Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Een studie in houdbaarheid

Harold Polis

Toen wij uit de tunnel kwamen ging het licht uit. De regen kletste in vlokken op de voorruit. Zo had ik het graag. Dicht en warm voelde ik mijn Laura naast me. Haar acajou krullen beledigden het grijs dat strak over de hemel was gespannen. Zo koud voor de tijd van het jaar. Op haar kruin trilden enkele weerbarstige pieken waarmee wij ons amuseerden in het donker. Elke piek een kus. Zo meteen zou ze wel toegeven.
    ‘En hoe is het met uw neus?’ vroeg ik.
    Elke vraag een dode mus.
    ‘Luk Semmelen, ik snap hoe langer hoe minder van u. Ge hebt wel het moment uitgekozen om bottinnen te gaan kopen,’ zei Laura verkouden.
    ‘Dan komen we al eens buiten.’
    ‘In mijn toestand? Altijd uw goesting doordrijven. Gelijk uw vader.’
    We reden langs de oude pakhuizen aan de dokken. Op de raamkozijnen had men spaanplaat bevestigd om duiven en landlopers buiten te houden. Vroeger stapelde men hier katoen, koffie en tabak. Tot men alles wegsleepte naar de droge en hoge hangars in het noorden. Heel lang daarna hadden de aspirant-architecten samen met enkele esthetisch overgevoelige docenten geprotesteerd tegen de leegstand. Ik was erbij geweest omwille van een meisje. Een middag als deze. Ze had me genegeerd. Ze at alleen rijst. Om te vermageren. En ze droeg slobbertruien, zwarte uiteraard, waarin andere handen verdwenen. Niet de mijne. Die van Marcel. En nu waren eindelijk de betonscharen aan het woord. Hun historisch besef bleef beperkt tot krassen en blutsen op de bedieningscabine. Geen tijd te verliezen. Het hart was reeds verwijderd. De gekraakte muren stonden aarzelend overeind met daarboven ijzers die naar alle kanten wezen, radeloos en kwaad, als de vingers van een levend begravene.
    ‘Daar zie. De pakhuizen,’ zei Laura.
    Ik schakelde verstrooid, haalde een grijze Volvo in. Vooroorlogse betonconstructies deden me huiveren. Ik met mijn prefab en snelbouwsteen. BVBA Centrabouw. Sleutel op de deur. Verdomme. Jaloers zou ik moeten zijn.
    ‘Dat zijn ze,’ zei ik.
    ‘Kunt gij u nog herinneren hoe het hier vroeger was?’
    ‘Ze lijken op een zwart paleis.’
    Ik liet de wagen een gezapige bocht nemen, te ruim, te breed, zoals mijn schoenen. De gecapitonneerde dakgoot van de pakhuizen was een meetlat van mijn ongeduld. Er stonden geen balen katoen meer op de plavuizen. Een dikke laag affiches verstikte de gaten die men in de muren had geslagen.
    ‘Kunt ge niet wat sneller?’ vroeg Laura.
    Nee, zij was geen dertig. Hoogstens vijfentwintig. Alleen haar mondhoeken. Het was zonde van haar mondhoeken. Maar dat is van te veel te lachen. Daar hielpen geen zalfjes en lotions tegen. Niets is opgewassen tegen de lach. En groot was de poort die wij voorbijreden, met in de achtergrond het silhouet van een sloopkegel.
    ‘Waarom zetten ze toch altijd een hek rond bouwputten?’ vroeg Laura.
    Haar hoofd tegen een achtergrond van opdwarrelende kalk en stof was een schim die samenspande met andere vergeten reisgenoten. De hele familie, mijn broer, mijn moeder, vooral mijn oude vader en een klein dozijn kennissen. Zij hielden een theekrans in mijn gedachten en brachten me in verwarring met hun roddels en gezeur.
    ‘Dat is zoals wanneer gij een vinger zou verliezen. De stomp naait men dicht.’
    Wie verdwenen was, mocht niet terugkomen. Wie te dicht kwam, vertroebelde mijn zicht. Laura was een vlek die voor mijn ogen danste.
    Nog een bocht. Scherper dit keer en bergop. En het licht werd okergeel. In de diepte naast de brug stonden wagons te roesten en hier en daar een verloren locomotief.
    ‘Ge moogt hier naar rechts draaien, Luk.’
    ‘Ik weet het.’
    ‘Pas op voor die Opel daar.’
    ‘Ik zie het.’
    ‘Vindt ge ook niet dat de vering een beetje begint te slijten.’
    ‘Ik voel het.’
    Van heinde en verre had men waren en kostbaarheden naar hier verscheept. De mond van de wereld slokte ladingen en cargo’s op en scheet ze uit over het achterland. Schransen, verteren en versassen deed men hier van harte. De mond stond nooit stil, het gebit brokkelde snel af, op ochtenden als deze gaf de walm van het bederf u een klap om de oren.
