Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Maten

Jan de Leeuw

We zaten in De Cartouche, Nicky, de Fred en ik. En Nicky vertelt nog maar eens hoe Jeanine uitgespeeld is met Ronny. Het is moeilijk te volgen want hij is zat, zatter dan anders in elk geval. Normaal zit Ronny bij ons en dat is een trage drinker. Die houdt het tempo op.
    Het doet raar, om daar zonder Ronny te zitten. Nog altijd. Want na al die jaren kruipt er een soort routine in. Werk, wijven, een open beenbreuk, er komt al eens iets tussen. Maar zo lang alleen met ons drieën zijn we nog nooit geweest. We hebben onze vaste plek aan de toog. En de eerste dagen zonder Ronny wou ik op mijn plek blijven zitten. Maar die lege kruk tussen mij en de rest, dat ging niet.
    In het begin zeiden we, foert, de klootzak, als hij ons niet vandoen heeft, dat hij het in zijn gat steekt. Maar waarom waren we er dan nog altijd over bezig? Als wij zo goed zonder hem konden?
    En het rare is, Ronny had nooit veel te zeggen. Het was altijd Nicky die het woord voerde, Nicky naar wie iedereen keek, Nicky waar iedereen een beetje bang van was, met zijn jaren in de bak. Ronny zat er meestal maar bij om de hoop te vullen. Maar toch, we waren niet meer volledig zonder hem. Als Ronny weg kon vallen, dan kon er nog eenen wegvallen. En nog eenen. En voor ge het wist, zat ge daar alleen aan den toog in de Cartouche.
    Zonder maten. Een loser.
    ‘Doe het dan voor mij,’ had Nicky aan Jeanine gevraagd. ‘Het is een goeie gast.’ En zij, met veel pretentie: ‘wat peinsde dat ik ben, een hoer?’
    ‘Ja, op zo’n moment moet ge op uw tanden bijten, want haar tetten rolden er ver uit. En ge weet dat ik het niet gewend ben om bij de wijven te staan smeken. Maar het was voor Ronny. En wat doet hij er mee, met zo’n hete brok?’
    Ze heeft het mij ook verteld, zegt Freddy, en ik verschiet. Dat zou vroeger nooit gebeurd zijn. Freddy die Nicky onderbreekt. En Nicky die hem laat doen, die daar maar zit te knikken. En terwijl Freddy vertelt, zie ik het voor mij, hoe ze helemaal opgeschminkt aan Ronny zijn deur belt, en hoe hij opendoet, met die rooie oogskes van het blèten.
    ‘Awel, Ronny, ge verschiet nog al. Ik kom u eens buitenhalen, met zo’n schoon weer.’ En Ronny wil niet, hoe ze ook met haar borsten zwiert, maar ze wordt kwaad, en Ronny is te beleefd, zeker, om nee te zeggen. Of zijn het toch de borsten? En terwijl hij propere kleren aandoet, heeft Jeanine het al uitgestippeld: eerst een terraske, ‘t IJzeren Hand misschien, hem wat laten vertellen, compassieus doen, ‘arme Ronny toch, wat hebben ze met u gedaan?’ en hem genoeg opgieten om onopvallend naar zijn appartement te sukkelen en hem daar een paar keer te doen. Ze heeft het altijd een beetje gehad voor Ronny. Vroeger ook al, nog voor dat ze met Nicky begon. Rond hem draaien, als ze zat was eens tussen zijn benen zitten, ‘het werkt daar toch nog, hé, Ronnyken, ge onderhoudt het toch nog, anders...’
    En ze stappen in de auto. ‘Wat denkt ge van het IJzeren Hand’, zegt ze? Ronny zegt niks. Rijdt de autostrade op. ‘Ronny, waar gaat ge naartoe?’ Maar Ronny zegt niks.
    En hij blijft maar rijden.
    Jeanine zwijgt ook. Met wat zit ze nu in de auto? Is hij geflipt? Toch niet de Ronny? Maar door niks te zeggen, door alleen maar te rijden is hij iemand anders geworden. Is het van de hitte in de auto, of van de schrik dat ze begint te zweten, dat haar schmink begint te smelten? Want hier zit ze, en ze weet bij God niet waar ze naartoe gaan. Een of ander bosken in? Ronny?
    Maar hij draait niet eens zijn kop.
    En dan ziet ze dat hij naar de zee rijdt.
