Over dichters die schrijver willen
worden 1. Orator fit, poeta nascitur. Een redenaar
kun je worden, als dichter word je geboren. En de schrijver? 5. Als je veertien wordt, schrijf je je eerste gedicht. 6. Hoe weet je dat wat je schrijft op je veertien, een gedicht is? Je weet dat van enige grafzerken, van sommige geïnspireerde overlijdensberichten, van lessen over het Schrijverken van Guido Gezelle op school. 7. Mensen weten: een gedicht rijmt. Zoals
krinkelen op winkelen. Zoals Schrijverken op Blijverken. Zoals kabotseken op? 8. In een gedicht mag je aan om het even welk woord stoppen en op de volgende regel verdergaan. Dat noemen we enjambementen. Zo kun je van de zin ik ben moe, ik denk dat ik maar eens naar bed ga, een draaglijk gedicht maken door alle woorden onder elkaar te schrijven. Als je daar nog wat woordspelingen bij doet, heb je een realistisch gedicht van Herman de Coninck. 9. Je mag ook woorden weglaten. Je mag ook woorden. Je mag ook. Je mag. Je. 10. Het weglaten van woorden geeft allemaal
samen veel wit. 11. Hoe meer wit, hoe meer intensiteit, zeggen sommigen. We noemen ze minimalisten. Gedichten die volledig wit zijn, zijn dan ook het meest intens. Dichters die volledig witte gedichten schrijven, noemen we idioten. 12. In gedichten zitten ook beelden. Als er geen als bijstaat, noemen we die beelden metaforen. Zo maken we van het beeld leven als God in Frankrijk de metafoor God leeft in Frankrijk. 13. Gedichten met heel veel metaforen en adjectieven noemen we barokke gedichten. Barokke gedichten worden uitsluitend geschreven door Luuk Gruwez. 14. Op hun zeventiende schrijven normale mensen hun laatste gedicht. Daarin houden ze vol dat ze iemand anders beminnen, beu zijn, of allebei. Normale mensen schrijven helemaal niet meer na hun zeventien. En als ze al schrijven, is dat een boeiend verhaal. Maar daarover later meer, of liever minder, of liever helemaal niets, want ze vallen buiten dit bestek. 15. Geboren dichters volharden in de broosheid. 16. Geboren dichters, over hun toekomstplannen ondervraagd, zeggen: ik wil dichter worden. Waarom? In de poëzie is geen protocol. 17. Geboren dichters lijden aan een ongeneselijke ziekte. Die van het leven. Daardoor zijn ze te onderscheiden van mongolen, autisten, mensen met het Williams-syndroom. 18. Ooit probeert iedere geboren dichter toch ook wel eens proza uit. Afhankelijk van het succes daarmee, begint zon dichter vroeg of laat of nooit met het schrijven van een boek. Maar daarover later meer. 19. Het succes bij het schrijven van proza, hangt af van het soort geboren dichter dat je bent. 20. Er zijn twee soorten dichters: zij die met het gedicht iets willen zeggen over de werkelijkheid, en zij die met het gedicht iets willen zeggen over het gedicht. 21. Gedichten die over zichzelf gaan, vertonen veel verdichting van betekenis. 22. Verdichting van betekenis krijgen we
door het over en in elkaar schuiven van betekenissen, polysemantiek, en het over en in
elkaar schuiven van ervaringen, synesthesie. 23. Zulke poëzie wil niets meedelen dan zichzelf, dan het hypersensitieve betekenissenspel van al wat er niet staat. 24. Dichters die zon poëzie schrijven, willen niet iets vertellen. De vraag is of zulke dichters ooit proza kunnen schrijven. 25. Je zou kunnen zeggen, hoe taliger de poëzie, hoe minder de dichter geneigd zal zijn tot proza. Hoe weerbarstiger, hoe hermetischer, hoe meer naar zichzelf verwijzend de dichter, hoe minder hij geboren is voor proza. 26. Rilke schreef bijvoorbeeld Malte Laurids Brigge, een boek dat allesbehalve een roman is, ook al verschijnt het onder die vorm. En toch is het één van de mooiste boeken die er zijn, ook al gaat het alleen maar over zichzelf. 27. Dichters die alleen maar het gedicht willen meedelen, zijn eigenlijk sado-masochist. Ze zijn masochist, want ze willen het onmededeelbare meedelen, en ze zijn sadist, want ze willen dat de lezer het onleesbare begrijpt. 