Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Montaigne
Of de kunst om niet te sterven

Ann Meskens

I
Filosofie is een oefening in sterven. Dat echoot men Plato tenminste al eeuwenlang na. Maar leert de filosofie ons ook te overleven als iemand anders sterft van wie we denken dat we niet zonder kunnen? Ook hier denk je allereerst: hoe oefenen we in iets dat maar een keer kan gebeuren?
    De dag dat mijn moeder doodging, snoot mijn grootvader luidruchtig zijn neus om vervolgens de zakdoek opengevouwen op zijn bijna kale hoofd te leggen. Zo bleef hij onbeweeglijk naast het bed zitten alsof ook aan zijn leven een einde kwam. Het was een handeling waarvan hij zich niet bewust was. Ik zat aan de andere kant van het bed en dacht aan hoe hij pas nog in die zakdoek had gesnoten en dat hij dat al snel moest beseffen.
    Mijn grootvader kon deze dochter maar een keer kwijtraken, al had hij in zijn leven erg geoefend in verliezen. Ook ik had slechts deze moeder, hoe had ik me, jong nog, kunnen oefenen in haar sterven? Noch mijn grootvader, noch ik hadden trouwens ooit van filosofie gehoord.
    In zijn Enchiridion [een handboekje met wijsheden voor als ze ons niet te binnen schieten in momenten dat we ze nodig hebben] zegt de Romeinse filosoof Epictetus dat we onze geliefden moeten omhelzen in het besef dat ze zoals de vazen in ons huis snel breken. Alle mensen zijn sterfelijk, jawel, maar beseffen dat diegene die je ademloos bemint even later werkelijk kan stoppen met ademen, kan het leven ook verlammen.
    Zowel leven als sterven laten zich slecht oefenen. Het gebeurt onmiddellijk al te echt. En dikwijls raken we bij een overlijden vooral verdwaasd. Het is een truukje van de natuur, een milde verdoving na de zware slag. De tijd stopt, de ruimte krimpt, er blijft een doffe stilte, roerloosheid. Mijn grootvader bedekte zijn hoofd met een zakdoek, ikzelf kon een tijdlang enkel denken: ademde ze uit om niet meer in te ademen, of ademde ze een laatste keer in om nooit meer uit te ademen?
    Helpt het later een god te smeken dat hij toch voor de levenden en de doden zorgt, of te weten dat er opnieuw voorjaar in de lucht zal zijn of een spitsvondige wijsheid van een of andere filosoof? Niet echt en niet onmiddellijk, maar misschien is het beter dan niets. Rouw is allereerst uithouden.

    [a]    Maar het verhaal gaat dat toen Psammenitus, de koning van Egypte, verslagen en gevangen genomen door Cambsises, de koning van Perzië, zijn dochter als gevangene in slavinnenkleren voor zich voorbij zag lopen, uitgestuurd om water te putten, hij rustig bleef, zonder een woord te zeggen en met zijn ogen star op de grond gericht, terwijl al zijn vrienden rondom huilden en weeklaagden, en in diezelfde houding volhardde, toen hij onmiddellijk daarop ook nog zag dat men zijn zoon naar zijn executie bracht; maar toen hij gezien had dat een van zijn vertrouwelingen onder de gevangenen werd meegevoerd, begon hij zich tegen het hoofd te slaan en de diepst mogelijke smart te tonen. […] …toen Cambsises bij Psammenitus informeerde waarom hij onbewogen bleef bij het ongeluk van zijn zoon en dochter, en zo weinig zelfbeheersing toonde bij dat van een van zijn vrienden, antwoordde hij: ‘Dat komt omdat alleen dat laatste verdriet met tranen geuit kan worden, terwijl de eerste twee ieder uitdrukkingsmiddel verre te boven gaan’.
    Op diezelfde gedachte stoelde wellicht de inval van die schilder uit de oudheid die de smart van de aanwezigen bij het offer van Iphegeneia moest uitbeelden in overeenstemming met de mate waarin ieder van hen door de dood van dat mooie onschuldige meisje werd aangegrepen. Toen hij al zijn artistiek vermogen daarin had uitgeput en de vader aan de beurt kwam, schilderde hij diens gezicht toegedekt, alsof geen enkele gelaatsuitdrukking deze graad van smart kon uitbeelden. Ziedaar waarom de dichters het zo voorstellen dat die ongelukkige moeder Niobe, die eerst zeven zonen en daarna achtereenvolgens evenzovele dochters verloren had en dus overladen was met verliezen, uiteindelijk in een rots veranderde,
    Diriguisse malis,
    Als versteend door haar smart. [Ovidius, Metamorfosen, VI, 304. Zijn versie luidt overigens: diriguitque malis.] om uitdrukking te geven aan de treurige, sprakeloze, doffe verbijstering die ons verlamt wanneer we overweldigd worden door rampen die onze draagkracht te boven gaan.
Ja waarlijk, als een verdriet extreem hard aankomt, brengt het onvermijdelijk de gehele psyche tot verbijstering en beneemt haar de vrijheid van handelen: zoals ons wel overkomt, wanneer we plotseling overvallen worden door heel slecht nieuws: we voelen ons beklemd, als het ware verlamd in onze bewegingen, zodat de geest, wanneer we ons tenslotte in klachten en tranen laten gaan, zich lijkt los te maken en uit de knoop te raken en zich ruimte en vrijheid lijkt te geven.