    Dat zou ze anders wel zien zitten. Dat heeft nog nooit een gast in zijn kop gekregen, om haar mee te pakken naar de zee. Zonsondergang. Meeuwen. Een restaurant. Klasse. Maar ze had het zich anders voorgesteld, niet met een halve zot, die over de autostrade slalomt.
    En het is ver donker als ze uitstappen, ergens aan de kanten van Bredene. De frisse lucht doet goed. Ze is weer wat op haar gemak. Hij gaat haar dan toch niet opensnijden en langs de kant van de weg achterlaten.
    En ineens is hij weg, de duinen in.
    ‘Ronny, waar gaat ge naartoe?’ En zij daar achter, met haar hoge hielen door dat zand, zijn grote stappen proberen inhalen en vallen. ‘Ge moest mij gezien hebben,’ zegt ze. En ergens in die duinen zet hij zich neer, met zicht op zee. En ik denk, domme kalle, hij moet u niet eens de duinen insleuren, ge loopt er zelf in, maar er loopt nog te veel volk om schrik te hebben, chiqué volk met pullekes over hun schouders.
    ‘En ik zet er mij naast, en hij beziet mij niet eens. En die gasten met hun pullekes nog veel minder. Het was mijn dag niet. En het wordt koud en ik denk dat het tijd is dat we naar huis gaan, dat die farce hier gedaan is. Ik heb er geen goesting meer in. ‘Ge moogt mij thuis afzetten, Ronny. ‘t Is genoeg geweest.’ En hij begint daar toch te blèten, te blèten als een zot, zoals ge soms kinderen ziet wenen, met snot en al. Het kwam er langs alle kanten uitgespoten, en nee, niet wat ge denkt.’

En Jeanine was naar het station gelopen en had nog de laatste trein gehaald en was daar lastig gevallen door twee makakken, met haar uitgelopen schmink zag ze er uit of ze al twee weken aan een stuk de straat had gedaan.
    Nicky was wreed bedankt om haar aan een zot te koppelen.
    Maar ja, wat hadden we niet geprobeerd voor Ronny nadat dat wijf hem laten zitten had?
    De eerste dag al stonden we aan zijn deur. Hij wou ons niet binnenlaten, wou niemand zien. Zelfs zijn maten niet.
    ‘Onnozelaar, ze is dat allemaal niet waard. Zijt content dat ge daar van af zijt. Het was een teef.’
    Maar het was nog te vroeg om dat te zeggen. En we kregen de deur op onze neus. ‘Alléé, Ronny, steek het kot niet in brand met die kaarsen.’ En we lieten hem zitten. Met de gordijnen toe. De deur op slot. Tussen de lege flessen, met een CD van Bon Jovi op repeat. Maar het duurde te lang. Ik was eens op mijn eentje gaan kloppen. ‘Ronny, hoe is het?’
    Het was tegen zijn goesting, maar hij deed toch de deur open. Ik zeg, ‘kom, we gaan eenen drinken’.
    Dat was nog voor ik zag hoe veel hij al binnen had.
    Nee, hij wou niet naar de Cartouche. Ergens anders, het kon hem niet schelen waar, maar niet naar de Cartouche.
    ‘Wat hebben ze u daar misdaan, misschien?’ Niks. Ik heb gewoon geen goesting. Okee? Okee, het was al goed, drank is drank.
    Ik zou hem laten vertellen, miserie en gebroken hart en al. Ik weet hoe dat is, ge zijt er toch altijd van gedaan, als er u een laten zitten heeft. Ge moogt ze nog niet graag gezien hebben. Ge moet daar wat kunnen over babbelen, tegen de maten zeggen waarom ze niet deugde en dat ge blij zijt dat ge der vanaf zijt, dat ze haar sigaretten in de koffie uitduwde, dat ze haar benen met uw gilette scheerde, dat ge niet kon pissen of er dreef daar weer iets in de wc waar uw maag van begon te draaien. En dat ge de eerste drie weken had gedacht, godver, wat voor heet vlees heb ik hier in mijn handen maar dat ze begon te bekoelen en dat ze wel nog goesting had, zei ze, maar dat ze de dag nadien moest werken of dat het haar week was om bij haar jongeren te blijven of ze zat met haar regels en twee maand later waart ge al content als ge haar nog eens op een zaterdag mocht pakken.
    We hebben het allemaal al eens voorgehad. Maar dat is geen ramp. Ander en beter. Een gat is een gat zei mijn vader altijd. Ge hebt toch nog altijd uw maten.