    Laura en ik vochten ons een weg naar voren. We poetsten onze tanden ‘s ochtends en ‘s avonds. We schrobden de tegelvloeren van onze herenwoning elke zaterdag. We sliepen in en dachten aan een vlammende waarheid die we even snel weer vergaten en vervingen door een nieuwe waarheid. Want wat kort het u krom te werken zonder de prijs van het geluk te kennen, zei Marcel. Of was het andersom? Wie softwarepakketten verkoopt heeft makkelijk praten. De laatste keren dat wij met elkaar hadden afgesproken was het of Marcel tegen een vreemde sprak, misschien wel tegen zichzelf. Want mensen moet ge kloten. Dit is wat mensen willen: ge verkoopt hun een stuk stront en ge maakt hen wijs dat ze met een goudstaaf naar huis gaan. Er was een tijd geweest dat ik met spijt in het hart afscheid nam van mijn vriend.
    Ik heb hem nooit vertrouwd. Ik heb nooit geweten wie of wat hij nu juist was. Toen Laura zo had gesproken, had ik haar in mijn armen genomen. Ik wilde niet alleen staan met mijn inzichten. Dat ik haar nodig heb, herhaalde ik bij mezelf. Zij schetst wat ik niet kan zien. Een beetje architect smacht tenslotte naar ruwbouw.
    ‘Ik begrijp niet waarom ge weer met Marcel gaat stappen,’ zei Laura.
    Ik moest lang zoeken naar een parkeerplaats en een antwoord.
    ‘Na deze keer nooit meer. Het moet in schoonheid eindigen,’ zei ik.
    We wandelden naar de ingang van de Adventure store en Laura legde een spoor van verfrommelde kleenexdoekjes.
    ‘Het boterde toch niet meer tussen jullie?’
    ‘Marcel wil het goedmaken.’
    Zo zijn leugens, onooglijk en snel en wie niet weg is, is gezien. Gisteren nog meegemaakt op tv: het verhaal van een kleptomaan met schuldgevoelens. Telkens hij Marks & Spencer of H&M had bestolen, kocht hij er voor duizend frank prullen om het goed te maken.
    ‘Zult ge dat dan achteraf ook met mij doen?’ vroeg Laura.
    Het was of men een emmer ijswater over mijn rug goot. Ze haakte snel haar arm in de mijne. Ze gloeide. Misschien heeft ze wel koorts, dacht ik. Misschien wordt ze heel ziek en moet ik thuis blijven. Ik wist niet wat het ergste zou zijn en al evenmin wat ik met haar aan moest.
    De Adventure store was gelegen in een omgebouwde hangar. Mijn vader had er zijn fin de carriëre als magazijnmeester beleefd, lang voor een strategisch bedrijfsplan General Motors tot afslanken dwong. Hier voerde Jozef Semmelen dialogen met moeren en bouten. De magazijnmeester van het leven en van de fabriek. De grote ordeschepper die nu elders lijsten maakte en verzamelingen aanlegde.
    De dokters hadden Jozef Semmelen drie maanden gegeven. Dat was nu drie jaar geleden. Als ik zelf het stockbeheer van mijn gezwellen kon doen was ik allang genezen. Jozef Semmelen had zijn valiezen gevuld en was beginnen reizen in het gezelschap van Monique, een veertigjarige secretaresse die hij kende van de dienst facturatie bij GM. Zo nu en dan viel er een kaartje in de bus uit Venetië of Mariënbad. Vele groeten van vader. En let op uw cellen.
    Achter lianen gloorde een horizon van betonplaat. Metalen pijlers had men verborgen onder camouflagenetten. In de lichtkoepels hingen kano’s en kajakken te bungelen. Het liep er vol wereldreizigers.
    ‘Kunnen wij u helpen?’
    Het boletenhoofd van een rosse verkoopster dook op van achter een collectie alpiene accessoires. Uit haar mond dwarrelde een oerwoudachtige mist die afkomstig was van een sigaret.
    ‘Ik zoek stevige, waterdichte bergschoenen,’ zei ik.
    Het meisje trippelde naar een plastic palmboom waar ze haar sigaret tegen uitdrukte.
    ‘Waarom, Luk?’ ging Laura onverstoorbaar verder. ‘Geef mij een goede reden waarom ge u nog een laatste keer belachelijk wilt maken met dat vriendje van u.’ Ze nam een ijshamer uit het rek en kneep in het handvat om haar woede af te leiden.
    Bij het wanstaltige hoofd van de verkoopster hoorde een lichaam dat niet minder op een uitwas leek en blijk gaf van een zeldzame gevoeligheid. Elke verwensing die werd waargenomen bracht de bulten en banden in beweging.
    ‘Omdat ik er aan toe ben. Omdat ik voor een keer eens iets op een deftige manier wil afsluiten,’ riep ik en ik zag de verkoopster trillen als een overvol bord vla.
    ‘Ge durft niet anders. Dat is het. Ge durft niet,’ kraaide Laura. Ze dwaalde af naar de klimhaken en de touwen. Naast me kropen twee baby’s giechelend door een installatie die de kookhoek van een indianenkamp moest voorstellen. Uit de mond van een opgezette beer kwam hol gebrul. De baby’s maakten Laura aan het schrikken. Ze vluchtte naar buiten.
    ‘Sorry’, zei ik, zomaar.
    ‘Och meneer,’ zei het meisje, ‘het zal u goed doen er eens uit te zijn.’
    Het was me niet duidelijk via welke plooi in haar gezicht ze sprak, maar ze was lief.
    ‘Dat probeer ik haar al de hele dag uit te leggen,’ zei ik.
