


|
 |
Verhaal op de rug verteld
Arno Schmidt
(vertaald door: Jan H. Mysjkin)
Door het raam zag je beneden de regenstraat: lappen van
teer en plassen van zwart glas; boven, de mooie, kleine polygoon van de hemel. Ter zijde,
het dodenlicht van de maan; daaronder, de morgue van stijve wolken in nare waden. We
tuitten afkeurend onze lippen, en keerden direct naar de hoek bij de haard terug. Mevrouw
doctor keek me niet onwelwillend aan; schikte de ligstoel nog angstvallig-gemakkelijker,
zodat ik haast op mijn rug lag, terwijl vlamtongetjes voortdurend tegen mij opsprongen;
zelf ging zij onberispelijk zitten en rookte.
Mevrouw doctor was veertig, ongehuwd, docente; en zo intelligent, dat
ik mijn eigen bescheiden, chaotische, met mos gekroesde verstand maar van twijfelachtig
allooi vond. Bovendien had zij haar rode jurk aan, die met zwarte spikkels, waarin haar
slanke, boeiende lijn goed uitkwam; en vandaag was het mijn beurt om te vertellen, zodat
ik ondanks de intiem kleine kring - we waren, zoals meestal, alleen - alweer
verschrikkelijk verlegen was; its puzzling work, talking is.
Bleef dus alleen Noorwegen; en ik begon over de drie geologen die ik
ooit in Dovrefjell was tegengekomen: de leukste bent ter wereld; bovenal voor geologen!
Bij elke rotsblok blijven ze staan, bij elke aardlaag maken ze aanduidingen, zo zijn die
nu eenmaal. Ze slaan alle stenen kapot, zogenaamd om te kijken hoe de wereld werd gemaakt.
Wijs naar een majestueuze rotspiramide, en in het gunstigste geval is
het een lakkoliet; spreek over gletsjerijs, en ze bediscussiëren in volle ernst of er
misschien geen paalbewoners zijn ingevroren, samen met hun turfpik (leuk woord, hè).
Halfweg tussen Dombas en Jerkin gingen de heren helemaal uit de bol
voor een armzalige steenblok waarop ik zat; ik moest zowaar opstaan, en hen mn
zitplaats als buit laten: terwijl ze die aan stukken sloegen, sloop ik stilletjes
daarvandaan; semel in anno licet insanire.
Hoewel ik dus de geologen zelf uit de weg ga, toch houd ik van hun
wetenschap, met name in het late najaar; (mevrouw doctor luisterde achter een orionnevel
van sigarettenrook; maar anders had je haar ogen evenmin kunnen zien, want zij droeg
natuurlijk een bril).
Ik ken niets dat gezelliger is, dan bij een flink vuur te discussiëren
over de vorming van de bergmassas die je tijdens de zomer hebt bezocht, of te horen
kletsen over vulkanen, uiteengespatte planeten en petrefacten. Kom je ook nog in de
paleontologie terecht, dan gaan gelijk mammoeten en gigantosauriërs aan het dansen: je
stelle je zoiets als een behemoth voor, kuierend door het Carboonse bos, zn jongen
voerend met olifanten, zo ongeveer als onze muurhagedissen van vandaag hun gebroed met
bromvliegen: pittoresk kan ook!
Mijn blik meanderde bedeesd door de kamer. Hoe graag had ik ze de nek
uitgeschoren! (Ik borstelde nog kort de stortregen waarin we uit elkaar gingen: de
eccehomo-gestalten van de geologen, hele beekjes ruisten van hun ellebogen neer,
fonteintjes dansten uit hun schoenen te voorschijn; ze deden als waren ze drenkelingen die
tijdens de zondvloed de ark achterna zwemmen - en nog gluurden ze naar elke kiezelsteen,
loerden ze naar elke verspringing!).
Mevrouw doctor stond op (zij was even groot als ik, 1 meter 80); haalde
de Asbach-fles uit haar kartonnen prisma, en schoof het groene tuimelglas (in het Engels:
tumbler) naar mij toe: was mijn inleiding niet in de smaak gevallen, moest ik meer vaart
zetten?
Gehoorzaam drinken; de wind floot aldoor in twaalftoonakkoorden; en ik
vertelde het smokkelverhaal uit 1944.
Veertien sluikers, elk met een zak van het beste Zweedse buskruit op
zn rug, hadden al flink wat weg afgelegd. De laatste in de rij merkte dat zn
last steeds lichter werd. Dat vond hij op zich heel leuk, maar toen kreeg hij argwaan:
misschien genoot hij die weldaad ten koste van zn vracht buskruit? Helaas ja: in de
zak was een gat, en hun spoor viel overduidelijk door de grenssneeuw na te trekken. Ontzet
riep hij Halt!; waarop de anderen voor hem eerst hun last afwierpen, en toen
op hun zak gingen zitten om zichzelf op n borrel te trakteren.
De laatste had intussen een vernuftige inval gekregen: hij liep de
kruitstreep terug zover die reikte; hield er aan het beginpunt zn sigaret tegen, met
het verstandige oogmerk de verklikkende lijn uit te wissen. Drie seconden later hoorde hij
een wonderlijk vol gedonder, waar hij vanwege de veelvoudige echo tegen de bergwanden en
het melancholisch-mooie voortrollen door de valleien niet weinig van opkeek: al dat kabaal
was evenwel het gevolg van de veertien zakken die aan het andere eind van het vuurtje in
de lucht waren gevlogen.
Stilte. De wind slaakte een spiritistisch-zwakke kreet van ontzetting,
die volstrekt niet in noten is weer te geven. Zeker: mét de veertien verzetsstrijders die
op de zakken een welverdiende rust hadden willen genieten. Cest la guerre. Stilte.
Het pakje sigaretten lag achter mij. Zij stond op, lenig als een poes.
Over mij gebogen (dat wil zeggen, naar het pakje sigaretten
natuurlijk!): onafzienbaar, reusachtig was haar jurk; rode woestijn, met zwarte
rotspunten. Ook haar gezicht zweefde eindeloos; haar brilleglazen hingen als twee starre,
bevroren meren over mij (en in hun gronden verroerde ik, fantastisch monster, geen vin).
Aldoor. Ik lei onwillekeurig mijn handen als baken om haar hals; en de maan, planetoïde,
o jij mijn satelliet, stortte op mij neer.
In: Süddeutsche Zeitung, 12 mei 1956
|
|