Prelude Ik kom uit een wandtapijt, een los geweven gobelin waarin bruinen domineren van sepia tot het fijnste oker, zodat het er altijd herfst is. Maar de regens zijn er mild en lauw, en voeren luchten vol goudpoeder mee in hun spoor. Voorbij de rand van de laatste weide staat, als een luchtspiegeling boven Gibraltar, de lijn van een bergkam. Mijn vroegste herinnering is het glanzen van kasseien, en de zerpe lucht die de regen op bepaalde dagen uit de kelders los kon weken, een geur van dode dingen; mosselschelpen en roestige bajonetten. Door het open raam: de huizenrij aan de overkant, onderbroken door de kloof van het Stoelstraatje, waarin de houten gevel achter zijn wereldwijs masker één puntige wenkbrauw optrekt. Het huis aan de Zirkstraat bestaat nog. In vroegere tijden droeg het een naam: De Gulde Hant. Misschien woonde er ooit een handschoenenmaker, of een bankier. Toen in de jaren zestig deze oude buurt onder druk van de vastgoedsector verdween, heeft men er blijkbaar overheen gekeken. Het is nu gerestaureerd, door de uitbaters van de Spaanse winkel van wijnen en voedingswaren El Valenciano, die daar in mijn tijd ook al was. Alleen heette de zaak toen Ie Comptoir de Valence. Die winkel was een klein maar intens stukje Spanje, en lang voor ik er ooit geweest was, kon ik het parfum opsnuiven van dat vreemde en toch vertrouwde land. Ik liet me dan ook gewillig inpalmen door de felle, diepe kleuren; de taal die je als een vermetele nachtvlinder om de oren fladdert; de tragische verhalen over het stierengevecht, dat bloedig mysterie gedrenkt in zweet en mirre; de ronde prikkeling van olijven; de glimlach van bruine gitanas, hun roofdiertanden de enige witte vlek op de gekartonneerde lithos. Op de binnenplaats, een patio uit de zestiende eeuw, omwalmde me de geest van wijnen uit Jerez en Málaga, die daar rijpten in hun donkere fusten. De wereld daarbuiten was een eiland tussen Middeleeuwen en Nieuwe Zakelijkheid, bewoond door dunne kosmopolieten met het roet van de inquisitie nog in de plooien van hun huid. Misschien kwam het door de dreiging van de oorlog, de ernst van die jaren, dat ik al heel vroeg begon de uiterlijke wereld te observeren. Vanuit mijn stilte - ik was enig kind en beschikte over zeeën van tijd om een trage aandacht te cultiveren - wilde ik de stilte achter de dingen op het spoor komen. In Sinterklaas, ooievaar of bloemkool heb ik nooit geloofd. Ook heb ik, op enkele woorden na, nooit kindertaal gebezigd. Amper twee jaar oud, verbaasde ik mijn gehoor met een haarscherp, nagenoeg feilloos Antwerps, dat toen overigens de enige omgangstaal was. Verkavelingsvlaams bestond nog niet en een deur was nog vrouwelijk. Maar, al praatte ik graag en veel, onder het masker van mijn spits palaver schuilde toch wat men een stille noemt. Ik ravotte niet op straten en pleinen, vroeg om geen speelgoed, haalde geen beestenstreken uit, maar kon urenlang, op de dorpel van het huis, geboeid zitten kijken naar de beweging op straat. Dan kon het gebeuren dat ik een hand op mijn haren voelde, een innige aanraking die me van binnen deed glimlachen en opkijken naar de flitsende vrolijkheid op een zwart gelaat. Op de hoek was een café waar uitsluitend Kongolese matrozen kwamen, en de Zirkstraat gonsde soms van hun donkere dialecten. Die Afrikaanse zeelui, rijzige mannen met lange overjassen en dikke vilthoeden, lieten zich telkens weer vertederen door mijn witte haren. Misschien was ik wel, een hartslag lang, hun fetisj, of de ziel van een gestorven zoon, of gewoon een kind waarvan de haren de kleur hadden van een geest. De zachte bantoes met hun bijna smartelijke tederheid! Zulke ontmoetingen behoorden tot de dagdagelijkse dingen, en toch werden ze nooit gewoon; alles was mysterie. Want al was de Zirkstraat een begrensde, afgebakende ruimte, het was mijn prille, wondere wereld. Maar álles is wereld, alles is wonder. Wie weet dat beter dan een kind? Ieder kind is een sjamaan, een tovenaar in het centrum van een magisch avontuur, wáár zich dat ook mag afspelen. Alles is er nieuw, elke dag een nog onbetreden spanningsveld en de avond een schaduw die troost verstrekt, zoals de hand van mijn moeder, wanneer ze die als een warme schelp op mijn gezicht legt als ik s nachts niet slapen kan, of de hand van een zwarte matroos die mijn haren beroert als een bericht van de demonen, signaal dat een absurde zin verleent aan wat anders enkel leegte zou blijven. Op een heldere zomermorgen viel de ruiterij de Zirkstraat
binnen. Boerenknechten te paard, dorpsjeugd die aan een bevrijdende wereldreis was