    Zeer voorzichtig en volstrekt besluiteloos paste ik drie paar bottinen. Wat een mens onderscheidt van een beest is het vermogen keuzes te maken, dacht ik. Kiezen matte me af de laatste maanden. En tegelijk had ik afzichtelijke nachtmerries waarbij ik me in de spiegel bekeek en mezelf als dier zag. Gisteren nog was ik een neushoorn. Vannacht een pekinees.
    Ik nam ze alledrie.
    ‘Pak ze maar in,’ zei ik overhaast, en vervolgens, wijzend naar de beer, ‘het lijkt wel of hij zich verveelt.’
    ‘Zwijgt stil,’ fluisterde het meisje die met de wisselende lichtinval veranderde in een zeekoe. Men praat tegen me. Men heeft interesse voor me.
    Het afrekenen verliep lekker Westers. Vier cijfers en een glimlach. Laura stond me op te wachten aan de uitgang. Haar ontreddering had plaatsgemaakt voor vastberadenheid die even broos leek als haar bruine krollen. Ze moest dringend naar de kapper.
    ‘Ik hoop u alsnog op andere gedachten te brengen,’ zei Laura in de wagen.
    Ze legde haar hand op mijn knie en wreef zacht om iets tot leven te wekken. Onder mijn jas kriebelde de scheerwollen trui moordend.
    ‘Ja o ja,’ zei ik en ik duwde haar weg. ‘Ik draag toch liever sweaters.’
    ‘Ge hoort bij mij, Luk. Zo iemand als Marcel, die hebt ge eigenlijk toch al achter u gelaten.’
    Moet ik daarvoor naar u luisteren?’ Ik had er geen aanleiding voor, maar toch geloofde ik haar half.
    Laura keerde zich om en hulde zich in een monumentale stilte. De John Hancock toren. Zo hoog. Het Aralmeer. Zo droog. De plas water voor hun deur wanneer het geregend heeft. De kleine ondiepe hindernissen die men mijdt. Er hingen haartjes op haar stoffen jas die ik er één voor één aftrok.
    ‘Hou daar mee op.’
    ‘Niet voor ik ze verzameld heb.’
    Met Laura aan mijn zijde, zou mijn angst ooit wegebben. Geen paniekaanvallen meer over de eeuwigheidswaarde van Gotische gewelven versus de ultieme reproduceerbaarheid van klapramen. Twijfel zou een helende trance worden, een ongeremde vlaag van opluchting, in dienst van de gemeenschap. Goed wonen voor iedereen. Het hing volledig van mezelf af. Marcel zou me helpen. Ik was eindelijk klaar om in de Apennijnen met mijn maat een week lang op rotswegeltjes te struikelen en af en toe een bloem te plukken. O Edelweiss. Flessen ontkurken. Blikjes pletten. Boeren laten. Alles gaat beter op een ander, zegt Marcel. Wanneer niemand u kent kunt ge bij wijze van spreken een liedje van Billie Holiday fluiten en in uw bloot gat rondlopen. Ik zal denken: och Marcel kom nu gauw en geef hier uw vuile moppen zodat ik het gat in mijn leven dicht kan timmeren. Vooral vogelen gaat beter.
    Gepakt en gezakt om een hoofdstuk af te sluiten. Het leven is al zo saai. Ge kunt er best een slag naar slaan.
    Scrupules noch verwondering, die Marcel, een overschot aan beproefde manieren om zich te onthersenen. Uw softwarematig probleem is onherstelbaar. Ik raad u aan een nieuwe harde schijf te steken, Luk.
    Thuisgekomen zwierde Laura haar jas in de hoek van de salon en hing met haar benen over de leuning van de sofa in het magazine van De Standaard te bladeren. Recepten en reportages bij de Mammeloeken in Equatoriaal Afrika.
    ‘Zo wil ik overleven,’ zegt Laura. ‘Daaraan wil ik mij overgeven.’
    Maar zij at te veel zoute nootjes en dronk een sloot goedkope porto terwijl ze naar The bold and the beautiful keek - gedubd in het Frans - en ze vertrok voor een uurtje naar bed, putain, je me sens misselijk, hikkend. Ik zat aan mijn bureau plannen te bestuderen. Architectuur heeft niets te maken met het ontdekken van nieuwe vormen. Architectuur is een slagveld van ideeën en keuzes. Onvermoeibaar zocht ik naar revolutionaire toepassingen van het Velux-raam.
    In de tuin achter de ligusters, op het rommelig gemetste natuurstenen wandelpad zag ik een gewonde vogel naar zijn sterfplek kruipen. Ga dan, dacht ik. Kom niet terug. Ik verwacht dat niet. Ik kan het alleen aan. Ik heb u niet nodig. Het zou allemaal verbeteren eens ik in het vliegtuig zat.
    Ja, het zou zoals vroeger zijn.
    In de wolken las ik het dagboek van een Portugese schizofreen die zijn leven vergeleek met kantklossen en het leven in het algemeen met een gemaskerd bal. Ik miste de noodzakelijke behendigheid om me te interesseren voor de patronen van die literaire mattenvlechter. Later. Waarschijnlijk in het bijzijn van Laura. Voor mij kwebbelden twee vrouwen die een penetrante geur van wasverzachter verspreiden, een zoetelijk aroma dat op vanille leek. Ook dat moest eerst voorbij waaien. En daarna, dan zou ik ook denken in patronen en oplossingen vinden.
