnen verklaren? Wat deden wij daar tout court in die buurt, waar amper velden of wegen te bekennen vielen? Patrouilleren? Haha! En elke oproep die wij kregen ging sowieso via de centrale, dus ook daarin school geen oplossing. Dat wij hem zouden smeren met de kop in het zand, was een al evenzeer absurd idee: wat als iemand anders ontdekte wat hier was gebeurd, en wat als Fox dan toch zou ingerekend worden en enigszins tot bezinning kwam en het hele verhaal uit de doeken zou doen (‘Die ene met zijn brylcrème heette Funs…’)? Dat risico konden wij niet lopen. Er zat maar een ding op.
Toen kwam ze bij. Ze krabbelde wenend overeind. Haar ene slaap stond dik en blauw en bonsde zichtbaar. ‘Ik heb het gedaan,’ zei ze. ‘Het was een ongeluk. Het was een stomme ruzie. De zaak draaide niet naar behoren, en mijn zuster wou eruitstappen. We maakten ruzie… Het was niet mijn bedoeling om… Vergeef mij, alsjeblief! Ik heb er zoveel spijt van! Wat kan ik doen om jullie… Je hoeft niets te betalen ! Nooit meer! Wat moet ik doen?’
‘Ik begrijp het,’ zei ik geruststellend. ‘Wat jij, collega?’
‘Ik begrijp het ook,’ zei Spasski. ‘Het was een ongeluk.’
‘Je bent al meer dan genoeg gestraft,’ gaf ik als mijn mening te kennen. ‘Wat ons betreft mag je doen wat je wil, al zou ik er in jouw plaats wel voor zorgen dat je zuster snel uit dit huis verdwijnt. Jouw probleem. Maar een ding is wel zeker…’
‘Zeker,’ zei Spasski.
‘Wat ?’ huilde Fox.
‘Ons heb je nooit van je leven gezien. Ons kén je niet.’
‘Natuurlijk niet,’ huilde Fox.
‘En draai je nu even naar mij toe, zo, ja, nee, zo, met je kont, ja… Hou je tegen met je handen aan de toog, want dit zou wel eens heel hard kunnen aankomen.’ Ik liet mijn broek geen haar lager zakken dan nodig ; mijn ballen bungelden over de bovenrand van mijn slip. ‘De dood windt mij op,’ gromde ik. Ik nam haar. ‘Weet je wel?’ vroeg ik. Zij schudde alweer van het lachen. Vooral haar kont dan, die zacht en warm tegen mijn platte buik aangolfde.
‘Zet hem op, Funs,’ zei Spasski.
‘Vuile slet,’ zei ik.
Ze was zo nat als een stortbad. Het vocht moest tot in haar laarsjes staan. Mijn rechterhand liet haar bekken los en vroeg om Spasski’s pistool, waarvan ik de loop in haar nek duwde. We verloren d’r beiden het hoofd bij. Ik schoot.
‘Dat grietje,’ grinnikte Growin’ Up toen ik weer thuis was, ‘weet je nog, dat grietje waar ik je van heb verteld?’
‘Tuurlijk,’ zei ik.
‘Ik heb haar gisteren na school naar huis gebracht. En weet je wat?’
‘Zeg eens.’
‘Ze dacht dat DNA een kledingwinkelketen was.’
‘Hahaha,’ deed ik.
‘Kan je je voorstellen?’
‘Hahaha.’
Hij nam mij onderzoekend op, sigaretje in zijn mondhoek. ‘Is er iets, Funs?’
‘Wat zou er zijn?’
‘Weet niet.’
Ik liep de keuken in en smeet een ei of vijf in de pan. Growin’ Up was achter mij aan gelopen. ‘Je ziet er moe uit,’ zei hij. ‘Alsof je heel wat hebt meegemaakt.’
‘Dat valt wel mee,’ zei ik.
‘Of je van iets onder de indruk bent,’ drong hij aan, de pientere snotaap.
Ik nam de pan van het vuur en ging ermee aan tafel zitten. ‘Neem jij borden en bestek?’ vroeg ik.
Hij gehoorzaamde. Ik verdeelde het voedsel en schrokte terwijl hij rechtstaand verder bleef roken.
‘Is het iets dat niemand mag weten ? Is het een geheim?’
‘God, ja,’ zei ik schouderophalend, ‘jou kan ik het wel vertellen, natuurlijk. Maar ga dan even zitten.’
‘Liever niet.’
‘Ga zitten, Grow.’
Hij nam tegenover mij plaats en ik stak een laatste flard ei in mijn mond. ‘Het is heel eenvoudig,’ zei ik. ‘Ik heb vannacht iemand vermoord. Overmacht, maar goed: dood is ze. Mondje dicht, hé?’
‘Mondje dicht, Funs. Wie was het?’
‘O, de een of andere hoer…’
‘O,’ zei Growin’ Up. ‘Hoe heette ze?’
‘Fox.’
Hij drukte zijn sigaret uit. ‘Nou ja,’ zei hij.
‘Goed, maar toch,’ zei ik.
‘Oké,’ stemde Growin’ Up in. Hij staarde naar zijn eieren terwijl ik in de keuken een biertje ging zoeken. Toen ik terugkwam zat hij daar nog altijd zo. ‘Weet je, Funs,’ begon hij, opkijkend, ‘ik heb zo eens liggen denken vannacht.’
‘Ja ? Waaraan ?’
‘Aan de toekomst en zo, en weet je… Kijk, later, denk ik, wil ik ook graag bij de politie… Zou je dat goed vinden ? Ik bedoel, denk jij dat ik…’ Hij stokte en keek mij afwachtend aan. Mijn hart ging tekeer als weet ik veel wat, maar ik wou hem niet tonen hoe trots ik plots was, hoe blij en hoe gelukkig. Ik wou niets lulligs zeggen als ‘Dit is de mooiste dag van mijn leven, Grow !’ en daarmee alles verknoeien.
‘Eet eerst je bord dan maar leeg,’ lachte ik, en reikte over de tafel heen om mijn zoon op de lederen schouder te meppen.

(c) Christophe Vekeman