begonnen. Ze zongen, en met hun stemmen zonder schaamte riepen ze schelle woorden naar
elkaar. Wat een verschil met de gefluisterde gesprekken waarin men zich al maanden op hun
komst had voorbereid. Ze zouden komen, er weer stáán met hun laarzen, hun veel te grote
smoelen en hun kanonnen, die ze vrouwennamen gaven. Maar in de stad was die ochtend geen
schot gevallen; ze kwamen zonder slag of stoot als dieven in de dageraad, met opgerolde
hemdsmouwen, helmen zonder slijk- of bloedsporen, en behangen met bananen. Ze droegen
enorme trossen bananen om hun schouders, als rouwkransen voor een nakende dood. Maar
daaraan dacht niemand. Het sterven was voor later. Nu was er leven, nu zat men te paard en
bekeek de overwonnenen vanuit een rechtmatig verworven hoogte, en verslond bananen ter ere
van de grote leider. Toen mijn moeder aan de Sint Jansvliet naar de voorbijschuivende drom krijgsgevangenen stond te kijken die daar als een trage modderstroom in de Scheldetunnel verdween, kon of wou ze zich niet voorstellen dat mijn vader erbij zou kunnen zijn. Maar dat hoefde ze ook niet, want luttele seconden daarvoor was hij, gedekt door een groepje omstaanders, het Vrijdagmarktstraatje in geglipt, en aldus ontkomen. Maar dat kon mijn moeder niet weten, en dus keek ze verwonderd op toen een jongen haar kwam zeggen dat haar man in het café van nonkel Fons zat, op de Vrijdagse Markt, en of ze gauw gewone kleren kon brengen. Ik was toen drie jaar; men heeft het me pas later verteld, de ontsnapping van mijn vader, veel later, toen ik al een behaarde jongeling was, alsof men erover waakte het kind, dat door een oorlog moest worden geholpen, zo weinig mogelijk met de realiteit ervan te confronteren, opdat hij ongemerkt aan hem voorbij zou gaan. Alle unsere Kinderchen sind blond. De officier nam me op zijn knie, als een grote broer, en ik zag zijn laarzen glimmen als beukenboompjes in de regen. Rondom scheen de zon. De straat verzoop in haar licht, waardoor ik de ogen neersloeg en enkel nog de zwarte laarzen zag. Een stem zonder gezicht zei: alle unsere Kinderchen sind blond en om ons heen werden de muren opgetrokken, de stenen ordelijk aangevoerd in lange rijen beslijkte vrachtwagens. De officier was geroerd omdat hij in mij een knaapje wilde herkennen uit een brochure over raszuiverheid, waarin wel zal hebben gestaan dat echte Vlamingen, net als alle Germanen, blond zijn. Ik was een bewijs van zijn gelijk, de levende verontschuldiging voor een gruwel die hij nog niet recht in het gelaat durfde te kijken. Liever zag hij die bijna witte haren, een heldere vlek tussen het puin van een verslagen Carthago. Ik wist niets, maar hoorde een ijl verdriet in het splinterende ritme van zijn woorden. Mijn tante Maria had een vriendin, Anna, een slank, donker meisje met blauwe schaduwen onder de ogen, dat altijd grote gebreide mutsen droeg en een bril met hoornen montuur en dikke glazen. Op een avond kwam ze thuis en vond niemand meer. Haar ouders, broers, zusters, waren verdwenen. Zij wist waarheen, en wie hen was komen halen, en ook dat ze geen van allen ooit nog zou terugzien. Hoe het haar, Anna, daarna vergaan is, ben ik nooit te weten gekomen, of anders ben ik het vergeten. Waarschijnlijk pleegde ze zelfmoord. Of zeg ik dat nu omdat ik weet dat ik het in haar plaats zou gedaan hebben? Wakker worden in nachtkoude. Gensters achter de ogen. Een
stem, korte woorden. Mijn moeder wikkelt me in een deken en draagt me haastig een van
sirenen jankende nacht in, de patio over, langsheen de donkere wijnvaten tot in de hoek
met de schuine valdeur. Dan de lange wenteltrap, tot we, naast andere vale schimmen, gaan
zitten op de richel van een nis waarvan niemand nog weet waar ze ooit voor diende. Drie
kaarsen, in flessenhalzen gestoken, verspreiden hun gelig schijnsel. Boven onze hoofden
verdwijnen de arduinen pilaren in een nacht zonder dak. Het gewelf is zo hoog dat het
kaarslicht het niet bereikt. Het geschut komt dichterbij. Ik zit onder de keukentafel, de
knieën opgetrokken tot tegen mijn kin: twee scherpe heuveltjes boven een vallei van
jugendstiltegels, bloemenranken met doornen, grijs, groen en roze. Eronder dreunt de
grond. De geallieerden komen; reuzen in koffiebruine uniformen, die chocolade meebrengen
en onder het kauwen van iets dat ze chewing gum noemen heel de Vlaanders op stelten zetten
en al wat ook maar één woord Duits spreekt hoonlachend aan flarden schieten. Het obscene ronken dat plots begint te stotteren als een