II
Als de Fransman Etienne de la Boétie in 1563 sterft, zit Michel de Montaigne aan zijn sterfbed. Het is drie uur, woensdagochtend, achttien augustus. Dat schrijft Montaigne de ochtend daarop in een brief aan zijn vader. La Boétie had 32 jaar, 9 maanden en 17 dagen geleefd, rekent hij uit. Of hijzelf huilde of zich heldhaftig hield in zijn verdriet, beschrijft hij niet. Het is zijn bedoeling de grootheid van La Boétie te verwoorden.
    Montaigne had zijn vriend maar vier jaar gekend. De drie jaar oudere dichter en humanist was z’n collega aan het parlement van Bordeaux. Toch zagen ze elkaar pas toevallig op een grote feestelijke bijeenkomst en het werd een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen. [II,28]
    La Boétie stierf dan ook pas nadat hij Montaignes naam nog murmelde. Een smerige dysenterie had hem op korte tijd volledig uitgeput. Hij bezweek eraan. Montaigne was bijna heel de tijd, met gevaar voor besmetting, dicht bij hem gebleven. Hij bleef achter met als enige troost wat zijn vriend hem naliet. Een nalatenschap, volgens La Boétie te klein om de vriendschap uit te drukken, maar toch gepast omdat Montaigne zo van de letteren hield. Mijn bibliotheek zal une souvenir de votre compagnon zijn, had hij Montaigne nog op het hart gedrukt.
    Op dat moment had Montaigne nog geen letter geschreven van Essais die hem beroemder zullen maken als geen ander uit die woelige zestiende eeuw. Een bizar omvangrijk boek [bestaande uit delen I, II en III] waarin commentatoren nog altijd geïmponeerd lezen terwijl ze zich afvragen wat hiervan het opzet kon zijn. Een enkel boek maar met meer dan honderd hoofdstukken met zowel filosofische als alledaagse titels, vlaggen die niet altijd hun lading dekken: Over de kracht van de verbeelding, Niet doen alsof men ziek is, Over postrijden, Over de gewoonte niet altijd kleren te dragen, … Wij noemen ze intussen de essays van Montaigne maar Montaigne noemde ze zelf nog les chapitres, hoofdstukken van het ene boek Essais. Hij hermuntte een oud-Frans woord, ook omdat wat hij schreef in geen enkel bestaand literair genre paste. Zijn schrijven had voor hem blijkbaar iets van essais: pogingen, proeven, probeersels, oefeningen dus. Maar oefenen in wat en met welk doel?

    Wat ik ook zijn moge. Ik wil het niet alleen op papier zijn. Mijn kunst en talent heb ik gebruikt om mij zelf iets waard te laten zijn; en mijn studie niet om te leren schrijven maar om te leren handelen. Ik heb al mijn streven erop gericht vorm te geven aan mijn leven. Dat is mijn beroep en dat is mijn werk. Ik ben alles meer dan een boekenschrijver. Ik heb iets willen presteren omdat het essentieel is voor mijn huidig welzijn, niet om het op te slaan en voor mijn erfgenamen te bewaren.
    [c]    Wie iets van waarde in zich heeft, laat hij dat tonen in zijn gedrag, in zijn alledaagse conversatie, in de manier waarop hij liefheeft en ruzie maakt, in het spel, in bed, aan tafel en in het afhandelen van zijn zakelijke en huishoudelijke aangelegenheden. Zij die in slechte broeken, goede boeken schrijven, hadden, als ze het mij gevraagd hadden, eerst hun broeken moeten maken. [II,37]


