Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

De onderneming

Christophe Vekeman

 

1

Berend zat nog steeds in de ene zetel die het nochtans zeer ruime vertrek rijk was. En nog steeds hoorde hij door de muur heen de beide stemmen van het koppel dat naast hem woonde. De conversatie, veelal op gedreven, ja verhitte toon gevoerd, was nu al uren aan de gang, en Berend vroeg zich af welk onderwerp zo belangwekkend kon zijn, dat men er schijnbaar niet over uitgeluld raakte.
    Wellicht echter was er van een welbepaald onderwerp helemaal geen sprake. ‘Het begint met een volstrekt doelloze opmerking over een detail,’ mompelde hij. ‘Langs de neus weg gegeven. Heeft niets te betekenen. Maar het ene woord brengt het andere mee, en voor men het weet is het einde zoek.’
    Hij beet op zijn lippen en zweeg. Ik zou eens het een of het ander kunnen uitvoeren, dacht hij en zonk weg in de herinnering aan een gesprek dat hij daags voordien had opgevangen.
    In het warenhuis. De ene vrouw bracht met een gezicht vol wratten verslag uit over een zekere Danny, die al wekenlang zijn huis niet meer verliet, wegens gezocht door de politie. ‘Verloren moeite,’ vond de vrouw, want er was een ‘aanhoudingsbevel’ van kracht, en op een ‘goede dag’, zoals zij het uitdrukte, ‘stonden ze toch bij hem binnen’. Berend had zich afgevraagd waar die moeite, die sowieso verloren was, dan wel uit mocht bestaan, want wekenlang je huis niet uitkomen, dat scheen hem toch zo erg niet? Iedere dag om halfzeven ‘s nachts opstaan en gaan werken tot het donker wordt, leek hem bijvoorbeeld toch veel méér moeite te kosten?
    Als zo vaak werd hij door het woord van zijn medemens in diepe verwarring gebracht...
    Verder was gebleken dat Danny sedert het bewuste gebeuren, waar een omschrijving helaas van ontbrak, geen druppel meer dronk. Wel rookte hij nog steeds eindeloos veel sigaretten, zo mogelijk nog meer dan voordien zelfs. Ook was hij ertoe overgegaan, tot plotse hilariteit van de beide dames, zich niet meer te wassen, zodat hij uren in de wind stonk, maar goed, ‘behalve ik’, had het wrattenzwijn gezegd, ‘is er toch niemand meer die het riekt, dus dat kan ik wel begrijpen’, en opnieuw had zij het begrip ‘verloren moeite’ laten vallen.
    Het gerinkel van het telefoontoestel deed hem opstaan. Voor de tweede keer die dag kreeg hij zijn vader aan de lijn.
    ‘Heb je al werk?’ vroeg die.
    ‘Nog altijd niets.’
    ‘Nog altijd niets?’ klonk het wantrouwend.
    ‘Nog altijd niets,’ gaf Berend zijn stem een klank van moedeloosheid. Zijn blik rustte op de zetel waaruit hij zonet voor de tweede keer die dag was opgerezen. ‘Nochtans de hele ochtend op zoek geweest,’ voegde hij eraan toe. Hij keek op zijn horloge: vier uur. De stilte die viel vulde hem met onbehagen. De mogelijkheid evenwel dat het gesprek, nu alle informatie uitgewisseld was, meteen beëindigd zou worden, joeg hem ronduit angst aan. ‘En jij?’ vroeg hij daarom onnozel. ‘Hoe is het met jou?’
    ‘Met mij?’ verbaasde zijn vader zich. ‘Ik werk al bijna vijfendertig jaar bij dezelfde firma, dat weet je toch?’
    ‘Dat...,’ zei Berend slikkend. ‘Dat weet ik. Natuurlijk weet ik dat.’
    ‘Goed dan,’ besloot zijn vader. ‘Telefoneren kost geld, dat weet je ook. Tot hoors dan maar.’
    Hij belt mij elke dag minstens twee keer op, dacht Berend, terwijl hij bevend de hoorn op het toestel legde. En minstens twee keer per dag verwijt hij mij dat telefoneren duur is. Een vreemde man, mijn vader.
    Met slenterende tred begaf hij zich door de kamer en liet zich achterwaarts in de zetel ploffen. Ik heb alle tijd, dacht hij, ik zou iets kunnen ondernemen.
    Hij schikte zich tot een nog iets comfortabelere zitpositie en trok een peinzend gezicht. Wat kon er ondernomen worden?
    De vraag was sneller gesteld dan het antwoord gegeven, dat mocht duidelijk wezen. Deze vraag op afdoende wijze te beantwoorden, zelfs, bleek een heuse onderneming op zichzelf. Meteen twee ondernemingen dus, want eenmaal de eerste achter de rug lag, zou er zich meteen een nieuwe aandienen...
    Ja, meende Berend, hij had zich weer wat op de hals gehaald.
