Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Wankel evenwicht

Jennifer G.M. Vrielinck

Neem een vliegtuig naar Japan en je bent er al voor je opgestegen bent. Een volledig Aziatisch publiek aan boord, dito menu en alle kranten in kanji. Het Latijns alfabet heb ik achtergelaten op het moment dat ik in Heathrow op het vliegtuig ben gestapt.
    Twaalf uur vliegen over Rusland en één overstap in Narita later zet ik voet op Japanse bodem. Hiroshima meer bepaald. Mijn leven, als ‘buitenstaander’ in een land waar het groepsgevoel boven alles gaat, begint. Ik ben een ‘gaijin’ in Japan. Mijn eerste kennismaking met de ondoorgrondelijkheid van Japan is het systeem dat bekend is als ‘banchi’. Dit is het systeem voor het ‘bijhouden van onroerend goed’.
    ‘14-42-201 I Chome Ino kuchi my o jin Nishi-ku’ is het adres van mijn logement. Er zijn maar weinig straten in Japan die een naam hebben en de nummers van de huizen verwijzen enkel naar de leeftijd van het huis ten opzichte van andere huizen in die wijk en niet naar de plaats ervan.
    De taxi stopt en de deur zwaait automatisch open. Veilig is anders maar wel handig met je armen vol bagage. Ik stap in. De deur zwaait dicht. De meter begint te lopen. De chauffeur start na een blik op het adres dat ik hem toegeschoven heb. Volgens de reisgids ligt de wijk waar ik moet zijn op een klein kwartiertje van de luchthaven. Waarom de chauffeur er zo’n vaart achter zet, is me een raadsel. Want ofwel heb ik vreselijk last van jetlag, ofwel lijken de huizen in Japan ongelooflijk goed op elkaar maar realistischer is mijn verdenking dat de taxichauffeur zomaar wat cirkels rijdt. Het duurt meer dan een uur voor ik ter plaatse ben, en de meter telt elke seconde. Met de hulp van de verkeersagenten die in hun wachthuisjes niets anders lijken te doen dan wachten op verloren taxichauffeurs die hun de weg vragen, komen we dan eindelijk aan bij het plattelandshuis van de familie Misutani. Zij zullen mijn gastgezin zijn tijdens mijn eerste dagen in Japan.
    Het liefst zou ik de hele reis enkel in ‘ryokan’ logeren. Jammer genoeg is er geen Japans ‘logeerhuis’ in de omgeving van Ino kuchi my o jin, tussen Hiroshima en Miyajima. Via de International Homestay Association heb ik het adres van de familie Misutani gekregen.
    De taxichauffeur rijdt weg en Misutani-san komt de deur openen. In het portaal, voor de versierde schuifdeuren, doe ik mijn schoenen uit en krijg een paar pantoffels. Mijn schoenen worden opgeborgen en ik krijg een paar ‘geta’s’. Dit zijn Japanse houten klompen met twee verticale plankjes onder de zolen, voor wandelingen in de tuin of de onmiddellijke omgeving van het huis. Misutani-san zijn vrouw wijst naar mijn rugzak en naar een hoek van de kamer. Het hele huis is een grote kamer met tatami, op de grond. De rijstmatten bedekt met gevlochten riet zijn niet alleen zacht maar ook geluiddempend. In een hoek van de kamer staat een zwartgelakt houten kastje: het shinto-huisaltaar. In de tokonoma, een aanpalend alkoof, hangt een beschilderde rol en staat een ikebana bloemstuk. De ramen hebben papieren vensters. Je waant je in het oude Japan. Alleen het ultramoderne grootbeeld televisietoestel en de technische snufjes zoals de rijstkoker, faxtelefoon, airconditioning en videoaquarium halen je terug naar deze eeuw. Uit de wandkast haalt mevrouw Misutani een opgerolde futon. Ze reikt me de futon aan en zegt: "Oyasumi Nasai". Acht uur en zonder enige kennismaking word ik vriendelijk verzocht te slapen: "Oyasumi Nasai", Slaapwel!
    Ik voel me eigenlijk toch te moe om nog lang wakker te blijven. Ik rol mijn futon open op de tatami-vloer en na nog geen halfuur slaap ik als een roos.
    De volgende morgen wekt een schelle alarmbel me. Misutani-san woont in een huis van het bedrijf waarvoor hij werkt. In ruil voor huisvesting van de firma staat een grote lichtreclame op zijn dak en wordt zijn leven geregeld door een complete luidsprekersinstallatie die afwisselend loeit als een sirene en populaire melodieën uitbazuint.