    Stop een filosoof in een kooi van dun, grofmazig ijzerdraad en hang hem hoog aan de torens van onze Notre Dame in Parijs, om evidente redenen zal hij inzien dat hij onmogelijk kan vallen en toch zal hij [als hij niet een geoefend dakbedekker is] niet kunnen verhinderen dat hij, als hij van die enorme hoogte naar beneden kijkt, verstijft van schrik. [II,12]

    Maar als het op sterven aankomt, de grootste taak die wij te vervullen hebben, kan oefening ons niet helpen. Tegen pijn, schande, armoede en soortgelijke ongelukkige omstandigheden kan men zich door gewenning en ervaring wapenen. Maar de dood kunnen we maar eenmaal beproeven. Als we daartoe komen, is ieder van ons een beginneling.[…]
    [a]    Toch geloof ik dat er een of andere manier is om ons met de dood vertrouwd te maken en hem enigszins te beproeven. [en hier volgt het verslag van Montaigne die zijn slapen becommentarieert en de dag dat hij bewusteloos viel…]
    Want inderdaad concludeer ik dat men om met de dood vertrouwd te raken er alleen maar dichtbij hoeft te komen. Welnu, zoals Plinius zegt is ieder mens voor zichzelf een goede leerschool, als hij maar het vermogen heeft zich nauwlettend gade te slaan. Dit is geen theorie maar een oefening voor me. Het is geen les voor anderen, maar voor mijzelf. […]
    Het is een netelige onderneming, meer nog dan het lijkt, om een zo dolende gang als die van onze geest te volgen; om in zijn diepste, meest duistere schuilhoeken door te dringen; de vele kleine nuances van zijn innerlijke roerselen uit te zoeken en vast te leggen. Het is een nieuw tijdverdrijf, […]. [II,5]


III
Ik herinner me dat een enkele zin me had verleid om bij mijn eindwerk-filosofie voor Montaigne te kiezen: Als wij aan de hemelpoort komen en de kans krijgen ons voor eeuwig te vestigen op dezelfde wolk als Erasmus en Rabelais, Shakespeare en Montaigne, zullen [denk ik] maar weinigen van ons eisen dat we in plaats daarvan voor altijd worden opgesloten met Rene Descartes, Isaac Newton en de exact-denkende maar minder vrolijke genieën van de 17e eeuw. [Toulmin] Een eindwerk schrijven leek me een eeuwigheid, dus ik koos ervoor om samen met Montaigne op dezelfde wolk te zitten.
    Maar toen ik de essays in handen had, en wel in de La Pléiade-editie, wilde ik het dure boek die eerste tijd geregeld uit het raam gooien. Het eindeloze oudfranse gebabbel over alles en nog wat ontmoedigde me, het voortdurende geciteer deed me twijfelen. Dit oorspronkelijke werk huisde maar even 1264 Latijnse ontleningen en ongeveer 800 andere citaten. Afbakening leek niet te helpen. Het essay met de filosofisch interessante titel Over de Verbeelding verhaalde over mannen die toen ze het in hun hoofd haalden dat ze impotent waren, het ook werkelijk werden. Het had Freud vermoedelijk geïnspireerd, maar wat moest ik ermee?
    Ik voorvoelde ook dat elk commentaar ontoereikend zou zijn, want al is Essais één enkel boek, in z’n complexiteit leek het erg veel boeken samen. Dat betekende, dat vond ik toch, dat ik dat ene boek minstens van begin tot einde moest lezen, le tout Montaigne. Ik telde een beetje wanhopig honderdenzeven essays, maar al vlug ging het een andere richting uit.
    Geen enkel Montaigne-kenner ontkomt eraan en ik grinnik nog telkens ik er een in handen krijg. Montaigne schreef de essays in een straf vlot taaltje en direct naar de lezer toe zodat de meeste commentatoren zich erg aangesproken voelen en doen alsof ze de beste vriend van Montaigne zijn. Verder babbelt Montaigne over wat dan ook, om even verder het tegendeel te beweren, om er later op terug te komen, om het uiteindelijk onbeslist te laten… Het werk geeft na vierhonderd jaar en minstens zoveel commentatoren nog altijd veel ruimte voor eigen interpretatie. Ook ik ontsnapte er niet aan, al verontschuldigde ik me en wees naar grote Montaigne-lezers die het ook niet konden helpen.
    Het was intussen uitgesloten dat het boek nog ooit het raam uit zou gaan, het lag op het nachtkastje, dicht bij mij. Aangestoken door Montaignes vrolijkheid, mildheid, eerlijkheid schreef ik een eindwerk filosofie dat overborrelde van plezier. En toch.
    En toch schreef ik ook over doodgaan en verderleven.
    Toen ik even later iemand over Montaigne vertelde, vroeg die waar ik Montaigne dan wel had ontmoet om verbaasd te reageren: ’Oh, die man is dood, ik dacht dat je het over een nieuwe vriend had.’ Tja.
    Wat is het waardoor een tekst jou entert, en waardoor je hem jaren later nog altijd achter je aansleept?

