


|
 |
Verschoven continenten
Arno Schmidt
(vertaald door: Jan H. Mysjkin)
Sommigen mogen het dan mooi vinden; ik heb de stuitende
verhevenheid van de Alpenlijn nooit anders dan met een schouderophalen kunnen aanschouwen:
te veel Stifter! Ook de fijne vonken die af en toe in hun blauwgroene flanken opflikkeren,
wisten er mij nooit mee te verzoenen: geef mij maar laagland, met wijde horizonten (hier
zit je zowat in een puntzak!); dennenbossen, snoezig en saai, jenever-struiken en
dopheide; daarlangs moet dan de zachte, stoffige zomerweg lopen, zodat je weet dat je in
Noord-Duitsland bent. Ik trok voornaam mijn wenkbrauwen op (grijze wenkbrauwen, wist ik),
en schonk me liever nog wat Samos in, een mengsel van olie en vuur, zoals ik er niet vaak
heb gedronken.
Matinee bij mevrouw Ederer. Haar ontbrekende tanden waren door ivoren
blokjes, haar mankerende lichaamsvormen door schuimrubberen heuvels vervangen, haar
babbelbekje karmijnrood omlijnd: we knikten elkaar toe; we kenden elkaar al dertig jaar.
Mijn aanwezigheid sprak dus als vanzelf. Bovendien was er de schilder,
die voor zijn doek Vrouwelijk Naakt met Breukband en Bril de laatste prijs had
gekregen. Daarnaast juffrouw Basse: een betoverende schrikbaarlijkheid, wat zij vaak en
listig wist uit te spelen, wanneer de mannen geleerd gingen doen, werd haar gezicht
mooier. Twee reizigers in textiel waren er vanwege hun echtgenotes; de enigen bij wie
plusminus iets intelligents over de lippen, kwam. En dan natuurlijk de jonge geoloog.
Nu zijn wetenschappers meestal een geval op zich. Persoonlijk heb ik
meer dan genoeg van het gezelschap van schrijvers; bij die lui moet je ook al weten dat
Hij in zijn vrije tijd de staatshandboeken van Hannover verzamelt, en dat voor Haar hun
zwartwitgeelbruinweetikveel gevlekte kat taboe is (of Hij zweert bij astrologie, Zij bij
Thomas Mann; vita difficilis est). Deze hier liet ons allesbehalve kalm op het kort
gemaaide gras zitten, maar kwam aanzetten met de theorie dat de continenten uiteendrijven:
dat Groenland onlangs alweer zesendertig meter verder is opgeschoven (en Zuid-Amerika en
Afrika passen precies in elkaar); ook de Alpen plooiden zich ongestoord verder uit:
volgens de nieuwste metingen kwam de bergpunt per eeuw verschillende meters dichter bij de
goede stad München.
Juffrouw Basse scheeloogde verrukkelijk onthutst naar de naaste
bergflank: was die niet alweer een stukje naderbij gekomen?! De textielexperten palaverden
minachtend over: ketting- en inslaggaren; en Molly Ederer keek me smekend aan: het ontbrak
er nog maar aan dat ook onder haar alles aan het schudden en drijven ging!
Ik streek bij wijze van preambule de as van mijn sigaar en begon:
Het was in 1946 - dus een kwarteeuw geleden - ik werkte toen als
tolk bij het hoofdcommissariaat van politie te Lüneburg, en dag en nacht op de been. De
ene keer wilde majoor Billingham een schietoefening met zijn tommies organiseren; de
andere keer hadden DPs - Displaced Persons: Polen en zo - een afgelegen
boerderij overvallen, en hun barbaarse honger een paar koeien geslacht. Mooie tijd was
dat; we waren allemaal jong en slank, onbevooroordeeld en geslepen.
De inspecteur van politie, bij wie ik was ingedeeld, nam mij uit
voorzichtigheid op elke tocht mee; en er was alweer een half jaar voorbij: naast allerlei
andere taken moet de Duitse politie namelijk ook om het half jaar het voorhanden
zijn" van alle in hun gebied aanwezige TPs melden.
"Trigonometrische Punten" verklaarde de geoloog
opgewekt: de basismarkeringen van onze geografische kennis. Ik knikte hem
lovend toe, en ging langzaam voort (en keerde het tegenwoordige landschap gewoonweg om;
maakt toch niet uit):
Op een winderige en koude herfstmiddag arriveerden we in
Schwarmstedt. Het hoofd van het gehucht begeleidde ons naar de cementen stomp, en ging aan
het janken over dat ding dat zo wreed in het midden van de rijweg stond; vorig jaar had
het nog voor twee gebroken wielen gezorgd: of ze de steen niet een eindje naar opzij
mochten schuiven? -
De officier van politie, gewezen soldaat en snelle beslissingen gewend,
dacht een moment na, en knikte dan onbevangen met zijn kleppet: hij moest het
"voorhanden zijn" melden, meer niet. Ergo verschenen uit de alrunische
schemering vier zwijgzame Nedersaksers met schoppen; groeven TP Nr. 1577 uit, en
verplaatsten het drie meter naar rechts, aan de rand van de weg: tot op heden wordt op
gezette tijden het voorhanden zijn van de steen gemeld. - Sindsdien wantrouw ik alle
theorieën, zoals deze van Wegner die u zoëven naar voren schoof!
De geoloog gilde het handenwringend uit; riep Helmert aan, Wilhelm
Jordan (of iets dergelijks; ik ken de geodetische godheden niet). Toen borstelde ik vol
overgave de nachtelijke storm die aansluitend daarop was opgestoken, wind, bliksem en
donder als de gedienstig-wrekende werktuigen van de hemel; hoe dan ook - de glijdende
continenten migreerden niet meer.
De dames glimlachten opgelucht; Mollys knie dankte me even, zoals
lang geleden in mei; de textielexperten hadden sowieso niet op ons gelet, maar waren al
bij het sanforiseren. Alleen de geoloog streek almaar zijn schaarse haar naar achteren;
terwijl hij pas achtentwintig was! - In gepeins verzonken hief ik mijn glas Samos: olie en
vuur; waar is de tijd dat we nog continenten verschoven?!
In: Die Andere Zeitung, 2 oktober 1958
|
|