    Inmiddels klonk nog steeds de doffe weergave van de eindeloos lijkende discussie, die in het gebouw naast het zijne haar beslag kreeg. Het maakte er het nadenken niet minder lastig op, en even overwoog hij naar een ander vertrek te verhuizen, waar het allicht stiller zou zijn. Maar ach, dacht hij toen, dat was weer zo’n onderneming. Bovendien bestond de kans dat ook daar de een of andere stoorzender actief zou zijn, van een veel ergere soort zelfs, zodat hij onverrichterzake zou moeten terugkeren: verloren moeite dus.
    Hij kon beter blijven zitten waar hij zat en zich zo geconcentreerd als mogelijk met zijn probleem bezig houden. Structureel te werk gaan, hield hij zichzelf voor. Het aantal mogelijkheden van wat hij doen kon, was oneindig groot, dus het beste zou zijn om meteen maar, door het stellen van bepaalde voorwaarden, een overzichtelijk gamma te selecteren.
    Laten wij zeggen, dacht hij daarom, dat ik niet iets ga verderzetten waaraan ik vroeger al begonnen ben. Ik heb behoefte aan iets nieuws, iets geheel nieuws, een schone lei. Frisheid. Niets voltooien dus, en ook niets repareren, maar wel ergens een begin aan maken.
    Zijn blik dwaalde langzaam over het plafond. ‘Ethiek!’ brulde de buurman op verontwaardigde toon, en barstte vervolgens uit in woest geschater. Berend op zijn beurt haalde glimlachend zijn schouders op.       Onwillekeurig werd in zijn hoofd het blonde beeld naar voor geschoven van een meisje dat hij ooit in een café had ontmoet. De indruk die haar verschijning aanvankelijk op hem gemaakt had, was bepaald niet ongunstig te noemen. Zij had gebleken, toen zij eenmaal tot op korte afstand van mekaar genaderd waren, wonderzoet te geuren, naar witte chocolade. Maar al snel hadden hun wegen zich wederom gesplitst, met name toen het meisje in de loop van het verkenningsgesprek met de schouderophalende onschuld van de domoor had gesteld: ‘Weet ik veel. Ik dacht dat ethiek een nieuw soort dieet was.’
    Prompt had zij haar aandacht aan een toevallige passant geschonken, die zij beweerde te kennen, en even prompt had Berend zich neergelegd bij de onverzoenlijke tegenstrijdigheid van hun beider persoonlijkheden.
    Toch, dacht hij nu, was het een zeer mooi meisje geweest, en het speet hem plotseling, wel een jaar na de feiten, dat hij een en ander verkeerd aan de dag had gelegd.
    Het was zomer toen, net als nu, en zij had een gebloemd en zeer kortpijpig short gedragen, dat enkel door de nachtelijke context van het café van een zwembroekje te onderscheiden viel, en dat een stevig uit de kluiten gewassen, donker gebruind benenpaar bekroonde, met harde dijen en rondgevormde kuiten. Boven dat broekje torende haar bovenlichaam uit, waarvan de weelderige vorm bijna beschamend eenvoudig te raden viel. Zij droeg een krap zittend, zeer kort, niet eens haar navel bedekkend T-shirt van elastische, glanzend groene stof.
    Berend schraapte zijn keel en slikte speeksel weg, dat plots ten overvloede om en rond zijn tong aanwezig bleek. Hij had de gewaarwording volkomen roerloos te zitten, maar toen hij zijn blik naar beneden sloeg, zag hij tot zijn verrassing dat zijn rechterhand quasi-achteloos het kruis van zijn broek lag te kneden.
    Ja, verontschuldigde hij het infame gedrag van de beide lichaamsdelen, die nu onbetwistbaar in beweging bleken, - dat meisje was van een zeldzame schoonheid geweest. Niet alleen lichamelijk zelfs, maar naar hoge waarschijnlijkheid ook -want intellectuele begaafdheid was slechts één aspect- op geestelijk gebied.
    Inderdaad, uitermate lief was zij geweest, zo wist Berend nu stellig. Een reine, bijna onmenselijk zuivere inborst had zij gehad.
    Daarenboven, schoot het hem met een schok te binnen, wie zei..., - wie zei dat zij hem met haar bijna onmogelijke uitspraak over ethiek niet in de maling had genomen? Was haar stelling niet louter een ironisch grapje geweest, enkel bedoeld om zijn vervelende, pseudo-intellectuele gezeik kort en bondig af te straffen...?
    O God, o God, zo onschuldig was dat meisje dus niet geweest of hij had haar met zijn oeverloze gelul alsnog weten te dwingen, hem op kordate, superieur subtiele wijze te vernederen!
    ‘Vernederd,’ stamelde hij luidop, ‘vernederd door een godin.’
    Een godin, goed, maar dan wel één met een bloemrijk menselijk lichaam...
    Met bewegingen waarvan de traagheid evenwel geen moment aarzeling suggereerde, begon hij zijn gulp te ontknopen. Zowel jeans als onderbroek werden van zijn middel weg geduwd.