    Er hingen schermen boven de lange rijen zetels en daarop verschenen nu al een uur lang beelden van gespierde mannen die elkaar verrot sloegen. Ik voelde me duidelijk. Mijn duidelijkheid liet geen ruimte voor verhalen, beelden of woorden. Mensen voelen te veel, vooral acteurs, die bovendien betaald worden om zeer zichtbaar te voelen. Laura zou me meteen gelijk geven. Ze haatte gebaren, straalde een ijzeren geloof in de stilte uit. Ik wilde haar invullen als een kindertekening en straf krijgen wanneer ik buiten de lijnen kwam. Ik miste haar soms als iemand anders.
    Een blonde airhostess bood me een drankje aan. Ik wees het af en nam nog een kauwgum om mijn oren open te houden. Mijn nieuwe bottines glommen in de goddelijke zuil van licht die door het glas viel. Boven Turijn maakte het vliegtuig een bocht, lijzig en laks trok ik in gedachten mee aan de stuurknuppel. De gouden mesosfeer slorpte me op. Het deed pijn aan mijn ogen. Niet omkijken nu. Dan is alles verloren. Ik zat versteend te wachten tot we weer op koers kwamen.
    Dit was alles zeer objectief. Loepzuiver. Herhaalbaar in saecula saeculorum. En ook de lucht leek een zaak van twee getallen. Ik verlangde er nu naar achter mijn apple te zitten, calculerend, vegeterend, vergetend dat er een analoge wereld bestond waarin Laura ‘s ochtends een ei bakte, zich omdraaide en vroeg: ‘Waar gaat ge naartoe vandaag?’
    De weerstand die ik vrij had gemaakt zat heel diep in me, weggestopt onder een wildgroei van koperdraad en hoogtechnologisch schroot.
    Het eten werd opgediend. Miniporties voor minimensjes met minimaagpijn. In de middengang zat een man die me schaamteloos toelachte. Ik duwde het boek van de Portugees in mijn reistas. Toen ik me bukte kruisten onze blikken elkaar. De groeven op de ander zijn gelaat verraadden jaren en kwellingen en de onverschilligheid die komt nadat de pijn zijn logica tot het uiterste heeft doorgevoerd. Een onbekende calculatiefout door fysische oorzaken. Hij leek op een makelaar in levensverzekeringen en hij knikte.
    Een uur en twee koffies later drentelde ik ongeduldig van bloembak naar bloembak voor de hoofdingang van Milaan Linate. Een gedrongen dertiger draaide het raampje van zijn gele alfa-romeo naar beneden en wenkte me. Marcel. Hij stond op springen. Alsmaar vetter en energieker.
    Ge moet uw eigen tijdbom zijn. Aanslagen moogt ge niet overlaten aan idealisten.
    ‘Het spijt me,’ zei Marcel. Hij haalde een verfrommeld telegram uit het borstzakje van zijn hemd.
    Ik las dat Laura schreef dat mijn vader Jozef Semmelen gestorven was. Zo maar.
    ‘Zij heeft mij daarnet nog gebeld om te vragen of het telegram mij had bereikt. Vrouwen. Altijd controleren,’ zei Marcel.
    Mensen werden ongeduldig. De alfa-romeo van Marcel blokkeerde het verkeer. Drie carabinieri’s trachten de wagen weg te duwen.
    ‘De klootzak,’ siste ik.
    ‘Gaat ge nu mee wandelen of wat?’ vroeg Marcel.
    ‘Ik moet terug, jong.’
    ‘Domme, en ik heb een berghut in de buurt van Urbino gehuurd. Met sauna en al.’
    ‘Later, Marcel. Later misschien.’
    Bot, kortaf, gelijk mijn vader.
    (‘Klapt tegen mij, vader.’
    Opgedroogd speeksel rond zijn mond die schichtig beweegt, als bij een konijn.
    Altijd zijn mond vergeten af te vegen, dat zwijn.
    Konijn. Zwijn. Op het eind van de dag een goeie fles wijn. Côtes du Rhône. Bij de beesten af, die Jozef Semmelen. En die fles moet op. Altijd.
    ‘Ik spreek tegen u.’)
    In de hemelen zit God de vader met een vierschaar van engelen en zij spelen kleurenwhist met een wisselende vijfde man. Wie minder dan twee slagen haalt moet zich een pluim uittrekken. Sint Pieter meldt via de intercom dat aan de grote poort is verschenen, Semmelen Jozef Helena. Jezus Maria wat smijt men nu weer binnen. God: Zegt hem dat we volgeboekt zijn. En Sint Pieter wandelt terug langs de met malachiet en saffier bezette trap tot hij Semmelen Jozef in het oog krijgt. Hij wuift naar hem om hem op zijn gemak te stellen en drukt dan op de rode knop naast de lichtschakelaar, zodat er een luik openklapt net waar Semmelen Jozef staat die met zijn klikken en klakken naar beneden suist. Zijn hoed dwarrelt nog wat rond en valt dan ook als een baksteen. ‘Plof’ zegt Semmelen Jozef die in een bed te Vianden terechtkomt, onbesuisd naar de afstandbediening van de tv grijpt, daarbij zijn evenwicht verliest en met het hoofd tegen het marmeren blad van de commode stoot.
