Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Matrimony

Micheline de Ridder

‘s Ochtends zette mevrouw Farebrother haar echtgenoot in een rolstoel en praatte ze wat tegen hem, terwijl ze het ontbijt klaarmaakte. Ze praatte over het weer, de rozen en de katten.
    ‘Hoor je me, lieverd?’
    Zij wist dat hij haar hoorde. Dat had de dokter gezegd kort na het ongeval. Horen en ruiken was het enige wat mijnheer Farebrother kon. Zijn ogen spraken niet meer. Soms liep er een traan vanuit een ooghoek over zijn wang.
    Zij voerde hem voorzichtig zijn ontbijt en vertelde over de rozen. Hoe het natte voorjaar voor een overvloed aan knoppen had gezorgd die nu openbraken.
    ‘Ruik je ze, lieverd?’
    Zij veegde kruimels en thee van zijn kin en bracht de koppen naar de keuken. Voor ze opnieuw bij mijnheer Farebrother ging zitten, schikte ze de kaders op het buffet. Niet dat iemand die ooit verplaatste. Het witte porseleinen kader met de foto van de kleine George, een blond kind met trieste ogen, en de in koper gevatte hu-welijksfoto stonden wat naar elkaar gekeerd. Mijnheer Farebrother, kaarsrecht, in parade uniform, alhoewel toen nog geen kolonel, steunde niet op zijn degen. Zijn degen was een ornament waarop zijn hand rustte. Met de andere arm hield hij de helm met veren tegen de borst gedrukt. In de vouw van die geplooide arm lagen enkele kanten vingers. Mevrouw Farebrother hield het hoofd wat schuin. Haar hoedje raakte de gouden epauletten van haar echtgenoot. De zilveren lijst bevatte een foto van een man voor een grote bibliotheekkast die net opkeek uit een boek. Het leek niet echt een vrolijk of eenvoudig boek dat mevrouw Farebrothers vader las.
    Zij had moeten wennen aan de Farebrothers. Aan militaire carrières, laarzen, luidruchtige begroetingen met accolades. Op de huwelijksreceptie hadden de kanten vingers de handen geschud van notabelen, advocaten, middenstanders, burgerlijke en militaire overheden. Het hele stadje vond hun huwelijk een goede zaak. Op de huwelijksfoto kon je nog duidelijk de verwondering zien op het gezicht van mevrouw Farebrother.
    ‘Mijn vrouw wordt gelukkig,’ had mijnheer Farebrother gezegd.
    Het was een bevel, geen liefdesverklaring.
    Tegen tien uur kwam de verpleegster. Zij waste de man in de rolstoel. Ze veegde de traan weg die vanuit een ooghoek over zijn wang liep met dezelfde handdoek waarmee ze de armen met teveel vel droogde.
    Daarna dronken ze samen thee. De verpleegster kwam al bij hen aan huis vanaf de dag dat mijnheer Farebrother uit de kliniek ontslagen was. De dokter was van oordeel dat de opvang van de verlamde man te zwaar was voor de frêle mevrouw Farebrother. Na het ongeval had zij uren wezenloos naast haar echtgenoot gezeten in de overtuiging dat hij overleden was.
    De verpleegster bleef steeds een praatje maken bij een kopje thee. Er waren weer nieuwe poezen in de tuin, vertelde mevrouw Farebrother haar. Kleintjes van die gekke zwarte poes met rosse vlekken die net een brilletje droeg.
    ‘Hoor je dat, lieverd?’
    Ze goot wat warme thee tussen de lippen van de man.
    De katjes kenden haar al. Ze kwamen haar tegemoet gelopen als zij het melkkommetje neerzette. De rozen deden het zo goed in de bakken, zei de verpleegster toen ze wegging.
    Zij waren bijna zo mooi als toen ze in volle grond stonden. Kort na het ongeval had mevrouw Farebrother bloembakken laten plaatsen op het beton. De nieuwe stekken sloegen aan. Rozen kweken zat mevrouw Farebrother in de vingers.