    En kijk, zoveel maanden na hun eerste ontmoeting kwam dat meisje opnieuw bij hem op bezoek. Wat haar daartoe gebracht had, dat wist hij niet, dat kon hij slechts gissen, al was het anderzijds overduidelijk natuurlijk... Natuurlijk, maar kon zij dit bij ‘t binnenkomen al meteen openlijk laten blijken? Nee, dat ging niet... Zij moest een aanleiding hebben om zomaar opeens bij hem aan de deur te gaan staan, een excuus zogezegd, dat de eigenlijke, onderliggende reden op aanvaardbare wijze vorm gaf. Maar wat kon die noodzakelijkerwijs onbeholpen aanleiding dan wel zijn, die zij daar verzonnen had en waar hij, vertederd, met een milde monkel de verwoording van aanhoorde?
    Zijn gezichtsveld probeerde hij nu geheel en al door het plafond in beslag te laten nemen, maar in de periferie ervan kon hij niet verhinderen de monotoon schuddende beweging van zijn onderarm te blijven zien.
    ‘Godverdomme,’ bromde hij, ‘wat kan die godvergeten aanleiding mij schelen?’ Wat deed het ertoe? Dat meisje was immers allang bij hem binnengekomen en zat nu in kleermakerszit op de vloer. Zij dronk een flesje coca-cola met een rietje, waarvan de glanzend groene kleur precies met die van haar T-shirt overeenstemde. Voor de gelegenheid immers had zij hetzelfde schamele plunje uitgekozen als zij eertijds had gedragen, dat sprak vanzelf.
    ‘Hoe gaat het ermee?’ vroeg zij, zwoel lonkend naar een welbepaalde plaats.
    Berend maakte met een verbeten tongbeweging zijn lippen vochtig en slikte opnieuw. Een beetje vaart minderen, dacht hij. Zijn arm begon een beetje pijn te doen. ‘Het gaat me iets te snel,’ mompelde hij.
    ‘O,’ zei het meisje, dat zonet aanstalten gemaakt had om haar bovenlichaam van de groene, herenzakdoeklange stof te ontdoen.
    ‘Gaat het je te snel?’ Met een verongelijkt gebaar trok zij de rand van haar T-shirt weer tot onder haar geweldig koppel meisjesbergen omlaag.
    Shit, dacht Berend. Wat een gedoe. ‘Het is een misverstand,’ zuchtte hij.
    ‘Een misverstand?’ giechelde het meisje opgelucht. ‘Oef! Ik vreesde al dat het allemaal, de hele tocht naar hier enzo, verloren moeite was...’
    Neen, beval Berend zichzelf, niet aan het wrattenzwijn denken. Niet nu.
    Maar het geven van het bevel stond gelijk met het naast zich neerleggen ervan, en zienderogen begon zijn arm het in stijfheid te winnen van alle overige lichaamsdelen.
    Hij stond op en huppelde, de bovenrand van zijn jeans in zijn knuisten, naar de plaats waar zo-even zijn bezoekster nog een colaatje had zitten slurpen. Hij trok zijn broek en slip uit en ging met zijn billen op de verbazend kille grond zitten. Zijn ene handpalm ter ondersteuning naast hem plat tegen de vloer gedrukt, omvatte de andere zijn jongensachtig verlegen uitziend jongensattribuut.
    Nu wist hij het opeens, hoe het meisje haar onverwachte bezoek had ingekleed! Dat was verdomme wel op heel andere wijze geschied dan hij zoeven nog gemeend had! Zij was gewoon met de deur in huis gevallen hoor, geloof dat maar. Zonder omwegen had zij hem met veerkrachtige vingers tegen de borst geduwd, aldus onmiddellijk te kennen gevend, zich aan plichtplegingen of verzonnen aanleidingen weinig gelegen te laten liggen. Te verbouwereerd om ook maar de minste weerstand te bieden, liet hij zich van de buitendeur door de gang tot in de kamer jagen, waar hij zich nog in bevond. ‘Zet je neer en doe als de bliksem je broek uit!’ snauwde het meisje.
    Van lieverlede begon hij te hijgen. Aan de toenemende druk tegen zijn handpalm viel nu duidelijk te merken dat de verlegenheid geweken was voor koppige brutaliteit.
    ‘Jij denkt blijkbaar nog steeds dat je erg slim bent, nietwaar?’ vervolgde het meesterlijke schepsel. Door middel van één enkele, op zijn schouder rustende voetzool hield zij zijn gehele lichaam in bedwang. ‘Jij meent van mij: een domme gans, nietwaar? Maar als ik je het tegendeel bewijs, ben jij het, en jij alleen, die te lomp is om mijn woorden te begrijpen!’ Ze strekte haar been, zodat hij nu languit op de vloer lag, kronkelend als een insect in doodsstrijd. ‘Vernedering,’ kreunde hij. ‘O God.’
    ‘Woorden volstaan niet voor jou,’ beet het meisje.
    ‘O nee! O God!’
    ‘Woorden volstaan niet voor jou,’ herkauwde het meisje. ‘Jij moet het hebben van mwoeh-mwoeh-mwoeh-mwoeh.’