    Afgelopen is het nu met Semmelen Jozef. Log ligt hij voorover en uit zijn oren druppelt bloed. De vrouw Monique die in een handdoek gewikkeld de badkamer uitkomt slaat de handen voor het gezicht.
    Nu heb ik ze goed zitten gehad.
    Hoe gaan die dingen. Ik kon nog net een last-minute richting Brussel regelen die een kwartier later vertrok. De tijd was gestopt. Ik dronk toeristenflacons gin. Er verschenen dauwdruppels op het raampje. Het was of we stilstonden.
    En of ik me licht misselijk voelde van de duffe lucht in het vliegtuig, de slechte nachtrust, het werk dat achter in mijn hoofd een stapel van onmetelijke omvang vormde die tegen mijn schedel drukte. Ik reed blindelings naar huis. De vertrouwde velux-ramen van de dakverdieping vingen het licht van de straatlampen en de fonkelende toortsen van de chemische fabriek lieten de rode haan kraaien.
    Laura gaf me een voorzichtige kus.
    ‘Wat gaat ge nu doen?’ vroeg zij.
    ‘Gij zei dat vader dood was en dat moeder mij verwachtte,’ mompelde ik.
    Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Vaders konden elk ogenblik sterven. Maar ik kon niet elk ogenblik weggaan.
    ‘Laat het rusten.’
    Allez, ik wist niet waar hij aan begon.
    ‘Luk toch,’ zuchtte Laura.
    In haar handen hield ze een aardappelmesje vast. Het blonk. En de knopen van haar hemd schitterden in het kunstlicht. Echt paarlemoer.
    ‘Luk, jongen. Het is het weer. Het zijn de lange dagen. Het is uw indigestie die weer de kop opsteekt.’
    Laura had vergeefs mijn kind gedragen. Nu sleepte zij vooral zichzelf mee. Allengs werd haar ademhaling smekender. Op avonden als deze vlijde ze zich tegen me aan en liet ze haar armen zakken. Dan wist ik dat ik haar naar boven moest dragen. Ze had het graag. Ze kon het graag niet aan. Ze had geen man nodig maar een verpleger. Pas op voor uw rug, had de dokter gezegd. Ge hebt er maar één. ‘Zij hebben mij nodig,’ zei ik.
    ‘Ze zouden u zelfs laten overkomen om hun afwas te doen. Omdat het iets te koud is. Of te warm.’
    ‘Ge overdrijft. Misschien hebben ze mij nog slechts een keer nodig.’
    ‘Lukske, mijn Lukske kom eens gauw.’
    ‘Laura,’ smeekte ik, omdat men nu en dan in sprookjes moet geloven.
    Smachtend, verlangend, brandend van hartstocht greep ik haar bij de schouders en duwde haar in het zand. De duinenpan tilde onze beide lichamen op tot aan de eerste wolken. Wij legden onze handen op elkaars hoofd en hoorden de zee bruisen, duizendmaal versterkt.
    Vervang het zand door het bezemhok van een bouwwerf in de Noordwijk. De bruisende zee is een sissende noodgenerator. Haastig knoopte ik mijn broek dicht nadat ik de stagiaire had opgemeten.
    Iedereen had meteen door wat er aan de hand was. Van de Poolse handlanger die op zijn vingers floot tot Feraaiken, de assistent-werfleider annex koppelbaas die later die dag van razernij een hele lading beton in de verkeerde put liet storten. Alle vriendcollegawerkmakkers konden mijn kloten kussen. Het was mijn werf, mijn bezemhok, mijn broek en mijn stagiaire. Die Pool van kust mijn kloten had ik op staande voet ontslagen. En op het trouwfeest hadden ze wel anders gezongen.
    Zo’n deftige bruid hebben wij hier allang niet meer gehad. Feraaiken schonk ons een volautomatische vaatwasmachine van veertigduizend ballen.
    ‘Pas op. Twintig jaar garantie hebt ge op zo’n Miele.’ gilde Frank, ‘ik ben curieus wat er het langste zal meegaan, zijn Miele of zijn Laura.’
    Er was een weg die ik bewandelde. Hoe hard ik ook werkte. Hoe laat ik ook thuiskwam. Er was geen uitweg.
    Over het plein viel de schaduw van een vliegtuig, een DC-10. Laura moest haar stem verheffen.
    ‘Het zal zijn zoals vorig jaar met kerstmis. Zij hebben toen geen woord gesproken,’ zei ze.
    ‘Gij kent hen niet.’
    ‘Gij zijt net als zij.’
    Mij helpt ge nog niet wanneer ik een bak water moet kopen. Glazen flessen. Meneer draagt zorg voor het milieu en zijn vrouw mag sleuren.’
    ‘Met kerstmis waren zij ziek. Buikgriep. Ze wilden ons niet aansteken met hun bacillen en zwegen.’
    ‘Het kan niet anders, Laura.’
    Vertrek dan. Ik wil u niet meer zien.’
    Ik gaf haar een kus en stond op tien minuten aan de andere kant van de stad bij een snikkende vrouw en een broer die ik maanden niet meer had gezien.
    ‘Bedankt dat ge zo snel zijt kunnen komen,’ zei Frank.
    ‘Moeder hoe is het met u?’ vroeg Luk.
    ‘En dan nog met die slet godverdomme,’ snikte ze.
    ‘Waar hebt ge het over?’ vroeg ik. En tot Frank: ‘‘Waar heeft zij het over?’