    Dit, lezer, is een eerlijk boek.
    [Voorwoord]


IV

Op 28 februari 1571 wordt Montaigne achtendertig jaar oud. Ondertussen bewoont hij met zijn vrouw het familie-chateau, hij beoefent een deftig ambt en heeft aimabele vrienden. Maar de dood van Etienne de La Boétie schrijnt nog na, de geërfde woonst zorgt sinds zijn vaders dood voor saaie verplichtingen en de godsdienstgekte en het politieke geweld verzieken zijn werk. Liever zou hij met zijn leeftijd in een van de robuuste torens van zijn landgoed wat verpozen. Een stoel om te lezen is hem genoeg, een tafel om aantekeningen te maken, een duizendtal boeken: Horatius, Sextus Empiricus, Lucretius, Plato, Vergilius… en op het plafond de lievelingscitaten gegrift.
    Op de muur van zijn studeerkamer stond de dag van z’n beslissing te lezen: L’ àn du Christ 1571, âge de trente-huit ans, … en verder dat hij, zijn publieke diensten beu maar nog in volle krachten, zijn leven in de schoot van de muzen wilde doorbrengen …à sa liberté, à sa tranquillité, à ses loisirs! Onder deze woorden stond echter een andere [minder vaak geciteerde] tekst: Beroofd van de dierbaarste, schranderste, beminnelijkste en volmaaktste vriend… dat Montaigne uit dankbaarheid voor de wederzijdse liefde de bibliotheek aan hem opdraagt.
    Montaigne had intussen met moeite het weinige werk van La Boétie uitgegeven, maar het verlies bleef wegen. Is het toevallig dat Montaigne de traditionele humanistische afzondering verkoos? La Boétie was humanist par excellence, meer dan Montaigne. Hij was zijn grote voorbeeld: de belezen humanist, de getalenteerde dichter, de deugdzame mens, vriend en mentor tesamen. Faisons-en tous deux l’ essai had hij Montaigne gevraagd, laat ons op klassieke wijze samen de deugd oefenen.1
    Maar Montaigne was lichtvoetiger geweest dan La Boétie. Jong en driftig had hij veel geld uitgegeven en onstuimig getrouwde vrouwen achternagelopen. Hij had weinig oren naar zijn vriend die hem al eens het huwelijk aanpraatte opdat hij niet door een of andere jaloerse echtgenoot zou worden ontmand. De deugd, ach, de moeilijke deugd.
    La Boétie was de vriend die hem eerlijk op zijn plaats zette, de filosoof waarmee hij kon redetwisten, de spiegel die hem eerlijk weerkaatste. Montaigne was, schreef hij, zo gewend in alles één van de twee te zijn, dat het na La Boéties dood leek of hij een half mens geworden was: ik wil zeggen: als ik dit hele leven nu vergelijk met de vier jaren waarin het me vergund was van de heerlijke vertrouwdheid en samenhorigheid met deze persoon te genieten, is het louter rook, niet meer dan een donkere vreugdeloze nacht. [I,28] Waar Montaigne in zijn Essays gedurig nuanceerde, moest elke relativering wegvallen wanneer het La Boétie betrof. Als hij bedenkt waarom hij van zijn vriend hield, voelt hij dat het alleen kan worden uitgedrukt door: Omdat hij het was, omdat ik het was. [I,28].