    Het T-shirt, dat ze de voorbije momenten tot aan haar keel had opgeschort, en uit de mouwen waarvan zich ook reeds haar armen hadden bevrijd, was nu binnenste buiten omhoog getrokken en omspande haar hoofd als een fleurige beulskap. Ter hoogte van de mond hollebolde de glanzend groene stof vreemd in en uit. Geluiden verstomden.
    Haar borsten kanjerden met veel jeugdige zwier heen en weer toen ze uit haar bloempjesbroekje stapte en wijdbeens en reusachtig als een uit massief, anoniem vlees opgetrokken standbeeld met de handen in de zij boven Berends lichaam postvatte. Vervolgens hurkte zij en opende zich en net toen haar slachtoffer aan het smeken sloeg ‘Neuk me! Neuk me! Net als op de televisie! O, net als op de televisie! O God, net als op-’, sproeide zij met een pisnijdig geluid zijn hele onderlichaam nat, - zo vernederend, zo’n warme gloed, dat Berend nog maar een laatste... vooraleer...
    ‘Ik laat mij gaan wanneer ik dat wil!’ schreeuwde de buurvrouw door de muur heen.
    ‘Zo is dat!’ schreeuwde Berend terug.
    Maar de telefoon was hem te vlug af. De stem van zijn moeder. ‘Het gaat over je vader,’ zei ze. ‘Hij vraagt mij de hele tijd of je al werk hebt.’
    ‘Nee,’ hijgde Berend, ‘geen werk, nog altijd niet.’
    ‘Zou hij al werk hebben gevonden ondertussen?’ zei zijn moeder. ‘Dat vraagt hij de hele dag door.’
    ‘Nog altijd niet,’ zei Berend slap. Tegen beter weten in keek hij achter zich, maar het meisje was verdwenen.
    ‘Wat was je aan het doen?’ wou zijn moeder weten.
    ‘Ik was,’ zei Berend, ‘eigenlijk niet met iets speciaals bezig.’
    ‘Je klinkt zo kort. Is er iets?’
    ‘Ik weet niet. Ik ben een beetje moe, denk ik.’
    ‘Moe? Waarván?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Een werkloze die moe is van niets te doen, daar heb ik nog nooit van gehoord.’
    ‘Ik heb niet gezegd,’ zei Berend, naar lucht happend, ‘dat ik nooit iets doe; enkel dat ik, toen jij belde, niet met iets speciááls bezig was. Eerlijk gezegd wou ik juist ergens aan beginnen.’
    ‘Mag ik vragen aan wat?’
    ‘Dat zou ons allicht te ver leiden.’
    ‘Maar nog altijd geen werk dus,’ vatte moeder het gesprek adequaat samen.
    ‘Nog altijd niet,’ bevestigde Berend.

 

2

De vraag naar welke activiteit de moeite waard was om bij de horens te worden gevat, had Berend ook ‘s anderendaags nog niet losgelaten. Meer zelfs, het antwoord erop leek dringender dan ooit tevoren. Het gepieker begon al toen hij niet eens goed en wel wakker was.
    Het moet iets bij uitstek nuttigs zijn, dacht hij. Iets dat qua impact en belang de alledaagsheid verre overstijgt. Iets waar ik mijn eigen specifieke stempel op kan drukken. Waar na afloop mijn hele persoonlijkheid in vervat blijkt te zitten, als onomstootbaar bewijs dat niemand anders het in mijn plaats had kunnen doen of maken.
    Naar ochtendlijke gewoonte zat hij enkele ogenblikken stil op de rand van zijn bed. Iets geheel en al van hemzelf, als een spontane noodzaak uit zijn doen en laten voortvloeiend... iets eigens... iets dat ‘typisch hij’ zou zijn... Het tegendeel van banaal dus, dacht hij, terwijl hij zich tot normale lengte ontvouwde bij het laten van een langgerekte, schetterende wind, die op het geluid van een startende bromfiets leek.
    Stof wolkte op. Het was vooral zaak, meende hij, de aandacht niet door allerhande futiliteiten te laten afleiden van wat wérkelijk belangrijk was. Zo diende hij zich niet, en vooral niet door gedachten die wel ontegensprekelijk van hem waren, maar overigens door een kwade macht zijn oor ingefluisterd leken, op een dwaalspoor te laten zetten.
    Ondernemen was dan ook veeleer een kwestie van doen dan van denken, dacht hij.
    Snel trok hij zijn kleren aan, gespte zijn horloge om zijn pols, trippelde gezwind de trap af en belandde in de woonkamer. Daar zeeg hij neer in de zetel en zuchtte. Hij voelde zich opeens maar flauwtjes. ‘Iets te geweldig gestart,’ fluisterde hij. ‘Ik loop mezelf voorbij op die manier. Een beetje vaart minderen, alstublieft.’
    Die klus van gisteren, met dat meisje enzo, daar was hij tenslotte toch nog mee klaargeraakt, bedacht hij tevreden. Al was de weg richting voltooiing lang geweest en bezaait met hindernissen allerhande, zoals het totnogtoe op één na laatste telefoontje van zijn moeder en de weinig verkwikkelijke stemmenstrijd naast hem. Even daarna evenwel schenen de buren er toch genoeg van te hebben gekregen en waren er van de ene scheldtirade op de andere toe overgegaan, de ruzie bij te leggen. Wat op niet minder geruchtmakende wijze en bovendien rechtopstaand tegen de muur gebeurd was.