stervende draak, en dan stilvalt. Aan de Kleine Goddaert, diep onder de huizen, lag een labyrint van oude kelders, ruim genoeg om als noodverblijf dienst te doen. Samen met andere geteisterden sliepen we daar in ruw getimmerde britsen. Het stof van eeuwen, dat muren en bodem een roestige tint verleende, dempte geluiden en stemmen, alsof dit het schuilhol was van een vergeten roversbende die allang niet meer door de gendarmes werd opgejaagd en zelf niet meer wist waarom ze zich verschool. Griezelig ver van de bewoonde gedeelten, in een afgelegen ruimte waar het licht van de miezerige gloeilampen zo schaars naar binnen drong dat je de kleur van het stof niet meer kon onderscheiden, stond een in mijn ogen reusachtige ijzeren ton, een van die olievaten die aan vliegtuigloodsen doen denken. Ze was gevuld met een dikkige vloeistof die net zo rook als het spul dat men uitgoot over puinen waar nog lijken onder lagen. De mensendrollen die er als opgezwollen dode vissen in ronddreven vervulden me met ongelovige weerzin en een prille angst voor het obscene. Toen ik in de film Pasqualino Sette Bellezze, van Linda Wertmüller, Fernando Rey, om aan de gruwelen van een nationaal-socialistisch folterkamp te ontkomen, zelfmoord zag plegen door zich in een eendere monsterlatrine te gooien, schoot me de penetrante doodsgeur in de mond van het vat fecaliën uit de catacomben van mijn kindertijd. Na een tweetal weken in de kelders van de Kleine Goddaert,
ging ik met mijn moeder naar Roeselare. Daar zouden we worden ondergebracht bij gezinnen
die zich bereid hadden verklaard om geteisterden uit Antwerpen op te nemen. Mijn vader
bleef, vanwege zijn job bij Ford Motor Company. De Middenschool aan de Pijlstraat in Antwerpen is gevestigd in hetzelfde classicistische gebouw als het Atheneum. Ze ligt aan de achterzijde ervan. Moest den Athenée een theater zijn, dan was de Middenschool de artiesteningang. Het onderwijs is er gemengd en het zal er, in deze dagen van sex and drugs en consumptie, wel een pak ongedwongener aan toe gaan, dan toen ze nog Rijksmiddelbare School heette en enkel door jongens werd bezocht. Toch was het niet echt wat je een strenge school noemt (geen vergelijk met de Jezuïeten!). Wel pretendeerde ze dat te zijn waardoor ze een waardig burgerlijk gezicht trok. Er waren toen nog schoolmeesters, vaderlijke mannen in grijze stofjassen die ons de weg moesten wijzen naar een menselijk bestaan. Ze wilden ons echt iets meegeven, en als ik redelijk mijn best deed, dan was het omdat ik hen iets terug wilde geven: een gevoel van medeplichtigheid (zaten we niet in hetzelfde bootje?). Ik was een middelmatig leerling met erg exclusieve interesses. Wiskunde ging er niet in; het was een bericht uit een andere dimensie, een duistere code die niet tot me doordrong en waaraan ik geen enkele betekenis wist vast te knopen. Dat is tot op de huidige dag zo gebleven. Maar talen! Frans, Engels, Duits, en natuurlijk Nederlands, want dat had ik, hoewel ik al heel vroeg, nog tijdens de oorlog, met de hulp van mijn vader had leren lezen, nooit echt gesproken. Talen! Dat was pas leren! Daar nam een mens iets van mee. Toch heb ik nooit graag school gelopen. Ik ging er heen met lood in mijn schoenen en een koppige krop in mijn keel; een heimwee dat ik toen niet kon verklaren maar dat voortkwam uit het besef dat vrijheid een noodzaak is, dat een kind dit oubollige in het rijtje staan en stilzitten in een eikenhouten bank kan missen als de pokken. Waarom moest ik zoveel lange dagen zien voorbijgaan zonder er deel aan te hebben, opgesloten in een naar krijt, dweilen en goedkope schuurzeep ruikend lokaal? Misschien is er toen al iets van de anarchist in me ontwaakt. Om klerk te worden bij een of andere natie aan de haven (iets wat van Antwerpse jongens traditioneel werd verwacht) was ik zeker niet voorbestemd. Dat bleek zelfs uit de test die we op een dag hadden af te leggen. Beroepsoriëntering, verstadewel? Die man - psycholoog? - riep mijn moeder bij zich en liet haar, naar ze mij met tranen in de ogen verzekerde, weten dat er voor mij maar één echt mogelijke weg was: kunstenaar! Misschien heeft hij er wel toe bijgedragen dat mijn ouders me later zonder veel protest naar de Academie hebben laten gaan, iets waar ik ze nog steeds dankbaar om ben. Want daar, in de gangen van dat oude minderbroedersklooster, begon voor mij de wereld te ademen. In 1953 liet ik me inschrijven aan de Koninklijke Academie
voor Schone Kunsten. Hele dagen alleen maar tekenen! Het was een geschenk van de goden,
een droomtoestand. Hier kon ik mijn krop van heimwee vrije loop geven, hier kon ze zich
oplossen in verlossende golven.
|
|||||||||