    Misschien wilde Montaigne in zijn toren het afgebroken gesprek met zijn vriend voortzetten, faisons-en tous deux l’essai, of minstens proberen een soort zelfgesprek aan te knopen. Schrijven kan op een bizarre manier die mogelijkheid geven, al blijft het onvoldoende en roept het de andere niet terug. Toch kun je, denk ik, Montaignes schrijven ook zien als een weigering van het verlies, een plaatsvervangend gesprek, een ongerijmde poging tot...
    In de essays staat nergens met veel woorden uitgelegd waarom Montaigne daar en toen in zijn kamertje begon te schrijven. Misschien was het hem ook niet duidelijk, al zijn er verzuchtingen die naar het verdriet om La Boétie wijzen. Ergens midden duizenden zinnen staat dat een melancholische stemming hem tot schrijven dreef, een stemming van zwaarmoedigheid, een stemming dus die zeer strijdig is met mijn natuurlijke geaardheid en veroorzaakt werd door de treurnis van het eenzame bestaan waarin ik me enkele jaren geleden geworpen heb, waardoor ik me de illusie in het hoofd heb gehaald me met schrijven in te laten. [II,8]
    Maar dat schrijven greep hem aan en Montaigne zou al snel blijven schrijven zolang er inkt en papier op de wereld was. Hij noemde z’n geschrijf echter graag gepraat, gebabbel, geklets… alsof er bij hem in de kamer een vriend was waarmee hij a l´aise van gedachten kon wisselen. Waarover zouden twee mannen in die tijd gepraat hebben? Over de kracht van hun verbeelding, over doen alsof men ziek was, over postrijden, over de gewoonte niet altijd kleren te dragen…
    De vele citaten in de Essays zou je inderdaad kunnen interpreteren als een stem die beaamt of tegenspreekt. Klinkt hier La Boéties stem? Het zou kunnen. Montaigne schreef de ontleningen over uit het dierbare nalatenschap. De boeken van zijn vriend lagen voor hem. Hij las enkele zinnen, woog ze op hun betekenis, legde ze behoedzaam in de eigen tekst: Zal ik je weer spreken? Of zal ik je stem nooit horen? [Horatius] Zo sloop er misschien die typisch Montaigneske toon in zijn tekst. Een toon waardoor je soms zin hebt Essais te sluiten en bij de man zelf op bezoek te gaan. Om onder een simpele kastanjeboom over leven te praten, over dood, over hoe je alweer de herfst ruikt.
    Al in het voorwoord staat dat Montaigne wilde dat de lezer hem in zijn gewone doen zag, eenvoudig en natuurlijk, zonder gezochtheid en gekunsteldheid. Dat is de manier waarop La Boétie hem zag. En dat is de manier waarop hij zich opnieuw wil tonen, aan de lezer en mogelijk aan een vriend die hem opnieuw zou passen. Het verlangen naar een vriend is de cri de coeur die doorheen de essays regelmatig te horen is. Het is moeilijk om als lezer ongevoelig te blijven