    Onwillekeurig gehoorzamend aan de overmacht van een nabije vrouwenstem die, ditmaal louter uit genot, zichzelf aan flarden schreeuwt, had Berend zich allengs bij de verzoeningsoperatie aan gene zijde van de muur betrokken geweten. Al snel, veel eerder dan zijn buurman trouwens, die altijd al een duffe sukkel leek, had hij eigenhandig het voordien aangevatte karwei kunnen afmaken.
    Echter, mocht dit al een meevaller heten, bedacht hij nu, de naam van succesvolle onderneming was hier stellig toch niet op zijn plaats. Het tastbare resultaat immers van dat hele, al bij al moeizaam verlopen proces had hem toegeschenen als verwaarloosbaar klein en weinig nuttig. Bovendien verschilde het ogenschijnlijk in niets van wat dagelijks en overal ter wereld in hetzelfde genre werd geproduceerd.
    Zodoende nam hij zich voor om dergelijke zijwegen in de toekomst links te laten liggen en zijn energie meer gericht aan te wenden.
    Over energie gesproken trouwens, nog steeds had hij niet de gewaarwording dat zijn lichaam ervan overliep. Eerder zelfs voelde hij zich de uitputting nabij.
    Wat wil je ook, dacht hij grimmig, met zo’n seksleven.
    Maar goed, wat zat er anders op dan de uitspatting van daags tevoren met de mantel der liefde te bedekken en onvervaard, alsof er niets was voorgevallen, verder te gaan met wat hij bezig was?
    Maar eerst moest hij wat eten.
    Hij doorzocht enige kasten en laden, maar vond niets dat ook maar de minste voedingswaarde bezat. Waarom ook had hij eergisteren in de supermarkt behalve wijn niets gekocht? Hij realiseerde zich plots dat zijn laatste behoorlijke maaltijd van vele dagen geleden dateerde. Als dat zo doorging, bedacht hij, zou hij van louter ontbering nog omkomen. En al schrikte de dood op zich hem niet af, de kwestie bleef wat hij, eenmaal gestorven, nog tot stand zou kunnen brengen...

Zoals steeds in een dergelijke situatie vreesde Berend dat de fietser die hem tegemoet reed plots de vlakke hand tegen zijn borst zou planten. Het denkbeeld dat zijn zadel onder hem weg schoot en hij met een klap achterover viel, deed hem ineenkrimpen van angst; hij omklemde zijn stuur met nog meer kracht dan tevoren.
    Zij kruisten rakelings. Je durft niet, dacht hij opgelucht. Hij remde bruusk, stapte af en schreeuwde de zich verwijderende gestalte na: ‘Lafaard!’ Op zijn beurt minderde de andere vaart, zijn schoenzolen schoven met een wrevelig geluid over het asfalt, maar hij kwam pas na vele langzame meters tot volledige stilstand.
    Tegen die tijd stond Berend alweer hoog op de pedalen en maakte dat hij weg kwam. Hij trapte zo hard hij kon. Na een minuut wierp hij een snelle blik over zijn schouder en stelde vast dat zijn voormalige tegenligger de achtervolging niet ingezet, dan wel niet volgehouden had.
    ‘Lafaard!’ riep hij nogmaals, maar ditmaal kon niemand hem horen.
    Inmiddels was hij waar hij wezen wilde. Zijn fiets plaatste hij tegen een groot raam, waarachter tal van producten in aanbieding stonden opgestapeld. Hij liep op de ingang van het warenhuis af. De deur gaapte zich in twee helften uiteen. Toch opletten, dacht hij. Lafaards zijn doorgaans erg wraakzuchtig...
    De eerste medeklant die hij in het oog kreeg was in gehurkte positie bezig de talloze om zijn voeten heen verspreide scherven op een plastic blik bijeen te vegen. De haren van de borstel die hij hiertoe gebruikte waren tot soppens toe van rode wijn doordrenkt. Ook van rode wijn afkomstig waren de stervormige vlekken die ‘s mans overigens geheel witte verschijning een grillig aanzien gaven: zowel broek als jasje leken geteisterd door een vreemdsoortig eczeem.
    Toen de man een moment zijn bezigheid staakte en opkeek, duurde het geruime tijd eer hij blijk van herkenning gaf. Tenslotte toch begon hij te grijnzen en leek naar woorden te zoeken, die echter niet meteen voor handen bleken.
    ‘Ik zal je helpen,’ zei Berend kalm. Hij wees met zijn vinger. ‘Dimitri,’ zei hij, luid en duidelijk, als had hij het tegen een kind of een gehoorgestoorde.
   ‘Dat ben ik,’ stamelde de man knikkend, terwijl hij als vertraagd uit zijn gehurkte houding naar voor viel. De hand waarmee hij zich tegenhield drukte een schelpvormige scherf tegen de vloer aan gruzelementen.