28. Deze dichters zijn dan ook endogene dichters, de echte misschien, de dichters-vanbinnenuit, de poëtopaten. Ze zijn ongeneselijk autistisch, ze zijn geobsedeerd door hun eigen verbeelding, hun poëzie verloopt statisch, gefixeerd. 29. De endogene dichterhand is nooit gevuld, natuurlijk. Want waarover schrijven ze? Over dat wat niet is. Over er zijn, want je bent er niet. Over er niet zijn, want je bent er geweest. 30. Echte dichters zitten altijd zonder sigaretten, de drank is op, en iedereen is al naar huis. 31. De andere soort dichters schrijft transparant. Ze delen iets mee over de werkelijkheid. 32. Gedichten die over de werkelijkheid gaan, zijn leesbaar. Ook tussen de soep en de patatten, bijvoorbeeld. 33. Leesbaarheid krijgen we door het
eenvoudige gebruik van het enjambement. Door bruikbare metaforiek. Door spel. 34. Transparante dichters willen worden begrepen. Er staat wat er staat. 35. De poëzie van de transparante dichter is een spel. Een suggestie. Het duurt zolang het duurt, het niets zal wel met een flits verschijnen, maar dan weer opgaan in het spel. Het niets, het tekort krijgt niet alle zwaarte, het is draaglijk. 36. Transparante poëzie is vooral aaneenschakeling. Geen fixatie maar beweging. Geen obsessie, maar ruimte en tijd. 37. Transparante poëzie wordt geschreven door exogene dichters. Exogene dichters moeten niet, ze mogen. 38. Exogene dichters zijn dus mongolen. Ze houden van spel, ze zijn vlug afgeleid, ze zijn kinderlijk, beweeglijk en neurotisch. 39. Exogene dichters spelen dat ze dichter zijn. Exogene dichters kunnen mogelijk ook proza schrijven. Wat is een roman anders dan een oneindig enjambement? 40. Exogene dichters hebben altijd geluk.
II. Over schrijvers 1. Er zijn schrijvers en schrijvers. De ene soort schrijvers heeft iets te vertellen. De andere soort schrijvers heeft gewoonweg niets te vertellen. Wel iets te zeggen. 2. Hoe komt het dat er twee soorten schrijvers zijn? Dat komt omdat we hier de zaken graag eenvoudig houden. Er zijn volwassen schrijvers, en dat zijn de vertelschrijvers, en er zijn kinderlijke schrijvers, en dat zijn de zegschrijvers. 3. Volwassen - of vertelschrijvers houden graag het overzicht, zien de grote lijnen, houden van concentratie en een zekere mate van rechtlijnigheid en orthodoxie. Uit a volgt b, en van x naar y ga je langs een rechte lijn. Volwassen schrijvers redeneren volgens de logica van het schrijven; ze eten, drinken en bedrijven seks met mate. Ze spreken altijd met twee woorden. 4. Het voorgaande geldt ook voor de
volwassen lezer. Volwassen lezers willen een verhaal. Ze willen als volwassenen
aangesproken worden. Logisch, rechtlijnig, rationeel. 5. Hoe vertelt een vertelschrijver? Om het
met een beeld te zeggen: hij vertelt in een continue stroom van voorvallen. Die stroom
leidt van A naar B in een onontkoombare beweging. 6. Alle beeldspraak in verband met een goed
verhaal houdt verband met beweging. Emotie is vooral motie. Movere is emovere. Alsof de
lezer echt van hier naar daar gesleept wordt. Of terechtkomt in een stroom en meegevoerd
wordt. 7. De vertellende schrijver spreekt de lezer vooral lichamelijk en sociaal aan. 8. De vertellende schrijver is de oudste soort van schrijver. 9. De vertellende schrijver vertegenwoordigt de traditie, de norm. We weten, zo hoort het. We weten dat uit de geschiedenis, en ook uit ons persoonlijk verleden. Zie sprookjes, kampvuur, etc. 10. De verhalen van vertellende schrijvers lenen zich goed tot verfilming. 11. De verhalen van vertellende schrijvers zijn tot uitsterven gedoemd? Film doet dat soort dingen veel beter! 