


|
 |
Thierry
Deleu
De hetaeren
t Was al herfst of eind van de zomer
een zondagavond, toen je uit Menen terugkeerde
en je fiets stalde tegen de gevel van het café,
moeder krijste dat je laat was, te laat
en het koor zong van de hetaeren
de meisjes van plezier
je had een stap in de wereld gezet, vader
en je zou die duur betalen,
er werden namen gelispeld
één naam ligt nog op mijn lippen
maar ook nu verraad ik jou niet
Toen zijn wij gaan wandelen
op aandringen van t mansvolk
tot aan de hoek van de rijksweg,
ik liep erbij voor spek en bonen
een paar meter achterop
en dacht aan de waterval van Coo
die met de twee gulpen,
immers jullie hadden zóveel te zeggen
zo haastig tegen elkaar op
als een cascade van woorden
Bij het terugkeren
daar waar de rooilijn een paar meter inspringt
plaste moeder gehurkt in de aarde
en de ruzie was ermee bijgelegd
|