    Hij hervond zijn evenwicht en hield nu de hand, levenloos als een kippenpoot, op enige afstand van zijn gezicht. De vingers stonden stijf gespreid. ‘Is het wijn?’ vroeg hij, Berend dwaas aankijkend. ‘Of is het bloed?’
    ‘Het is de wijn,’ zei Berend. ‘De wijn zit in je bloed. Wat maakt het uit? Je schopt herrie,’ ging hij voort. ‘Je moet geen herrie schoppen. Ik zal je helpen.’ Hij richtte opnieuw zijn vinger: ‘Dimitri.’
    ‘Dimitri,’ zei de man gedwee.
    De vinger maakte rechtsomkeert en belandde tegen de borst van het lichaam waartoe hij behoorde: ‘Berend.’
    ‘Berend,’ zei de echo met dubbele tong.
    ‘Goed zo. Sta op.’ Hij nam zijn vriend onder de oksels en trok hem in één beweging recht. ‘Doe nu heel eenvoudig wat ik zeg,’ maande hij. ‘Je loopt gewoon samen met mij naar buiten. We maken dat we hier weg zijn.’
    Even zag het er naar uit dat de andere zich gewillig zou laten meetronen, maar vrijwel meteen begon hij te zeuren. ‘Ik moet pleisters hebben,’ klonk het. ‘Ik bloed als gek. Of watten. Staat hier nergens een kerststal met sneeuw op het dak?’
    ‘Het is zomer.’
    ‘Maandverband dan... Maandverband, ja... Loopt hier nergens een-?’
    Hij stond stil, maar zijn hoofd bleef zich bewegen in een kleine, gek genoeg perfecte cirkel. Zijn hand, die onmiskenbaar droop van het bloed, reikte aarzelend, als de hand van een wurger, naar de schouder van een vrouw die met de rug naar hen toe stond. Zij schrok dermate van zijn aanraking dat de fles wijn uit haar beide handen op de grond uiteenspatte.
    ‘Neen!’ riep Berend getergd.
    ‘Kutwijf!’ schreeuwde Dimitri. ‘Kijk wat je gedaan hebt!’ Hij maakte een onthutst gebaar, dat zijn hele lichaam omvatte. ‘Mijn pak volledig onder de vlekken! Mijn nieuwe witte pak!’
    ‘Politie!’ begon de vrouw in wanhoop. ‘Verkrachting! Politie! Help!’
    ‘Verdomme!’ ziedde Dimitri verder. ‘Kutwijf! Ik wou gewoon een maandverbandje! Al wat ik wou was maandverband! Zeg eens eerlijk, ik bloed als gek, had je dan geen inleggertje voor me over?’
    ‘Politie!’ hield de vrouw vol. ‘Verkrachting!’
    ‘Maandverband!’
    ‘Godverdomme, lul, hou op!’ kwam Berend tussenbeide. ‘Je ziet toch dat ze zwanger is? Wat moet een zwangere vrouw met-?’
    Het ontstelde ongeloof op Dimitri’s gezicht deed hem stokken.
    ‘Zwanger? Maar ik heb haar verdomme amper áángeraakt!’

‘Ik doe een fles wijn open,’ verklaarde Berend op sombere toon, alsof zijn bezoeker dit niet zien kon. ‘Ik doe een fles rode wijn open.’
    Genoodzaakt inderhaast de supermarkt te verlaten, had hij zich niets van wat hij nodig had, met name voedingswaren, kunnen aanschaffen. Derhalve besloot hij, terug thuis, om enige calorieën op alternatieve wijze in te nemen...
    Dimitri zat lusteloos op de grond met zijn rug tegen de muur, zijn ogen goeddeels gesloten. Op gezette tijden zuchtte hij, de vrijheid biedend aan een rookkegel ter grootte van een doorsnee scheepsvlag. Af en toe wierp Berend van bij de eettafel een blik op hem en dacht: je gaat om eten en je komt met zoiets terug. Wat een verspilling op alle gebied.
    Dimitri, bijna te zat om rechtop te blijven staan, had als vanzelfsprekend op Berends bagagedrager plaats genomen en zich het hele eind laten voeren: ‘Ik rijd nog even met je mee, mag ik?’ Vervolgens was hij, Berend volgend als een blinde zijn hond, mee naar binnen gestruikeld. Hij had een gemeenplaats gewauweld omtrent gezelligheid en welkom zijn en had zich geïnstalleerd tegen de muur met het volstrekt schuldonbewuste elan van de dronkeman. Dat waar al het gedoe om begonnen was, had hij bij nader inzien niet echt nodig meer geacht, maar uiteindelijk toch toegelaten: met een pincet had Berend zijn hand van splinters vrijgemaakt en nadien verpakt in witte, sponzige windsels.
    De wijn kabbelde uit de fles te voorschijn.
