Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Doodstraf bij zonneschijn

Arno Schmidt
(vertaald door: Jan H. Mysjkin)

Geschoren, pas van de kapper, de buik door middel van een bijzonder brede ceintuur onopvallend teruggedrongen, bovendien met korte tussenpozen in vlotte afwisseling met alcohol en koffie gevuld - zo kun je voor een uur of drie nog wel de elastische oudere heer uithangen; naar wie vrouwen van einde zestig smachten: ‘Ziet eruit als een jonge kerel!’
    Daarbij doen de magere beenlatten al na tien minuten pijn van het elegante kruisen; uit de blufferig opgeblazen borstkas zou je eindelijk het ondersteunende residu lucht willen aflaten; in zwembroek vertoon je je maar beter helemaal niet meer. Dus hield ik hemd en tennisbroek aan - kun je tenminste de stof van bewonderen - en in geval van koel weer lag de zwarte pullover uit Shetlandwol over de rugleuning van de stoel: ‘Mooooi!’ hadden alle dames gesteund toen ze die zagen, en ik had nonchalant mijn kin naar voren gestoken, alsof ik gewoonlijk stond op de commandobrug van de bijbehorende ijsbreker.
    Het strand van het meer lag in allerheetste grijze gloed; bomen uit rook geblazen; de stoffige trapeze van een dak; een onweer voorspellen was geen kunst. Toch bleven we op het terras zitten en lepelden ijs (waarover ik, in een opwelling, Coca Cola had gegoten - dat is zo de gewoonte in Venetië en andere grote badplaatsen! - en jaloers werd bewonderd; de volgende dag stond het al op het getypte menu).
    Vertellen? De weduwe van de geheimraad had net verslag uitgebracht over het mirakel, dat men het exemplaar van Paradijstuin door de zalige Arndt bij een uitslaande brand in Neuenkirchen ongeschonden in het smeulende puin had teruggevonden, dus leverde ik mijn bijdrage met de volgende anekdote: In een dorp in Mecklenburg (flux vond ik naam en datum uit) had een oude vrome boer zijn gezin tijdens een onweer bij zich in zijn kamertje laten komen. Ze hadden al twee boetpsalmen ten einde gezongen; maar de oude kreeg het almaar benauwder in de enge kamer. Hij stormde naar buiten - en werd terstond neergebliksemd!
    De laatstejaarsgymnasiaste, niet meer dan twee lange kaneelkleurige benen en een scheve haardos waaruit wit-zwarte ogen schitterden, (god, wat ben je oud!), moest rochelen, en sprong om haar gegiechel te verbergen midden in het meer. Daarachter walste de wind de rommelende wolkenvaten een stukje hoger.
    Het was de beurt aan Schönermark, de vrederechter, die niets beters wist dan met een ‘interessant geval’ uit te pakken. Juristen kunnen zich, mits enige handigheid, helemaal met het vereiste aureool van asa foetida omgeven; zoals chirurgen bijvoorbeeld: een tikkeltje wreed, een tikkeltje onbetamelijk, en dus vreselijk spannend. Goddank werd hij door de nerveuze weduwe direct na de lustmoord onderbroken, en kwam zij direct op het populaire onderwerp van de doodstraf - waardoor zijn pointe reddeloos de mist in ging -: voor of tegen de guillotine?
    Aangezien de gymnasiaste, een en al waterdruppels, weer aan tafel was komen zitten, speelde ik de ene troefaas na de andere uit (dat is een voordeel van een lang leven: je hebt uiteindelijk al es over alles nagedacht!).
    ‘Dood, nee! Er bestaat echter een soort van straf, die al in de Oudheid bekend was, waardoor de boosdoener onschadelijk wordt gemaakt, en sterker dan door ketenen en banden wordt afgehouden van toekomstige misdaden; een straf die evenveel, zo niet meer schrik inboezemt dan het doodvonnis; en bovendien, om zo te zeggen, natuurlijker, menselijker is: omdat ze de gestrafte niet alleen tijd voor verbetering gunt, maar het voormalig schadelijke individu zelfs nuttig kan maken voor de burgermaatschappij.’ De weduwe pronkte opgewonden met haar vogelkopje; het kindvrouwtje gaapte door haar piekerige haren heen; zelfs vrederechter Schönermark keek benieuwd.
    ‘Misschien zullen jullie eerst schrikken’ bereidde ik, half Lykurg, half versleten reiziger in textiel, hen voor: ‘om kort te gaan: grote misdadigers ontneem je in plaats van het leven - het licht in hun ogen! In plaats van de doodstraf, de verblinding!’ En ging onaangedaan door verschrikt gesticulerende handen en van woorden gefronste gezichten voort:
    ‘Is de verblinde zondaar misschien van levensgeluk uitgesloten - hoeveel duizenden zijn niet blind door geboorte, ziekte of toeval? Kan hij niet omgaan met andere mensen, zonder gevaar op te leveren? De wereld is voor hem in een kerker veranderd; terwijl hij, in tegenstelling tot een enge cel, aan gezonde lichaamsbeweging kan blijven doen - hij kan fietsen: tandem! Hij kan voor nuttige bezigheden worden ingezet. En is geen oorzaak van schrik meer, alleen van medelijden, zoals het elke misdadiger betaamt. Hij kan niet vluchten; noch weet hij waar een oog zijn doen bewaakt.’
    De wolken trokken als een ijzeren gordijn met rukken naar omhoog; de paar zeilboten vluchtten verschrikt naar alle kanten. De weduwe van de geheimraad scharrelde in haar portemonnee naar tegenargumenten; het lange beenmeisje had haar hoofd op haar vuist geplant, en keek me ongegeneerd aan: waar die ouwe lullen zich allemaal zorgen over maken!
    ‘Ik verafschuw de koele, weloverwogen, wettelijke wraak van de staat. Neem nu de gerechtelijke moord: al kun je de onschuldig veroordeelde het licht in zijn ogen niet meer teruggeven, toch zal ook de armste stakkerd zich verheugen in het berouw van het gerecht en de plechtige, openbare erkenning van zijn onschuld; en kunnen de hem resterende dagen door toekenning van een royale levensavond draaglijk worden gemaakt.’
    Helaas ging het onweer razend snel aan het gieren; ieder bukte zich bezorgd over zijn spullen; en beloofde na te denken.

In: Neue Darmstädter Sezession, 24 maart 1956

© Arno Schmidt, © vertaling Jan H. Mysjkin