    ‘Hij was weer enkele dagen verdwenen met Monique. Ge weet wel, die secretaresse die hij van vroeger kent,’ zei Frank.
    ‘Ik weet van niks,’ zei ik ontsteld. Ik leunde tegen de buffetkast met mijn jas aan.
    ‘Ge zoudt misschien ook eens meer dan een keer per jaar kunnen langskomen,’ riep moeder.
    ‘Ik heb het nogal druk gehad de laatste tijd,’ zei ik.
    ‘Of zijt ge vergeten dat er ook een telefoon bestaat,’ brulde moeder.
    ‘De keren dat ik heb gebeld heb waart ge niet thuis,’ zei ik.
    Frank nam een fles rode porto uit de buffetkast. Volle eik.
    Daar zult ge veel geld voor krijgen, later.
    ‘Vorig jaar met kerstmis hebt ge zelfs niet de moeite genomen een kaartje te sturen,’ riep moeder.
    Frank schonk twee wijnglazen porto in en gaf er me één.
    ‘Die Monique belt om het uur. Volslagen hysterisch’, zei Frank.
    ‘Ze had hem beter bijtijds zijn pillen gegeven.’
    Het is gebeurd in Vianden.’
    ‘En dan?’
    ‘Dat ligt in Luxemburg. Probeert u maar eens in te beelden wat een administratief gezever het zou teweegbrengen zo’n lijk te laten repatriëren,’ zei Frank.
     ‘En zegt maar niet dat ik geen moeite heb gedaan. Uw Laura ja, die moet mij niet. En gij laat u maar al te graag doen door haar.’
     ‘Wat moeten wij aanvangen?’ vroeg ik aan Frank.
    ‘Wij hebben in elk geval het geld niet om hem door een ander te laten terugbrengen. We moeten hem zelf gaan halen.’
    Ik heb die Laura al lang door’, riep moeder.
    ‘De huisdokter wil hem officieel in België laten sterven als we hem voor morgenmiddag hier krijgen.’
    Frank en ik namen een deken en touwen mee uit de kelder. Op alles voorbereid zijn. Rond middernacht waren we klaar. We besloten de stationwagen van Frank te nemen, voor het geval we hem plat moeten leggen.
    Jozef Semmelen was een treuzelaar. Ik zag hem voor me, klein en gedrongen, op zoek naar de zin van de dingen en een sigaret. Materiaalmeesters hebben stress. Hun stress houdt hen scherp, doet de lijsten kloppen en voedt het gezin. De volgorde is minder belangrijk.
    Tot aan Brussel werd er geen woord gezegd. Er was nauwelijks verkeer op de weg. Frank zat aan het stuur en rookte de ene Belga na de andere.
    ‘En hoe is het met Sander?’ vroeg ik.
    ‘Ja, die wordt ook groot,’ zei Frank.
    ‘Ziet ge haar nog?’
    Frank trok zijn schouders op. Het was een kwestie geweest van geen goesting meer hebben.
    Wat die goesting betekende was mij nooit duidelijk geworden. Volgens Frank had het te maken met haar gebrek aan karakter. Laura dacht dat Frank geen nood had aan een vrouw maar aan een moeder.
    En die heeft hij al, had moeder gezegd.
    ‘Wreed schoon jong. Doe zo maar verder,’ zei ik.
    (Jozef Semmelen op een niet nader te bepalen winterdag.
    ‘Het komt mij voor dat ik vroeger veel slimmer en snuggerder voor de dag kwam.’
    Hij is slechts zestig, maar draagt anderhalve eeuw op zijn schouders. En nu daagt ook moeder op die alle gesprekken middendoor zaagt.
    ‘Ik wil niet ambetant doen, maar weet gij misschien hoe een mens gelukkig wordt?’ vraagt Jozef Semmelen aan moeder. Wij weten niet of hij het meent. Wij weten niet wat hij bedoelt. Ik sluit de deur die Jozef Semmelen heeft opengelaten, hij laat altijd de deur open, omdat ge geen enkele mogelijkheid moogt uitsluiten. Misschien slentert er wel iemand binnen die het leven verandert, wat ik op de zevende verdieping van dit appartementsgebouw onwaarschijnlijk acht. Buiten de familie en de buurvrouw Verbraeken Cathy en haar krijsend kind stapt er zelden iemand uit de lift. Hoewel ik dat vaak zelf verlang. Alles kan, beweert Jozef Semmelen, meestal ‘s middags rond vijf uur, wanneer hij van zijn werk terugkeert, maar ik zou niet willen dat alles gebeurt.)
    Halverwege de Brusselse ring zwol het verkeer aan. Vroeger was het spitsuur voor mij het teken om me terug te trekken in mijn kamer en me te pletter te studeren. Droom van een leven zonder familie. Ik ben twintig en fantaseer over de jaren waarin ik al mijn krachten richt op een groot doel. Velux-ramen.
    ‘Wanneer hebt gij hem voor het laatst gezien?’ vroeg Frank.
    ‘De doop van Sander,’ zei ik.
    ‘Was hij toen al met die Monique?’
    ‘Hij kwam een kwartier te laat binnen en maakte van zijn oren omdat hij het kind niet mocht vasthouden.’