    Ze ruimde de theespullen op en glimlachte naar de kleine George in het porseleinen kader. Vreemd dat ze dan niet de trieste ogen van de jongen zag, maar de fijne lach om zijn mond als hij sliep en droomde.
    Na het middageten duffelde mevrouw Farebrother haar echtgenoot in. Ze bond hem een sjaal om en zette een hoed op zijn hoofd. Zijn knokige handen vouwde ze in zijn schoot. Zij duwde de rolstoel de stoep op en knipte enkele witte rozen af.
    ‘Ruik eens, lieverd.’
    Zij wist dat hij ze rook. Stinkbloemen, noemde hij ze vroeger. Woedend had hij ze uitgerukt en gevloekt omdat de doornen hem prikten. Hij gaf de arbeiders bevel beton te gieten op de plaats waar de rozen groeiden. De arbeiders bogen het hoofd en keken mevrouw Farebrother niet aan.
    Ze stapte hun straat uit. De rolstoel duwde ze, als een jonge moeder haar kinderwagen, trots voor zich uit. De witte rozen lagen op de gevouwen handen van mijnheer Farebrother. Ze staken de spoorweg over en wandelden door de winkelstraat. Het hele stadje groette de kolonel en zijn vrouw. Voorbij de kerk sloeg zij het grintpad naar het kerkhof in. Het was nu moeilijk de rolstoel vooruit te krijgen.
    Voor het witte graf, naast de grote steen met alleen hun namen op, hield ze halt. Zij legde de bloemen voor de foto van de kleine George, dezelfde foto als die op het buffet.
    ‘Praat wat met hem, lieverd.’
    Ze liet haar echtgenoot achter en ging de familiezerk van de Farebrothers groeten. Het was een monumentale kapel. In een zwarte marmeren vaas rotten een paar bladeren in een bodempje water. Zij knikte naar de koperen namen, ook naar die met de afgevallen letters.
    Het gaf haar een goed gevoel daarna de ruwe natuurstenen zerk op te zoeken. Ze keurde de bloemen die in de ovalen uitsparing groeiden. Mevrouw Farebrothers vader vroeg steeds hoe het ging met de rozen als hij opkeek uit zijn boeken. Ze keerde terug naar haar gezin. Het was er erg stil. Daarom knisperde het grint luid toen zij de rolstoel erover duwde.
    Terug thuis kwamen de poezen haar tegemoet. Als ze mijnheer Farebrother zagen, liepen ze weer weg.
    ‘Ze schrikken van de rolstoel, lieverd.’
    Ze ontdeed haar echtgenoot van sjaal en hoed en voelde zijn koude wangen. Ze rolde zijn stoel voor het raam in de erker. Het zonlicht viel op zijn handen. De poezen draaiden om elkaar heen aan de achterdeur. Ze wreven langs mevrouw Farebrothers benen, gaven kopjes zodat ze melk morste. Eéntje sprong tegen het bordje met vlees op. Mevrouw Farebrother streelde de fluwelen lijven en krabde achter een wollig oor. De poezen sloten de ogen van genot. Miauw werd gespin. Ze pakte een zwart katertje op en hield het voor het raam in de erker.
    Ze wist dat haar echtgenoot de poes niet zag. Rotbeesten, noemde hij ze voor het ongeval. Met zijn dienstwapen schoot hij erop en vaak was het raak. Alleen de gekke zwarte poes met de rosse vlekken was hem te snel af. Hij gooide de krengen op de mestvaalt achter in de tuin. Mevrouw Farebrother begroef ze nadien. Ze leken niet meer op wat ze geweest waren. Ze stonken. De poten staken stokstijf uit de pels die klitte van het geronnen bloed. De wijdopen gesperde ogen zagen haar niet.
    In de namiddag ging mevrouw Farebrother een uurtje bij haar echtgenoot in de erker zitten en praatte wat met hem, terwijl ze met het voetenbankje wiebelde.
    ‘Wiebelt het niet teveel, lieverd?’ Mijnheer Farebrother hield niet van wiebelen en wiegen. Dat wist ze nog van die nacht toen de kleine George zo ziek was. Het kind had hoge koorts en ijlde. Mevrouw Farebrother had hem uit zijn bedje genomen. Het verhitte hoofdje lag in haar hals. Ze neuriede in zijn oor en streelde zijn ruggetje en stapte sussend met hem rond. Het jongetje zeurde zachter en zachter.