    Ik vouw mijn futon op en stop deze in de schuifkast bij de futons van mijnheer en mevrouw Misutani.
    In de tuin van het huis staat een douche en een houten Japans bad. Zo vroeg op de morgen is de lucht al warm en vochtig. De douche is zalig. Het is niet meer dan een dunne koperen buis die lauw water uitstort op een houten platform omringd door bamboestruiken. Ik zeep me in met perebloesemlotion en spoel me af. Het water klettert op de lange, dunne bamboebladeren. De ochtendlucht prikkelt mijn huid en ik bedenk hoe heerlijker een douche in de tuin is in vergelijking met hetzelfde ochtendritueel in een dampige bevangen badkamer. Daarna ga ik in het hete bad zitten. Ik loop kreeftrood aan. Wanneer ik bijna gaar ben, stap ik uit het bad. Ik droog me af, omringd door nieuwsgierige buren-blikken van over de tuinomheining en het zenuwachtige gefluister dat er een gaijin in de buurt is. Velen van het dorp hebben nog nooit een buitenlander in levende lijve gezien en nog veel meer hebben nog nooit een vrouwelijke westerling gezien met blond haar. Het komt niet eens bij hen op dat ik wel eens een woord en zelfs een beetje meer Japans zou kunnen begrijpen.
    Gelukkig wachten ze met foto’s nemen tot ik terug aangekleed ben. Inderdaad, een Japanner en zijn camera... Onafscheidelijk!
    Bij het ontbijt, vis met gekruide eierplant, rijst, paddestoelen in azijnsaus en octopussoep, komt het hele dorp op bezoek bij Misutani-san. Ik merk dat mevrouw Misutani een heel populaire vrouw is die veel vriendinnen heeft. De mensen uit het dorp komen mee aan tafel zitten. Na een poosje besef ik dat ze niet komen eten maar de buitenlander komen bekijken die voor het eerst met chop-sticks eet. Ze nemen ook foto’s. En om de één of andere reden vinden ze me een geboren entertainer want de tranen rollen over hun wangen van het lachen.
    Na het ontbijt vertrekken de meesten. Een oude vrouw blijft. Ik vermoed dat ze de grootmoeder is. Ze neemt een borstel en begint mijn haar te kammen. Ze fluistert: "Kien, kien, kien...", "Goud, goud, goud..."
    Misutani-san kijkt me aan. Twaalf uur na mijn aankomst zegt ze: Hajimemashite! Watashi wa Misutani desu. Een kwartier lang worden Japanse beleefdheidsformules uitgewisseld. Daarna beginnen we aan de afwas zonder een woord te zeggen. Wanneer de eetkommetjes en de stokjes gewassen en afgedroogd zijn, neem ik mijn rugzak en vertel mevrouw Misutani en de grootmoeder mijn plannen voor vandaag. Misutani kijkt me aan en zegt eerder koel: "Ik zie je vanavond". Conversaties in dit land hangen samen van beleefdheidsformules en uitdrukkingen. Ik heb geen zin in een partijtje semantiek of interpretatie en besluit de vreemde aandoende afscheidsgroet te laten voor wat ze is en te vertrekken. Ik heb nog een lange wandeltocht voor de boeg deze morgen.
    Japan is het mooiste land op de wereld. Ik weet het al lang maar de voettocht bevestigt mijn gedachten. In een klein Zen-theehuisje drink ik groene thee en eet een plaatselijke lekkernij gemaakt van zoete bonen. Omringd door Japanse schoonheden op hoge houten schoenen en met elegante kimono’s voel ik me behoorlijk lomp in mijn shorts en Noorse kousen. Een muur van het theehuisje is opengeschoven waardoor je de tuin en de vijver kan zien. Boven mijn hoofd rinkelen de glazen belletjes. Grote wit en oranje gevlekte karpers komen nieuwsgierig met hun kop boven water. Een waterschildpadje zwemt met rustige gelijke slagen voorbij. Ik zit geknield op de tatami en drink de groene thee. Op een onverklaarbare manier voel ik dat ik echt leef.
    Morgen bezoek ik Hiroshima. Overmorgen vlieg ik naar Tokio. Dan beginnen de O-bon festivals en ik wil mezelf onderdompelen in dit leven. Het leven van een gaijin in Japan.