12. De kinderlijke schrijver heeft niets te vertellen. Daarvoor speelt hij te graag. Hij is snel afgeleid, zijn aandacht is verstrooid, hij heeft een voorkeur voor het kleine detail. Hij heeft geen benul van waar hij naartoe wil, hij weet ook niet waar hij vandaan komt. De kinderlijke schrijver volgt zijn intuïtie. Hij is wispelturig, grillig, en mateloos. Hij ergert en vertedert tegelijkertijd. 13. De kinderlijke lezer wil wel eens een grillig boek lezen. Hij houdt van het spel van de buitensporige verbeelding, plotloze verhalen die nergens over gaan. Hij heeft het gevoel dat hij de wereld pas echt begrijpt via het detail. Kinderlijke lezers zijn in de minderheid. 14. Hoe schrijft de schrijver die niets te vertellen heeft? Hij is zich nauwelijks bewust van het feit dat hij ergens vertrekt, en nog minder dat hij elders zal aankomen. Hij heeft geen haast om aan zijn verhaal een einde te maken, want zijn voorraad gebeurtenissen is maar zeer karig. Het is niet zo dat hij er bewust een slakkengang op nahoudt, het overkomt hem gewoon. In plaats van zijn lezer te verrassen, is hij zelf voortdurend verrast. Er duiken voortdurend hindernissen op die de gang van het verhaal vertragen of, beter nog, opheffen. In plaats van een gebeurtenissenstroom kunnen we hier spreken van stilstaande waters, die hoogstens met een dun streepje vloed verbonden zijn. Zulke schrijvers staren voortdurend in hun verhalen, ze onderbreken zichzelf, ze worden vlug afgeleid van wat de hoofdzaak zou moeten zijn, namelijk de vloeiende beweging van begin naar einde. Wat leidt hen af? Details. Zaken die er op het eerste gezicht niets toe doen. Gevoeligheden. Subtiele veranderingen in de stemming. In het landschap. Opvallende woorden. Een bijzondere gedachte. Op alles moeten ze commentaar geven, over alles moet worden uitgeweid. 15. De beeldspraak in verband met niet-vertellende verhalen houdt verband met stilstand. Emovere is vooral ex-stare. Niet bewegen, maar uit jezelf treden. Niet de afstand, maar de diepte. Niet de vloed van de stroom, maar de diepte van het stilstaande water. 16. De niet-vertellende schrijver spreekt de lezer vooral geestelijk en individueel aan. 17. De niet-vertellende schrijver komt over als typisch modern. 18. De niet-vertellende schrijver doorbreekt de norm. Is het wel een roman? Is het geen bastaardvorm, die zich onrechtmatig de titel van roman toe-eigent? 19. De verhalen van niet-vertellende schrijvers lenen zich niet tot verfilming. 20. De enige soort verhalen die nog recht op
bestaan hebben, zijn de verhalen die niet vertellen. III. Over dichters en schrijvers 1. Endogene dichters schrijven geen proza, want ze zijn veroordeeld tot het gedicht. Ook al schrijven ze misschien wel de mooiste boeken die er ooit werden vertoond, net omdat ze alle wetten van de romankunst met de voeten treden. 2. Exogene kunnen eventueel wel proberen om proza te schrijven. Dat komt ook door het feit dat ze altijd geluk hebben. Denken ze toch. 3. Waarom willen exogene dichters proza schrijven? 4. Uit ontwikkelingsdrift, uit commerciële drift? Poëzie wordt niet meer gelezen, poëzie wordt niet meer verkocht, poëzie wordt niet meer uitgegeven. Ten bewijze, de dag van de poëzie. Als er dagen van iets worden georganiseerd, betekent dit, dat het onderwerp aan het uitsterven is. Dag van de panda, dag van de democratie in Oostenrijk, dag van de dichter. 5. De exogene dichters schoppen het op zijn best tot het niveau van de niet-vertellende schrijver. 6. Exogene dichters, die ooit de overstap maakten van poëzie naar niet-vertellend proza, omdat ze hun gedichten niet uitgegeven kregen, omdat niemand hun gedichten wou kopen of lezen, omdat ze in een soort niemandsland terechtkwamen, met slechts enkele andere dichters als rari nantes in gurgite vasto, gaan zo van de regen in de drop verzeild geraken. Want wie leest er over enkele jaren nog verhalen van schrijvers die niets te vertellen hebben? Wie wil ze nog uitgeven? Wie wil er nog voordrachten horen over dichters die schrijver willen worden?
|
|||||||||