    Mijnheer Farebrother was vertoornd. Een Farebrother werd nooit gewiegd. Nooit. Farebrothers waren altijd sterk en gezond. Altijd. Trouwens, de plaats van de vrouw was naast haar man in bed, was zijn laatste bevel. Toen ze de volgende morgen de kamer van de kleine George binnenstapte, merkte ze onmiddellijk het verschil. Dit was niet hetzelfde jongentje van de dag voordien. Alle kleur was uit zijn gezicht verdwenen. Toch schrok ze toen ze zijn wang aaide. Die was koud en hard als een porseleinen poppenkop, maar met een fijne lach om de mond. De kleine George was een versteende droom.
    Tegen zessen was het avondeten klaar. Mevrouw Farebrother lepelde de soep tussen de lippen van haar echtgenoot.
    ‘Is het niet te warm, lieverd?’
    Ze wist dat de kolonel niet van warmte hield. Prachtig weertje, had hij de vrieskou op de ochtend van het ongeval genoemd. Toen hij daarna met bloedend hoofd op het beton lag, had mevrouw Farebrother verwacht dat het gezicht van haar echtgenoot koud en hard zou worden. Ze knielde bij hem neer. Hij probeerde haar nog iets te zeggen, maar zijn rauwe kreten waren onverstaanbaar. Zijn ogen spraken nog. Ze legde daarom de witte theedoek over zijn gezicht.
    ‘De plaats van de vrouw is naast haar man, lieverd.’
    Zijn kreten werden steeds zachter en na een hele poos hoorde ze niets meer. Mevrouw Farebrother bleef geknield zitten. De theedoek beroerde ze niet. De zwarte poes met rosse vlekken durfde dichterbij komen toen alles stil was. Ze vleide zich tegen de benen van mevrouw Farebrother aan. Daarna kwam ze kopjes geven tegen haar arm. Ze werd steeds driester en aaide zelfs de schouder van mijnheer Farebrother. Toen de melkman kwam stond het beton vol rode kattenpoten.
    ‘De kolonel is van het muurtje gevallen. Hij is dood.’ De melkman trok de theedoek weg. De ogen spraken niet meer. Er rolde een traan vanuit een ooghoek over de wang. De melkman voelde aan mijnheer Farebrothers hals en aan de pols van de hand die het dienstwapen nog vasthield. Daarna begon hij driftig heen en weer te lopen. De poes liep hem daarbij voor de voeten tot de sirene van de ziekenwagen hun huis naderde en ze in de struiken vluchtte.
    Mevrouw Farebrother prakte de aardappelen en groenten fijn en schoof ze met kleine beetjes tussen de lippen van haar echtgenoot. Het spek sneed ze in lange repen.
    ‘Voor de poes, lieverd.’
    Ze wist dat de poezen zich verschuilden onder de serre in de hoek waar de grond verzakt was. Met de reepjes spek lokte mevrouw Farebrother ze uit hun nest. Ze vond het een leuk spelletje. Op de ochtend van het ongeval had zij het ook gespeeld. Ze leunde over het muurtje en wiebelde met het spekreepje. Ze trok het steeds wat dichter naar zich toe. Ze schrok geweldig toen ze de laarzen van mijnheer Farebrother zag op de theedoek die ze naast zich op het muurtje had gelegd.
    ‘Prachtig weertje om katten af te schieten.’
    Hij torende boven haar uit en hield zijn dienstwapen gericht op de verzakte grond onder de serre.
    ‘Trek het spek naar je toe, als ik het beveel.’
    Mevrouw Farebrother protesteerde. Twee zwarte poezenpoten kwamen tevoorschijn van onder de serre toen haar stem weerklonk.
    ‘Trek,’ beval mijnheer Farebrother.
    Zij trok en schrok. Mijnheer Farebrother lag met bloedend hoofd op het beton. De witte theedoek hing slap in haar hand als een overgavevlag.

© Micheline de Ridder