Na de thee vertrek ik naar de overzetboot die me naar Miyajima brengt. De overzet zelf duurt tien minuten. Het wateroppervlak is spiegelglad en van ver zie je al de wereldberoemde vermiljoen O-Torii of Grand Gate die in het water staat tegenover de ‘drijvende’ Itsukushima Shrine. ‘Meer dan drie uur heb je nodig om een onvergetelijke wandeling te maken op Miyajima’ volgens mijn lokale brochure. Samen met de talrijke herten die me begeleiden vanaf de pier wandel ik het eiland Miyajima rond. Het mooiste van alle pracht op dit eiland is wel de Itsukushima Shrine. Het houten heiligdom is gebouwd in de helft van de zesde eeuw en herbouwd in de twaalfde eeuw. Het staat op palen in het water waardoor het lijkt te drijven.
    Uit een automaat neem ik een blikje koude koffie, bij gebrek aan alternatieven en vanwege de grote dorst. De herten nemen een lichte lunch bestaande uit een milieuvriendelijke brochure uit mijn rugzak en als nagerecht, een vierkleurige affiche voor ‘Afternoon Tea’ vers van de muur.
    Terug in het huis van Misutani-san schrijf ik een paar brieven aan de lage tafel.
    Zoveel impressies, emoties en verhaalaanzetten verduisteren mijn zicht op de werkelijkheid om me heen. Eerst deze op papier zetten om weer plaats te maken voor nieuwe. Ondertussen spuit de televisie Japanse soaps en reclame in de woonkamer. Niemand kijkt naar de televisie. Mevrouw Misutani kookt het diner en meneer Misutani verzorgt zijn karpers in het vijvertje. Het diner bestaat uit rijst, gekruide eierplant, rauwe vis op blokjes gekookte rijst en soep. Terwijl de Misutani’s uit versleten kommetjes eten, krijg ik het allerfijnste handgeschilderd porseleinen eetkommetje. Ik bewonder het misschien iets te lang...
    Mijn tweede dag in Japan. Geen voettocht deze keer maar de trein, de metro en het laatste stukje met de bus. Hiroshima. De hele stad staat in het teken van zes augustus 1945, kwart na acht. Het Peace Memorial Park ligt in het centrum van Hiroshima op een landtong tussen de Honkawa stroom en de Motoyasu stroom. Ik bezoek het Hiroshima Peace Memorial Museum. Een afgrijselijke videofilm vertelt het drama van de atoombom. Walgend van afschuw draai ik mijn gezicht weg van het scherm. Ik lees de horror af van de gezichten om me. Misschien niet zo’n goed idee om hier te komen. Het museumbezoek beperk ik al snel tot de informatieve tentoonstelling. Hoe? Wie? Waarom? Het emotionele deel laat ik over. Ik heb geen nood aan nog meer visuele voorstellingen van de pijn en het persoonlijk verdriet. Helemaal aangeslagen verlaat ik het museum. Meer dan een uur wandel en zit ik in het park van de vrede. Duizenden papieren kraanvogels hangen in de bomen en liggen op de monumenten voor de vrede. Nooit meer Hiroshima! staat er op het boekje dat ik in het museum kocht. En toch zijn er nog keikoppen aan het testen met die rommel. Sommigen van hen hebben zelf al Hiroshima bezocht!
    Het kasteel van Hiroshima, dat natuurlijk ook sneuvelde in de A-bom ontploffing, is volledig herbouwd naar het oude model in 1958. Het is nu een museum met historische voorwerpen uit het feodale Japan. Toch laten de videobeelden van het Hiroshima Peace Memorial Museum me niet meer los.

Terug bij Misutani-san pak ik mijn rugzak in om morgenochtend het vliegtuig naar Haneda te nemen. Mevrouw Misutani geeft me een pakje in rijstpapier dat ik morgenochtend op het vliegtuig pas mag openen.

De volgende ochtend op het vliegtuig vouw ik voorzichtig het rijstpapier open. In een weelde van roze papieren snippertjes ligt het porseleinen eetkommetje dat ik zo heb bewonderd...