    ‘Er is geen geluid dat mij liever is,’ gaf Dimitri, nochtans weinig enthousiast klinkend te kennen. Met het zijne reeds in de mond, reikte Berend hem een glas aan. Je hoeft niet te bedanken, dacht hij, terwijl hij vraatzuchtig op zijn bezoeker neerkeek. Met bewegingen die, traag en beheerst als zij waren, onmiskenbaar zijn inwendige onrust verrieden, liet hij zich in de zetel neerzakken.
    Dimitri, zittend aan de voeten van zijn baasje, leek de rol van blindenhond nu te hebben overgenomen. Zijn benen lagen wijdgespreid voor hem uit en bakenden het gebied af waarin hij bij wijze van tijdverdrijf zijn glas van hand naar hand heen en weer liet schuiven.
    Het zich voortdurend herhalende geluid dat hierbij werd voortgebracht irriteerde Berend zo, dat het knarsen van zijn tanden er een niet onaardig samenspel mee vormde.
    Wat kan ik doen of zeggen om dat type op een beschaafde manier mijn huis uit te krijgen, vroeg hij zich inmiddels af, terwijl hij bezorgd, op zoek naar antwoorden om zich heen blikte.
   Het beste zou zijn te zeggen: ‘Luister, Dimitri, het spijt mij zeer, maar ik was daarnet eigenlijk bezig met-’ of ‘Ik wou zo-even juist beginnen aan-’, en vervolgens de een of andere activiteit te noemen die zelfs in de donkere krochten van Dimitri’s dronken kop een licht zou doen branden, - een licht dat zijn stralen wierp over het besef dat hij stoorde.
    Maar welke activiteit moest hiertoe verzonnen worden? Hij was immers niet écht met iets bezig geweest, diende hij toe te geven, tenzij dan met het een begin maken aan het bedenken van iets waar hij spoedig aan beginnen zou...
    Ach, waarom kon hij niet eenvoudig, beleefd maar beslist mededelen dat hij liever alleen was? Waarom leek hem dit zo moeilijk, ja, zo goed als onmogelijk zelfs? Had hij, na alles wat hij voor zijn vriend, die naam niet eens waard trouwens, vandaag reeds opgeofferd en gedaan had, zijn recht op rust zo zoetjes aan al niet verdiend?
    ‘Luister,’ zei hij plots gedecideerd.
    Dimitri, met een schok opschrikkend uit zijn hypnotisch aandoende roes, staakte het over en weer geschuif. Onder meer door zijn adem in te houden en zijn hoofd in een bepaalde, nogal scheve positie te brengen, suggereerde hij de oren te splitsen. ‘Ik hoor niets,’ zei hij tenslotte. Hij duwde zijn glas weer in gang en nam de gebogen houding van tevoren aan.
    ‘Luister,’ ging Berend met de moed der wanhoop verder, ‘je moet weten dat-’
    Het rinkelen van de telefoon.
    ‘Wie kan dat zijn?’ mompelde hij.
    ‘Met je vader. Al nieuws?’
    Hij haalde lang en diep adem en keek, omdat hij toch niets anders doen kon, Dimitri onderzoekend aan. Deze bleek opnieuw geheel door zijn eenzame spel in beslag genomen, zich niet bewust van wat dan ook.
    Hij wachtte zwijgend tot zijn vader, ongeduldig en verward, de vraag herhaald had.
    ‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij toen.
    ‘Hoe bedoel je, hoe bedoel je?’ Het klonk dreigend als een toverspreuk.
    ‘Wat zeg je?’ vroeg Berend.
    ‘Hoe bedoel je, heb je al werk?’ zei zijn vader. ‘Of neen, ik bedoel-’
    Dimitri slaakte een hoge kreet. Zijn stem leek op die van een zeer jong kind.
    ‘Shit!’ riep Berend. Wat hij al de hele tijd gevreesd had, maar als een ziekelijk doemdenkerig dwangdenkbeeld verworpen, behoorde sedert een seconde tot de onveranderlijke geschiedenis: het glas was tijdens zijn tocht van de ene naar de andere hand gestruikeld en vervolgens omgevallen. Andermaal wist Dimitri zich omgeven door scherven, plasjes wijn en een algehele sfeer van hulpeloosheid.
    ‘Wat bedoel je?’ werd Berend met aandrang gevraagd.
    ‘Blijf aan de lijn,’ zei hij, terwijl hij wanhopige gebaren richting Dimitri maakte. Met zijn vrije hand dekte hij het mondstuk van de hoorn af. ‘Leg je jasje er overheen,’ blafte hij als naar een hond.
    ‘Waar overheen?’ klonk het ongelovig.
    ‘Over de wijn natuurlijk.’
    ‘Over de fles?’
    ‘De wijn die op de vloer ligt, lul!’
    ‘Hallo?’ vroeg zijn vader met donkere stem.
    ‘Ik kom direct bij je terug, vader,’ stelde Berend gerust. ‘Even geduld.’
    ‘Are you crazy?’ vroeg Dimitri hoog en met opgetrokken neushelft. ‘Mijn jásje?’
    ‘Die wijn dringt in de vloer en maakt vlekken die je nooit meer weg krijgt. En je jasje is toch al-’
    ‘Are you crazy?’