    En we gaan de Shakespeare binnen, niet echt iets voor ons met die garçons in hun wit hemd en Ronny zet zich aan een tafelke en niet aan de toog. Ik denk, ai, dat gaat hier langer dan een half uur duren vooraleer hij er doorkomt, vooraleer ik hem meekrijg naar de Cartouche bij de rest. ‘Wat is het? Is het nog altijd die Anja die in uw kop zit?’
    Hij kijkt op als ik Anja zeg. Ik denk dat zijn ogen uit zijn kop gaan vallen, bonk, en tussen de pinten de tafel afrollen, maar ze blijven hangen, meer rood dan wit..
    ‘We hebben dat direct zien aankomen, ‘zeg ik. ‘Ze paste niet bij u. Ge zijt er beter van af, Ronny, geloof mij. We waren te min voor haar.’
    Zijn arm gaat omhoog en ik zie de garçons kijken, die denken dat hij op mij gaat slaan, maar ik ken Ronny, dat is geen agressieve en daarbij, ik ben een maat. Zijn arm blijft daar hangen en hij wuift een garçon naar ons tafel.
    ‘Een whisky,’ zegt hij. Ik hou het bij een witteke, om te beginnen.
    ‘Lukske, toch,’ zegt hij dan. ‘Lukske, lukske, lukske.’
    ‘Hebt gij ooit al de vrouw van uw leven tegengekomen?’
    ‘Elke week,’ zeg ik.
    ‘Nee, serieus,’ zegt hij. En hij is serieus, zat-serieus, het ergste van het ergste, dan moet ge op uw woorden letten, dan kan alles verkeerd vallen, en dan moet ge niet proberen er u met een onnozeliteit vanaf te maken.
    ‘Ge weet,’ zeg ik ‘hoe ik was nadat Linda, ...’
    ‘Ik heb het niet over Linda, ik heb het over de vrouw van uw leven, Lukske, echte liefde, niet iemand met een schappelijk lijf die uwen was doet, niet uw moeder met groter tetten. Maar iemand die u binnenstebuiten keert, iemand waar ge wilt voor moorden, iemand die ge zoudt vermoorden, zo graag ziet ge ze, hebt ge dat ooit gevoeld?’ ‘Bah ja,’ zeg ik. ‘Maar dat gaat over.’
    En hij kijkt naar mij met zijn zatte oogskes en het is alsof hij compassie heeft met mij. Omdat ik na al die jaren een beetje verstandig geworden ben. Omdat ik niet tilt sla van geilheid. Omdat ik niet verliefd ben op mijn eigen miserie.
    ‘Gij, gij hebt nog nooit iemand graag gezien, ge weet niet wat het is.’
    Ge moet een zatterik nooit tegenspreken. Dat weet ik van mijzelf. En ik overloop eens met wie ik geweest ben. Zijn daar vrouwen bij voor wie ik zou gemoord hebben? Een paar die ik zou willen vermoorden, da’s waar, vooral op het einde.
    ‘Gij zijt nooit verliefd geweest, echt verliefd. Gij hebt nooit geleefd.’
    ‘‘t Zal al gaan, héé, Ronny. ‘t Is niet omdat ge ongelukkig zijt dat ge mij moet uitmaken. Ik moet niet alles pikken, omdat een omhooggevallen wijf u laten zitten heeft. Zij moet u niet meer hebben en ze wordt direct een heilige, en de rest is stront.’
    ‘Ge weet niet wat ge zegt. Ge weet niet wat voor een vrouw dat was. Alles aan haar was ongelooflijk.’En hij begint er aan. Hoe ze elkaar leren kennen hebben, dat alleen al was ongelooflijk.
    Madam stond in panne met haar auto en Ronny was de eerste die stopte. Hij had een kort rokske gezien, maar dat was genoeg geweest. En toen hij uit zijn camionet stapte, stond ze daar. Een verschijning. Een vrouw uit een boekske. Met een zonnebril in haar haar. De tijd stond stil.
    En andere auto’s stopten ook. Iedereen had precies tijd en goesting genoeg om op een hete dag onder een capo te hangen, maar ze zwaaide ze verder. Ze heeft al een helper in nood. Eentje was genoeg.
    Ze heeft haar motor kapotgekregen, zonder olie doorgereden. ‘Die gaat hier een tijdje staan,’ zegt hij tegen haar, ‘dat gaat u wat kosten. Als ze hem nog kunnen maken.’
    ‘Oei,’ zegt ze, maar ze trekt er zich niet te veel van aan, pakt haar GSM en belt een takeldienst. ‘Gaat het,’ zegt hij. ‘Ja,’ zegt ze. ‘Ze zullen hem wel wegslepen, zeker?’