    We waren drie uren onderweg naar Luxemburg. Drie uren van stilte en sigarettenrook. Bij Bastenaken hielden we halt voor een koffie en een bezoek aan het toilet. De wereld had een jas van ijs en sneeuw aangetrokken. Frank schoof uit, knalde tegen een metalen vuilnisbak en schaafde zijn enkel.
    ‘Ik denk dat er bloed in mijn sokken loopt.’
    De koude beet in onze gezichten en deed ons wenen. Ik gleed en Frank strompelde naar binnen. Om het evenwicht te bewaren hielden we elkaar bij de jas vast, zoals vroeger. De groep bejaarde toeristen die de toog met warme snacks barricadeerden week voor ons. Een draak met twee koppen, vier armen en benen.
    ‘Die mannen hebben honger’, riep de reisleider, gekleed in een fluogeel skipak.
    Een zwaar opgemaakte vrouw met hamsterwangen slaakte een gilletje.
    ‘Het is of ze mekaar zouden kunnen opvreten.’
    ‘Pas maar op of ik begin met u,’ zei Frank.
    Jaja, zoals vroeger. Geheel en exact zoals vroeger.
    ‘En weet ge wat het ergste is? Dat hij mij vorige week nog heeft uitgescheten voor rotte vis omdat ik vroeg waar hij naartoe ging.’
    Frank torende boven mij uit. De schaduw van zijn lijf overdonderde me. Hij ademde harder. Hij versleet zijn wagens sneller. Wat had ik hiertegen in te brengen? En Laura die mij thuis wilde houden, zogezegd omdat het mijn zaken niet meer zijn.
    ‘Ge kunt daar niet aan uit,’ zei ik.
    ‘Ik had hem allang door,’ zei Frank.
    Tergend traag rammelde er een konvooi opleggers voorbij waardoor ik niets verstond van wat Frank wist. Ik zag hem verschrompelen. Zijn schaduw verdween als een hond die slaag gaat krijgen. D’ailleurs, Frank dat is een sukkelaar. En sukkelaars daar heb ik geen affaire mee.
    ‘Ik dacht dat ik alles had meegemaakt, Luk. Eerlijk.’
    ‘Het is goed,’ zei ik kordaat, ‘we gaan zien.’
    ‘T’as un bobo?’ vroeg dienster Grujic Laura aan Frank. Zij droeg het zwarte haar in een knotje en onder haar bloes zat niets.
    ‘En waar staat gij naar te staren?’
    ‘Mijn vrouw heet ook Laura,’ zei ik.
    ‘Ja en hij wil zijn Laura tegen u inruilen,’ gremelde Frank. Hij snoerde haar de mond door een vuist vol servetten van de toog te nemen en zijn wonden te betten.
    ‘Met u kunt ge nergens komen,’ zei ik terwijl hij Grujic Laura betaalde.
    Het was beginnen regenen, grote, vuile lange strepen die gaten in de rulle sneeuw boorden. We aarzelden om naar buiten te gaan, besloten nog een zak chips en een doos droge koekjes te kopen voor onderweg.
    ‘Stel dat hij dit heeft opgezet om ons een kloot af te trekken,’ zei Frank. Hij drukte zijn neus tegen het raam en maakte een grote condensvlek waarin hij à bas schreef met zijn vinger.
    ‘De man had een zwak hart. Hij was oud. Wij wisten allemaal dat hij het niet lang zou trekken,’ zei ik.
    Frank boog het hoofd en zocht een excuus om terug te gaan naar de wagen. Ik ook. Ik had twee nachten niet geslapen. Sinds ik rechtop kon lopen had ik Semmelen Jozef meer dan mij lief was naar ginderachter gewenst.
    We bestelden nog twee koffies en trakteerden ons op een stuk kersentaart. Daarna was het gedaan.
    ‘Hebt ge nog iets te zeggen, Frank?’ lachte hij, ‘wij mogen niet treuzelen. Vader wacht op ons.’
    Wat is dat een vader? Is dat iemand die zijn zaad uitleent of geld binnenbrengt of instaat voor de bevoorrading van een familie-eenheid? Is dat een man, een vrouw met kloten aan haar lijf of een herinnering aan vroeger, toen wij de wereld opvraten en dachten het allemaal anders aan te pakken?
    ‘Of wat er van overblijft,’ zei Frank.
    Jaja, zoals vroeger. Exact zoals vroeger.
    ‘Doe nu maar gewoon. Kunt ge voor vijf minuten gewoon doen?’
    We verlieten de E40 en vonden een onbewaakte grensovergang vlak naast de Wiltz. Na een uur bereikten we de Duitse grens en reden we Vianden binnen. Het hotel lag vlakbij, diep verscholen in een woestenij van varens en sparren.
    ‘Nog even en we zijn er van af,’ zei ik.
    ‘Hij zal niet gaan lopen,’ zei Frank.
    ‘Nee, maar ik misschien wel.’
    Die ene keer, twee jaar geleden, had ik het vluchten geoefend.