    want voor de vreugde van passend en aangenaam
    gezelschap is mijns inziens geen prijs te hoog.
    O, een vriend! [III,9]


V
Veel meer dan over de dood van anderen, schreven de oude filosofen over de eigen dood. Ik weet niet goed waarom. Kozen ze liever voor extreme situaties omdat hun denken meer houvast vond bij uitersten: mijn waarheid/mijn leugen, mijn leven/mijn dood? Of omdat ze spitsvondiger konden zijn? Als de dood er is, ben ik er niet meer, zolang ik er ben, is de dood er niet. Zo sprak de Griekse filosoof Epicurus. Goed bedacht, maar in de jij-vorm geeft het minder troost. Dat de dood er zal zijn, en daardoor de geliefde niet meer, is juist de kwestie.
    Denken over de dood van iemand anders is misschien moeilijker. Omdat er minstens twee mensen bij betrokken zijn: diegene die doodgaat en diegene die achterblijft. Omdat er al drie tijden zijn waarmee je rekening moet houden: met iemand leven, het sterven, en het overleven erna. Ach, en het maakt zoveel verschil wie die andere is die overlijdt. Over wie praten we nog als we het filosofisch hebben over de dood van De Andere?
    Montaigne las er de vroege ethici op na en die ethiek was uitgesproken individueel. Vooral de eigen dood stemde tot nadenken en het ging om de moed die dood onder ogen te zien. Wat de dood van de ander betrof, wist Montaigne dat de Stoicijnse houding de flinkste was, maar de stoicijnse onverschilligheid deed hem huiveren. Wat moest hij? Intussen was de rouw vooral een zaak van Gods pastoors geworden, veel meer dan van het eigen denken, en hij putte weinig troost uit het geloof. Het humanisme had de mens groter gemaakt en daardoor was god weer kleiner geworden.
    Al kon Montaigne omkijken naar klassieke tijden, hij moest in zichzelf een manier vinden om met de dingen om te gaan. De populaire boekjes op de markt over hoe te sterven, de Artes Moriendi, toonden dat er meer mensen uit zijn tijd onzeker waren. Het was een nieuwe melancholie, één die nooit meer zou overgaan, die in Montaignes tijd de dood aankleefde. De barokmens kon hopen op een uitgesteld leven in de hemel of voor alle zekerheid het aardse leven hier en nu omhelzen, het maakte weinig verschil. De adem van de dood blies in zijn nek. Toch besefte hij ook dat de dood als enige opkon tegen alle verandering die hij in zichzelf en rondom hem zag. En de eigen eigenste dood was het hoogste persoonlijke, iets wat niemand hem kon afnemen. Het troostte Montaigne misschien.
    Toen La Boétie zijn eigen dood stierf, bleef Montaigne achter met literatuur en filosofie. Filosofie is geen troost, al wordt vaak verlangd dat ze dat wel is, maar voor Montaigne maakte het niet uit. Waar filosofie troost kon zijn, moest ze het maar zijn, vond hij. Zijn gelukkige aard, het verglijden van de tijd, en ook heel wat filosofie heelden de pijn, zodat hij niet heel zijn leven over La Boétie moest blijven schrijven. Hij leerde, leven gaat opnieuw zijn gang, ook al gebeurt het meest verschrikkelijke.
    Montaigne was in die zin nog ver van de Romantiek verwijderd, waar het bon ton werd de geliefden te betreuren en te blijven betreuren. Heel wat dweperige mort-de-toi-essays en indroevige verhalen moesten nog worden geschreven. Misschien zelfs meer dan dat er verdriet zou zijn. Ze zullen de essays nauwelijks gelijken.
    Rouwen is nog meer als sterven ingebed in tijd en plaats. La Boétie stief in een andere tijd dan Seneca, mijn moeder in een andere tijd dan die van Montaigne. Klassiek, Barok, Postmodern. Wanneer was er het minste verdriet? Er valt heel wat over te zeggen.
    Een tijdje nadat mijn moeder stierf, ging mijn grootvader zelf maar dood, hij had er tenslotte de leeftijd voor. Toen hij met de laatste pruimen van de herfst op weg was naar de markt, stond zijn hart in één tel stil. Mijn eigen hart is nog jong, al betekent dat niets.
    Wij hebben intussen veel cynisme, nog meer teevee, een gedicht van Claus of praatgroepen vol wanhoop. We hebben Freud als we willen begrijpen wat ons overkomt. Ik had gelukkig ook Montaigne. Als iemand dood gaat en de wereld wordt leger dan hij was. En de hemel, waar de goden zijn buitengeveegd, is het ook. En de troost is zoals zo vaak ver te zoeken. Dan kun je net zo goed iemand lezen die er een kunst van maakte om niet te sterven van verdriet.
    En het moet gezegd, hij heeft talent om vriend te zijn.

 

1    In een brief aan Montaigne. Vertaling van Starobinski uit het Latijn. Dit zou volgens hem de eerste betekenis van essay kunnen zijn. Mem., p. 75 e.v.

In september verschijnt bij uitgeverij Lemniscaat het boek Meesterstukken [redactie en samenstelling Marc Van den Bossche] waarin hedendaagse filosofen commentaar leveren bij het ‘meesterstuk’ van hun favoriete filosoof.


Bibliografie
Montaigne, Essais, Bibliothèque de la Pléiade, Gallimard, Paris, 1962.
Montaigne, Essays, vert. Frank De Graaff, Boom, Amsterdam, 1993.
Starobinski J., Montaigne en mouvement, Gallimard, Paris, 1982.

(c) Ann Meskens