    ‘Wat gaat ge nu doen?’
    ‘Ik ging naar de zee,’ zegt ze. ‘Ik zal moeten liften.’ En ze pakt haar tas uit de auto en hangt die over haar schouder en gaat langs de kant van de autostrade staan.
    En Ronny kijkt naar haar benen en denkt, dat zal niet lang duren.
    ‘Ge weet toch dat ge niet moogt liften op een autostrade zegt hij. Dat is veel te gevaarlijk.’
    ‘Wat moet ik dan doen,’ zegt ze en ze lacht eens naar hem.
    En zo was het begonnen. Ronny had haar mee in zijn camionet gepakt en was naar de zee gereden. Die laatste bestelling kon wachten. En ze waren op tijd voor de zonsondergang. En ze trekt hem mee de duinen in. ‘Niet kijken,’ zegt ze, en Ronny vertelt mij, dat hij niet gekeken heeft, dat ze vijf minuten later in haar badpak voor hem staat, hem de zee intrekt. Hij in zijn onderbroek.
    De rest weet ik zelf ongeveer. De weken daarop kwam hij minder in het café. Hij moest zogezegd veel werken. Het was al meer dan een maand bezig met madame cabriolet eer we er iets van wisten.Wij, zijn maten. En dan nog vertelde hij het alleen omdat zij ons eens wou zien. Omdat ze zoveel over ons gehoord had. Hij stond te blozen toen hij het vertelde. Hij zag zelfs niet dat we in ons gat gebeten waren, dat hij ons al die tijd had zitten beliegen. Maar we bleven beleefd toen ze kwam. Wat kon ge daar van zeggen, van die Anja? Dat ze paste bij haar cabriolet. Een schoon lijf, verzorgd, vriendelijk, zoals een prinses vriendelijk is tegen een rochelende gehandicapte in een rolstoel. En Ronny had het goed zitten. De vloer was te koud waar ze over liep. Zo hadden we hem nog niet gezien. Het was geen prinses maar een heks die hem betoverd had. Ze had hem bij zijn piet en ze kon hem alles doen doen. Ze was niet mis, daar niet van, ik zou ze zelf niet uit mijn bed gestampt hebben. Maar ze pasten niet bijeen. Het was zijn slag niet. Op een dag ging ze hem laten vallen als een baksteen. Dat wisten we. Dat hadden we moeten zeggen. Maar we lieten hem doen.
    En het duurde niet eens zo lang. Twee-drie maand. We hadden het al langer voelen aankomen. Ze was een paar keer niet op een afspraak gekomen. Maar had altijd wel een goeie uitleg. Jaja, Ronny. Trek u ogen open.
    En dan. Gedaan. Van de ene dag op de andere. We moesten ons niks voorliegen, we waren blij, beter de korte pijn.
    Maar dat het zo lang ging duren, dat wisten we niet.
    Want hier zat hij en elk woord dat ze uit haar mond had laten vallen wist hij nog. Het was ziekelijk aan het worden. Hij kocht in de GB haar parfum, en rolde zich dan in de lakens. Hij rook aan haar maandverband. Ik zeg, ‘Ronny, ik moet dat eigenlijk niet weten. Het wordt tijd dat ge u daar over zet. Het is gedaan. Ze gaat niet meer weerkomen. Het kan haar geen fluit schelen dat gij op haar tampons zit te sjokken, zij vindt u waarschijnlijk ne grote loser. Hebt gij geen trots?’
    Maar het waren woorden in de wind. Hij werd zatter en zatter en begon te roepen en de garçons probeerden ons buiten te krijgen en enfin, toen ze die nacht in de kliniek mijn kop zonder verdoving probeerden dicht te naaien, had ik efkes genoeg van Ronny.
    Maar na al die weken van foert zeggen, zaten we hier weer met ons drieën. En waren we weer over Ronny bezig. Ik had die dag gehoord dat het erger werd, dat hij geen telefoons meer oppakte, niet meer buitenkwam, zijn werk had laten schieten, dat de buren reclameerden van de stank. En dan vertelde Nicky nog eens dat rampenverhaal van Jeanine. Was het dat, dat ons zo colèrig kreeg? Of dat we voelden dat wij te min waren voor hem? Dat niet wij hem, maar hij ons liet stikken?
    In elk geval, het werd ons te veel. ‘We gaan er naar toe,’ zegt Nicky. ‘Het moet gedaan zijn.’ En vijf minuten later staan we aan zijn deur te kloppen.