    Toen Nora de deur had geopend, was het gegaan zoals ik gewild en gevreesd had. Mijn sprakeloze opwinding leidde me haar keuken binnen, wat me een veilige plek leek. Ik wist dat ik moest zorgen dat ik daar snel wegkwam. Als ik niet meteen weer opkraste zou het mijn dood worden. Nora wreef over mijn rillende rug, ze kneep mijn goede voornemens weg, mijn rotsvaste overtuigingen, mijn spanbetonnen wilskracht. ‘Let goed op,’ zei ze. ‘We moeten hier geen verantwoording over afleggen. We moeten tegen Laura zeggen dat moeder op krachten moet komen, dat ze het zwaar heeft, dat ze niet verder kan zonder de hulp van haar zoon. Dat verhaal geloven ze altijd.’
    Ik hing daar als een zak cement in een keukenstoel, klaar om uitgeschud te worden. Ze deed dat overigens voortreffelijk, Nora. Ze ging tekeer als een cementmolen terwijl ze vakantieherinneringen aan Turkije ophaalde ‘waar de mensen verdomd goed weten wat het is gelukkig te zijn’. Ik heb Laura inderdaad overrompeld met monologen over de nood van mijn armlastige oude reumatische moeder die evenveel recht had op mijn steun als op een paar krukken van de openbare onderstand. Ik ging helemaal op in mijn leugen tot ik gebiologeerd toekeek hoe mijn van gewrichtspijn jammerende moeder door de kinesitherapeut bewerkt en gezalfd werd. In het beeld van mijn moeder als een half ontklede smekelinge, glimmend van de massageolie, herkende ik vaag de contouren van forse Nora en hoe zij haar rug spande terwijl ik onstuimig de strijd aanbond met haar kolossale bezwete tetten die in mijn nek bungelden, even onontkoombaar als de tijd verstrijkt, wreed en zoet tegelijk.
    Ik heb Nora nooit meer teruggezien.
    Frank stopte bij de achteringang. Twee mannen droegen grote stapels vers gesteven linnengoed naar binnen en er stond een onbemande bestelwagen die delicatessen leverde. Via een zijdeur kwamen we bij de receptie. Niemand vroeg wat we hier deden. Een meisje met een stofzuiger stiefelde voorbij zonder ons aan te kijken. De blonde vrouw aan de balie begon onnozel te lachen toen we zeiden dat we Jozef Semmelen kwamen ophalen. Ze opende de deur van een aanpalend vertrek waar de gordijnen waren dichtgetrokken en knipte het licht aan.
    ‘Ik herken zijn schoenen,’ zei ik en ik wees naar de afgetrapte bruine mocassins van de gestalte die onder een tafellaken op de grond lag.
    ‘Er lopen nog wel mensen rond die zulke rommel dragen’, zei Frank.
    ‘Misschien moet ik u even alleen laten,’ mompelde de blonde vrouw. Haar hand kleefde op de lichtschakelaar, klaar om het licht te doven als het lijk tot leven zou komen.
    We besloten Jozef de veiligheidsgordel om te doen. Bij elk manoeuvre viel hij schuin op de achterbank. Frank pakte de schrik van zijn leven toen hij even voor Marche-en-Famenne vaders kille wangen niet meer in de achteruitkijkspiegel zag.
    ‘Hebt gij op het knopje van de schietstoel gedrukt?’ vroeg hij.
    ‘Is dat een stoel waarop ge vrijt?’
    ‘Jozef is gaan vliegen.’
    We besloten te stoppen op het eerstvolgende parkeerterrein. Frank vouwde de Michelinkaart open.
    ‘Nog vijftien kilometer,’ zei hij.
    ‘We leggen hem plat’, besloot ik. ‘Ik heb het gehad met die ouwe. Zelfs nu hij dood is werkt hij ons op de zenuwen.’
    ‘Kunt ge niet rapper?’ eiste Frank.
    ‘We halen het met gemak.’
    De snelweg was verlaten. Ik hield 140 aan. Dat vond ik snel genoeg. Het was tenslotte mijn wagen niet.
    ‘Waarom hebt ge nooit iets van u laten horen toen het misliep met Liliane?’ vroeg Frank.
    Ik had net vijf manieren bij elkaar gefantaseerd om me op een rechtmatige manier van Laura te verlossen. Hoe dwangmatiger ik met iedereen omging, hoe makkelijker het werd mijn onrust te bedwingen. De herinnering aan Nora deed de rest.
    ‘Ik heb u gerust gelaten omdat ge al genoeg last en zever aan uw kop had.’
    ‘Ja, en ik dacht van foert en verrekt. Mij ziet hij niet meer.’
    Op het parkeerterrein klungelden we tot we kramp in onze armen kregen. Jozef Semmelen leek veranderd in een wassen klomp en stonk naar afval. Eindelijk slaagden we er in onze wassen vader, de ongenode gast, over de achterbank te tillen. Zijn knieën staken omhoog en zijn rechterarm maakte een uitnodigend gebaar. We legden hem op zijn zij en bedekten hem met een deken.
    Hijgend piste ik tegen een praatpaal. Frank at een mars.
    ‘Hij heeft precies in zijn broek gedaan,’ zei Frank.
    ‘Och kom, ge rookt te veel. Ge hebt geen reukzin meer.’
    ‘Hier, kom zelf rieken, betweter.’
    ‘Bedwateraar.’
    ‘Pisser.’
    ‘Uw broek staat open.’
    Jaja, zoals vroeger. Helemaal zoals vroeger.
    Tien meter naar rechts begon het bos. Als ik hard rende zou Frank me niet kunnen stoppen. Ze vonden me nooit meer terug.

(c) Harold Polis