    Het begon er nu werkelijk op te lijken, vond Berend, of Dimitri wilde met alle geweld zijn gezicht in de vorm van een varkenssnuit trekken. Kon dit gezicht op zich reeds bezwaarlijk een fraai werkstuk der natuur genoemd worden, thans bracht de verwrongen geplooidheid ervan niets tot uitdrukking dan diepgewortelde lelijkheid, volkomen stupiditeit en bovenal: redeloze, grove haat.
    ‘Luister,’ sprak Berend gejaagd in de telefoonhoorn, ‘ik bel je straks terug, oké? Momenteel heb ik werk te doen...’
    Aan gene zijde van de lijn brak plotseling gejuich uit, als van de winnaar van een spelletje op televisie. Op de achtergrond de geëxalteerde stem van zijn moeder: ‘Is het waar? Is het écht waar? Zég dat het echt waar is!’
    ‘Begrijp mij niet verkeerd,’ riep Berend dwars door de kakofonie heen, die echter niet in het minst bedaarde, maar overging in een luid en rommelig geruis. Het was of zijn vader bijvoorbeeld met de mouw van zijn pull-over, of eerder nog met een handborsteltje over de hoorn heen en weer streek, als een violist. Ja, zo leek het wel, vond Berend. Net zo’n borstel als die lul van een Dimitri gebruikt had, in de supermarkt, teneinde de scherven-
    ‘Ik bel nog terug.’
    Met een klap werd het telefoontoestel herenigd.
    Hij stond op, liep op Dimitri toe en trok hem omhoog aan de revers van zijn jasje, dat wel kraakte, maar niet tot scheuren overging. ‘Laat de rommel maar liggen,’ zei hij hard. ‘Ik ruim de zaak zélf wel op.’
    Bij deze woorden gooide hij het dronken, geheel in wit gehulde lichaam tegen de vlakte, en begon er uit alle macht tegen te trappen tot het nog wel geluiden maakte, meer bepaald kreunende, maar overigens zich niet meer verroerde. Vervolgens bukte hij zich, greep zowel kraag als broeksriem beet en bewoog de man, van wie hij zoeven de bloedende hand nog had verbonden, als een reusachtige, tot een worst opgerolde dweil over de vloer heen en weer. Hiermee hield hij op toen een scherf kans gezien had, diep in het vlees van Dimitri’s wang te dringen. Bloed sijpelde omlaag.
    ‘Je houdt warempel niet op met de grond hier te bevuilen,’ bromde Berend. ‘Het lijkt wel of het in je opzet ligt.’
    Hij haalde opnieuw de verbandrol boven en wikkelde die volledig af rond het hoofd van zijn bezoeker, zonder evenwel op voorhand de scherf te verwijderen.
    Hij stond op en keek, geheel gekalmeerd inmiddels. Een sneeuwman, dacht hij. Door kogels doorboord. En dat terwijl het zomer is.
    Hij liep naar de telefoon, nam de hoorn van de haak en toetste het nummer van zijn ouders in. Zij namen niet op.
    Zijn vader zou inmiddels wel weer naar kantoor zijn, de middagpauze lag achter de rug, en zijn moeder, tja, God mocht weten waar díe altijd uithing... Hij drukte op redial en hing op bij de welgeteld vijftigste bieptoon. Wat te doen?
    Hij wierp een blik op de onbeweeglijke mummie op de vloer en haalde met een schijn van onverschilligheid zijn schouders op. Zolang die daar lag, kon er van een werkelijke onderneming natuurlijk geen sprake zijn.... Hij nanam een slok wijn.
    Maar viel er precies met die lul niets aan te vangen, dacht hij toen plotseling. Kon hij met andere woorden van de gegeven situatie niet op zo'n manier gebruik maken, dat Dimitri's niet te ontlopen aanwezigheid alsnog doel, zin of nut krijgen zou? Niet met zijn persoon als geheel natuurlijk, kon er iets gedaan worden, zeker niet zelfs, maar met, misschien,  zijn ... tja, hoe moest Berend het uitdrukken?... zijn... ahum... stoffelijk omhulsel... ja, zijn lichaam kortom, - waarom niet vrijuit gesproken, er was toch geen mens die het horen kon?
    Hoezo dan?
    Met een gezicht of hij nadacht of twijfelde, blijf hij een kort wijlen ter plaatste staan trappelen. Neen, hij wist zo één-twee-drie toch niet meteen iets te bedenken dat Dimitri's aanwezigheid -of beter de àànwezigheid van zijn lichaam, ja, zeg maar lijf, en de momentele afwezigheid van enig bewustzijn daarin- ten goede kon doen keren... Of wel toch? Ach, dat was gekkigheid... meer zelfs... dat was ronduit...
    Hij lichtte de hoorn van het toestel op, drukte opnieuw de redialtoets in en luisterde gespannen, zichtbaar opgewonden zelfs naar het herhaalde tutende geluid dat, hoewel volstrekt gelijkmatig en qua volume immer identiek, toch almaar sneller en luider leek.

© Christophe Vekeman