    ‘Godverdomme, Ronnie, maak zo veel theater niet, het is genoeg geweest. Ronnie?’ Want we hoorden niets. Lag hij daar, dood, in een plas bloed, in een hoop stront? Nog eens geklopt, geroepen. Geen antwoord.
    Nicky is altijd al de slimste geweest. Hij doet teken dat we stil moeten zijn, dat we ons muil moeten houden voor vijf minuten.
    ‘Ik heb Anja gezien, gisteren,’ zegt hij. Hij roept dat niet door de deur, het is precies tegen ons dat hij dat vertelt.
    ‘A ja,’ zeg ik nog, met mijn domme kop, ‘waarom hebt gij daar niks van gezegd?’, maar ik krijg een stamp van de Fred. Nicky is aan het zeveren. Hij is Ronny bij zijn kloten aan het pakken.
    "Ja, ze zag er goed uit.
    ‘Hoe is het nog met Ronny?’, vroeg ze.
    ‘Ik zeg, Niet goed, meiske, niet al te goed.’
    ‘Geef hem dat briefke, zegt ze. En ze geeft mij dat kaartje hier.’
    ‘Gaat ge het niet vergeten, Nicky?’
    Nee, Anja, zeg ik."
    En we wachten maar het blijft muisstil achter de deur. Te stil.
    ‘Steek het dan onder de deur,’ zegt Freddy.
    Ik kijk naar Nicky, maar zie geen kaartje, ik ben niet goed mee, en die laatste trippel was er wat te veel aan.
    ‘Nee, het is dringend, denk ik. En hij is niet thuis. Ik zal het aan zijn moeder geven.’
    We horen iets. Er komt beweging in het appartement. Hij is dan toch niet helemaal leeggebloed.
    De sleutel wordt omgedraaid. En daar staat Ronny.
    De stank die uit dat appartement komt, amai.
    Nicky duwt de deur open en we staan binnen.
    ‘Geef het mij,’ zegt Ronny, hij staat te beven op zijn benen, maar is het van de spanning of van de drank, of omdat het niet al te warm is op het appartement en hij daar in een vuile onderbroek staat, ik weet het niet. Hij ziet er niet goed uit. Langs geen kanten. Ik zie Freddy ook kijken, naar dat buikske dat over die onderbroek hangt, die magere witte beentjes, zijn haar los en vuil.
    En die kamer. Hoe kunt ge het hier twee seconden uithouden? Alles van de muren, dingen die liggen te rotten, de stank. Ronny toch. Op een kastje staat een foto van die Anja. Met een paar theekaarskes eronder. De Heilige Anja.
    Nicky loopt naar die foto. Ronny wil hem tegenhouden maar Freddy en ik pakken hem vast.
    ‘Hier is ze dan, uw kakmadam. Ik heb ze zien lopen van de week. Met een andere gast. Ze vroeg niet eens naar u. Ronny, zei ze en ze trok een gezicht, wie was dat ook alweer? A ja, zei ze, nu weet ik het weer. Maar ja, het was dan ook de moeite van het onthouden niet waard.’
    ‘Leugenaar.’
    ‘Ik hem graag gezien? Zijt ge zot, zei ze. Dat was goed om u eens mee te amuseren. Ge denkt toch niet dat ik mij daar serieus mee zou bezighouden. Dienen onnozelaar. Ge kon zeggen, ik zie u graag, en die geloofde dat nog ook.’
    ‘Ge liegt, ge liegt.’
    Nicky houdt die foto voor zijn gezicht en het is precies haar stem, daar in het donker.
    ‘Een boerke, een dom boerke. ‘t Was eens iets anders, maar hij stonk te veel. En in bed, ocharme, een os kon het beter.’
    En Ronny begint weer te wenen. Dat hij nog tranen overheeft.
    ‘Allee, Ronny,’ zegt Nicky en gooit die foto op de vloer. Het glas breekt. ‘Ge waart een stront in haar ogen. Een grap. Ze is het niet waard om zo voor te treuren. Een teef, dat was het, beziet u eens, zie eens wat ze met u gedaan heeft.’
    En dan doet hij iets waar ik, in al mijn zattigheid toch nog van verschiet.
    Hij knoopt Ronny zijn broek open.
    ‘Vooruit, Ronny, pist er op, pis op die teef .’
    ‘Mon Amour’ staat er op de foto geschreven.
    Het is glanspapier en het druipt van haar lachend gezichtje.

(c) Jan de Leeuw