Het is een mooie dag geweest, is het niet?
Zelfs al heeft het geregend.
De straat is verlaten. Ik loop hier wat heen en weer, ik weet niet waar
of hoe. De krijttekening is weggevaagd door de regen. Hierzo ongeveer had hij gestaan, op
de straatstenen. Als een leeg omhulsel. Een vel zonder inhoud.
Ze was nog klein. Vijf, zes jaar oud meen ik. En de remweg? Elf meter
hooguit. Nagemeten door de politie. Ik had in de menigte gestaan toen ze de test
uitvoerden. Een dag nadat ze gevonden was.
Er werden veel mensen ondervraagd. Ook ik. Of ik iets had gezien. Of ik
iets had gehoord wellicht. Geen idee. Waar was ik op dat moment? Ik zei dat ik het niet
had geweten.
Ik woon hier maar een paar straten vandaan. Sinds het ongeluk heb ik
hier iedere dag gelopen. Het is inmiddels al een tijdje terug. De gemoederen zijn gesust.
Het leven van alle dag gaat weer gewoon verder.
Vijf, zes jaar hooguit. Ik heb haar wel eens in de buurt zien
rondfietsen. Of lopen, met haar kleine broertje. Vlakbij de plaats waar ze had gelegen,
tegen een lantaarnpaal lagen tientallen bossen bloemen. En briefjes, veelal geschreven
door leeftijdgenootjes. Dag, lieve Sacha. Waar ben je nu?
En meer van dat.
Ik kom thuis, ga op de bank liggen. Denk na. Over wat? Wie
houd je hier nu voor de gek?
Ik zet koffie en doe een kleine afwas. Zet de televisie aan. Harmen
Siezen (ellende). Erwin Kroll. (Nog meer ellende).
Open een blik ananas en gooi vervolgens de hele mik in de vuilnisbak.
Onrustig rondgelopen in huis tot weer de telefoon ging. Dag,
jongen. Dag, ma.
Hoe is het?
Het gaat.
Ze belt zowat iedere dag.
Ga je nog meelopen in de mars?
Er is voor vanavond een mars georganiseerd door buurtbewoners. Tegen de
doden in het verkeer. Dat nu eindelijk eens de maximumsnelheid wordt aangepast. Ik had
haar gezegd mee te zullen lopen.
Ja, vanavond.
Denk je dat je het aankunt?
Ik zal wel moeten, is het niet?
Ik weet het niet, jongen. Je moet het zelf maar zien.
Ik ben boos.
Allicht, dat moet je ook zijn.
Ik bedoel niet op mezelf. Maar op de anderen.
De anderen?
Iedereen, ma. De hele mik. Ik wil iedereen doodrijden en elke dag
hun vervloekte marsen lopen.
Het is een mooie dag geweest.
Wat regen hier en daar. Maar niets om over naar huis te schrijven.
Mensen verzamelen zich op de hoek van de straat. Sommigen hebben lange
witte kaarsen bij zich. Er staat veel wind.
Ik loop wat rond en luister naar de onderdrukte stemmen, hier en
daar. Ze had zon mooie stem. Ze was zo lief. Vaak op zichzelf. Ook die bewuste dag.
Stak de straat over. Een remweg van elf meter.
Maar niemand had iets gezien.
De stoet zet zich in beweging. Ik loop wat aan de buitenkant, een
beetje van het gepeupel af. De tocht zal gaan via het plein in de stad naar de woning van
de burgermeester waar een petitie zal worden aangeboden.
We lopen door de Kruisstraat. Ik haak af. Ik kruip een café
binnen waar enkele mensen aan de bar zitten. Ik bestel een cappuccino en ga aan een
achteraf tafeltje zitten. Nog steeds trekken er mensen aan het raam voorbij met brandende
kaarsen in hun hand.
Ik roer afwezig in het kopje en luister naar de radio. Ben Christophers
met zijn breekbare stem.
Op de lokale omroep is de stoet te zien. En de burgemeester.
Hij bedankt iedereen voor de aandacht en neemt de petitie in ontvangst. Een paar mensen
houden een praatje. De menigte luistert in stilte.
Bedankt iedereen. En ga nu maar gauw naar huis. Het gaat weer regenen.
Kan God echt huilen? Ik weet het niet.
Het is de volgende dag, s avonds.
Telefoon.
Dag, jongen. Alles goed?
Ze hebben haar begraven in Noord, ma. Dat is maar een half uur
lopen vanaf mijn huis.
Ga je haar opzoeken dan?
Misschien moest ik dat maar eens doen. Het is het minste wat ik
kan doen.
Je moet jezelf niet zo kwellen.
Ze was nog geen zes jaar, ma. Nog geen zes jaar. En ze had een
mooie stem, zeggen ze.
Misschien is het toch het beste dat je jezelf aangeeft, jongen.
Het kan een opluchting voor je zijn.
Het was een ongeluk, ma. Zon onverhoopt, stom, nietszeggend
ongeluk. Maak er niet meer van dan dat het is.
Hoor jezelf toch eens zo praten.
Het is op de televisie geweest. De politie tast nog in het
duister.
Ik kijk uit het raam. Er lopen wat mensen voorbij. Er is hier niet veel
te doen, zeker niet op dit uur. De cafés zijn in het centrum. Hier is enkel een school in
de buurt. Haar school, geloof ik. Wat zouden ze in de klas gezegd hebben? Wat zou de
juffrouw hebben gezegd?
Ik loop wat heen en weer. Ga het huis uit, loop wat doelloos door de
straten. Het miezert. Mijn handen glanzen in het licht van de straatlantaarns.
Een stralende lucht. Strakblauw.
Ik ben naar de bloemist gelopen en heb een bos witte rozen gekocht.
Zomaar. Weet zelf niet goed voor wie of wat.
Ik loop naar huis maar bij mijn deur aangekomen besluit ik door te
lopen. Natuurlijk weet ik wel waarom ik de bloemen heb gekocht.
Ik kom aan in de Zaanstraat. De remsporen. De lantaarnpaal. De bloemen.
Ze zijn weg.
Er staat wel een vrouw met een veger en blik de rondslingerende
blaadjes op te vegen. Ik begroet haar met een korte knik en sta wat weifelend met de witte
rozen in mijn handen.
Wilt u ze neerleggen" vraagt de vrouw en kijkt me een
ogenblik aan.
Ik ben er te laat mee, zo te zien.
Ze lacht.
Daarvoor is het nooit te laat. Legt u ze maar neer.
Ze kijkt me aan alsof ze mijn gezicht probeert te doorgronden.
Ken ik u, vraag ik langs mijn neus weg.
Ze haalt haar schouders op.
Ik ben haar moeder.
Haar moeder. Ik knik en leg de rozen voor haar voeten. Dan loop ik
schoorvoetend verder. Maar als ik me iets later omdraai zie ik dat ze is neergeknield op
de stoep. Ze huilt. Ze schrikt als ze me ziet kijken en veegt haar tranen weg.
Sorry, zegt ze.
Nu haal ik mijn schouders op.
U heeft er alle redenen voor.
Het is niet gepast te huilen met publiek, zegt ze. Ze lacht
schaapachtig en kijkt omhoog. Het is een mooie dag vandaag, is het niet?
Ik knik.
Ja, zeg ik. Dat is het zeker.