Tokio is onvoorstelbaar! Een grootstad is niet meteen mijn lievelingsomgeving. Maar voor Tokio maak ik graag een uitzondering. De stad is het toonbeeld van Japanse organisatie en zin voor evenwicht. In mijn piepkleine, Japanse standaard hotelkamertje hoor ik dat het O-bon festival beneden in de straten in volle gang is. Ik pak mijn rugzak uit en neem snel een douche. En dan stort ik me in het feest. Dames in kimono dansen rond een houten opstelling waarop drummers betoverende ritmes uit hun instrumenten slaan. Kinderen maken zandtekeningen op de grond en aan kleine kraampjes worden Aziatische lekkernijen verkocht. Papieren lantaarns wiegen in de wind. De muziek maakt me dromerig. Voor ik onraad ruik, komen een paar dames in kimono me halen om mee te dansen. Meer dan ooit voel ik me gaijin in Japan. Mijn handen en voeten zijn veel te groot en ik dans niet half zo sierlijk als de oosterse schoonheden rond me. Tot groot plezier van de omstaanders dans ik de hele dans uit, doe ik een mislukte poging om te ontsnappen en word uitgenodigd om een nieuwe dans leren. Fototoestelletjes klikken en ik veronderstel dat ik niet de enige ben die met een lach zal terugdenken aan mezelf als gaijin in Japan.
    Twintig jaar geleden moet ik me ook zo gevoeld hebben. Ondanks het feit dat ik al negentien jaar behoor tot de alfabeten voel ik me hier soms ineens volstrekt hulpeloos. Straatnamen, verkeersborden, advertenties en gebruiksaanwijzingen zijn onleesbaar en vriendelijk glimlachende mensen kijken me met medelijden aan wanneer ik de paar woordjes en zinnen die ik ken voorzichtig uitspreek.
    Hoe kom ik in Ginza, de beroemdste vermaakswijk van Japan?
    Ik heb een kaartje voor het Kabuki theater en de voorstelling begint om acht uur. Het stuk heet ‘Shin-ju’, dubbele passionele zelfmoord.
    Het belooft te druipen van Japanse drama en tragiek.
    "Ginza ni ikitai deska?" of hoe vraag je de weg ook al weer in het Japans?
    Een paar dames in kimono en met typische houten plankjes sandaaltjes klepperen voorbij. Kirrend achter hun zijden waaiers kijken ze me aan.
    "Kabuki, wa doko deska?" Nog meer gelach. Ze bekijken me van kop tot teen. Los blond haar, blote bruingebrande armen en benen, een blauw T-shirt, een beige short, Noorse kousen en stevige wandelschoenen. Gelukkig heb ik een vleugje mascara op en draag ik een fijn gouden kettingetje. De dames kijken mekaar aan en nodigen me al buigend en knikkend uit om hen te volgen. Een massa Japanse vrouwen en mannen staan in hun traditionele, beeldschone kimono’s voor de deuren van het Kabuki theater. Het theater zelf is pompeus en rijkelijk versierd met bladgoud en veelkleurige papieren lantaarns. De twee dames die me begeleiden, tonen me een soort kleedkamertje naast de ingang van het theater.
    Een oud vrouwtje kijkt me aan van achter een toonbank vol glitterjuwelen en prullaria. Ze buigt zo diep voor me dat ik vrees dat ze zal breken. Dan aait ze mijn haar en mijn gezicht en beginnen de dames te ratelen. Af en toe hoor ik "Gaijin", vreemdeling dus en Kabuki. Het oude vrouwtje kijkt me blij verrast aan. Ze glimlacht en haar oogjes schitteren. Ze begint te woelen in zijden stoffen en haalt een betoverende kimono boven. Witte zijde met gouden en zilveren borduursels op. Ze hangt de kimono over mijn schouders en begint met het ingewikkelde vouw- en strikwerk. Mijn haar wordt opgestoken en mijn ogen worden met een zwart streepje aangezet. Ik krijg een waaier en als hoogtepunt een paar beschilderde houten planksandaaltjes.
    De opera is prachtig. De kleuren, de kostuums, het decor.
    Ka, bu en ki, drie woorden; zingen, dansen en acteren. Samen vormen ze het woord Kabuki dat balanceren betekent.
    De hele essentie van mezelf, een gaijin in Japan, ligt in dat woord. Dronken van de emoties, de kleuren en de muziek balanceer ik op mijn planksandaaltjes naar buiten.
    Ik ben bewust van mijn wankel evenwicht.

(c) Jennifer G.M. Vrielinck